Dat ge altijd eerst met de ander moet praten – casestudy

Sant Antoni wordt hier erg intensief gevierd, dat wisten we al (zie hier voor uitleg). Maar vorig jaar kwamen we te weten dat die mannen van Sant Anoni ook nog een ander feestje bouwen. In de velden, recht tegenover onze nieuwbouwwijk. Daar komen ze gedurende anderhalve week elke nacht samen in een bouwvallige schuur om daar vuurwerk af te steken. Elke nacht, de hele nacht lang, anderhalve week aan een stuk.

Stel u dat even voor: gij moet gewoon gaan werken, maar een bende pipo´s zit wel elke nacht vuurwerk af te steken aan de overkant van de straat. Compleet gek werd ik ervan (en ziek natuurlijk). Maar wanneer ik er buren over aansprak, zeiden ze: ja, het is verschrikkelijk, maar het is nu eenmaal traditie.

Daar moet ge bij mij dus niet mee afkomen. Zo goed ben ik nu ook weer niet geïntegreerd.

Dus dit jaar stuurde ik zodra de kerstvakantie erop zat een mail naar de schepen van cultuur met de vraag of dat vuurwerkfeestje ergens anders kon plaatsvinden. Niet op honderd meter van onze voordeur bijvoorbeeld. Haar antwoord: de gemeente heeft er niks over te zeggen waar ze dat organiseren. Dus mail ik terug: okee, maar de gemeente kan hen toch wel verbieden om vuurwerk te stoken van maandag tot vrijdag tussen middernacht en zeven uur ´s morgens, niet?

Geen antwoord.

Waarop ik haar mailadres naar alle buren doorstuurde, met het voorstel deze onwillige schepen te mailen indien ze ´s nachts hinder zouden ondervinden. (Een aantal mensen heeft dat ondertussen alvast gedaan.)

En toen begon de feestweek en was het weer van dat. Van zaterdag op zondag de hele nacht explosies. En ik dacht: eigenlijk moet ik met die mannen gaan praten. Want: zie beginselverklaring.

Nu moest ik sowieso met de hond de velden in (ook al had ik er echt geen zin in want twee dagen eerder een zware migraine gehad en aja, die nacht continu wakker geworden), dus ik dacht, laten we dan gelijk eens langs dat vuurwerk-kot gaan en zien of er met die mannen te praten valt.

Toen ik er aankwam, zaten ze daar met een stuk of zes buiten: twintigers met ongeschoren kinnen, zonnehoeden op en overjassen aan. Ze hadden net een sliert rotjes aangestoken op het lager gelegen veld waarover ik aan kwam wandelen, en een van de hulzen schoot tegen mijn zwarte jurk. Het liet geen sporen na, maar het leek alsof ik een soort oorlogszone betrad en ik voelde me plots tot mijn eigen verbazing zenuwachtig worden.

Op een drietal meter bleef ik staan. Dat ik goed begreep dat ze het hele jaar naar dit feest uitkeken, zei ik. Maar of ze alstublieft op de weeknachten konden feestvieren zónder vuurwerk? Dat de buren en ik kinderen hebben, en jobs, en dat wij niet zomaar een week vakantie kunnen nemen. Ze grinnikten een beetje, mompelden wat onder elkaar. Tja, maar het is traditie, zeiden ze.

Toen kwam de baas buiten. De baas van de schuur, die elk jaar een centje verdient aan het verhuren van die bouwval. Hij stond zo´n halve meter hoger dan ik, en keek spottend op me neer. Begon te discussiëren. Zei me dat ik maar vakantie moest nemen, of gewoon niet slapen. Dat ik daar maar niet had moeten komen wonen. Hij deed me heel erg denken aan dat gemene varken uit Animal Farm. Een schroot-despoot.

Uiteindelijk (hier ben ik niet trots op) begon ik te huilen. Zonder nog iets te zeggen draaide ik me om, trok de hond mee en liep weg. Enerzijds voelde ik me vernederd, maar anderzijds vroeg ik me af of ik die vernedering ook niet voor een deel zelf had opgezocht. want had ik daar nu echt naartoe moeten gaan, met zo´n slapeloze postmigraine-kop? Wat had ik trouwens verwacht?

Die nacht ging ik slapen, zij het zonder veel hoop. En om half twee werd ik wakker van een paar explosies. Maar daarna: niets meer. Perfecte stilte.

´s Ochtends kon ik mijn geluk niet op: we hadden de rest van de nacht heerlijk door kunnen slapen.

Ik kleedde me aan en nam de hond mee uit wandelen. Toen we halverwege waren, op onze tocht tussen de appelsienbomen, stopte er een oud bestelwagentje naast me. Drie verwaaide twintigers keken me vrolijk aan.

“Deze nacht was het beter, he?” zei de jongen achter het stuur.

“Ja,” zei ik, ” dat was het echt. Heel erg bedankt.”

“Donderdagnacht wordt het wel heftig. Daar valt niets aan te doe,” zei een kompaan met zonnehoed. “Maar als je niet kan slapen, moet je maar mee komen vieren.” En hij knipoogde.

Dus ge weet het, hé mensen: altijd eerst met de ander praten.

Liefst in een kort, zwart jurkje.

 

 

 

 

 

Advertenties

10 gedachtes over “Dat ge altijd eerst met de ander moet praten – casestudy

    1. Mja, en we hebben nog wel een lange weg te gaan vrees ik. Gelukkig zijn onze nieuwe buren er ook absoluut niet mee opgezet en durven die ook hun mond opentrekken. Misschien dat we samen het gemeentebestuur toch zo ver krijgen dat ze luisteren en er echt iets aan doen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s