Kattebelletjes: het boek

Ik heb nog anderhalf sprookje te schrijven voor ik de hele bundel in het universum der uitgeverijen lanceer. Maar ik weet dat er nogal veel materiaal die ruimte ingeschoten wordt, dus het leek me een goed idee om een plan B achter de hand te hebben (met de B van “uitgeven in eigen Beheer”).

De meest interessante optie lijkt me voorlopig pumbo.nl. Die hebben als grote troef dat je je boek te koop kan aanbieden via hun eigen webshop boekenbestellen.nl. Als je dan kiest voor de printing on demand-optie, moet je dus zelf helemaal niets investeren. Bovendien beloven ze gratis hulp bij het opmaken van je boek.

Dus dacht ik: weet je wat, we gaan dat eens uittesten. Want vooraleer een sprookjesboek op de markt te brengen, wou ik me er toch eerst van vergewissen dat het er niet als een folderke van den Aldi zou uitzien. Dus heb ik een compilatie gemaakt van de meest representatieve posts die hier de afgelopen vijf jaar verschenen zijn, en daar een boekje van gemaakt. Hade Wouters van The Tiny Office schreef een pakkende flaptekst,Christine Van den Hove schreef een warme inleiding.

Het resultaat kunnen jullie hier vinden: Kattebelletjes.

https://www.boekenbestellen.nl/boek/kattebelletjes/35806

En je mag dat boekje natuurlijk ook bestellen, maar voel je niet verplicht. Want halverwege het proces, stootte ik op de enige kink in de kabel, namelijk: de verzendingskosten. Die zijn veel hoger voor België dan voor Nederland. Aanvankelijk kostte het zelf 10 euro om dat kleinood over de grens te sturen, en stond ik op het punt het hele project af te blazen, maar de mensen van pumbo verzekerden me dat ze in 2020 andere tarieven zouden hanteren. Nu kost het nog 7 euro om het op te sturen, da´s al iets menselijker. De prijs voor het boekje zelf heb ik zo laag mogelijk gezet (9 euro), dus in totaal maakt dat 16 euro. Enfin, ideaal dus voor wie een collector´s item op zijn toilet wil hebben.

Volgende keer zal ik schrijven over mijn ervaringen met pumbo, want ik weet dat er hier een aantal mensen zijn die daarin geïnteresseerd zijn.

En voor wie het boekje koopt: laat mij weten wat je ervan vindt -alle feedback is welkom!

 

 

 

 

Ochtendhumeur

Wanneer ´s ochtends iemand met een verfrommeld gezicht boven een kop koffie zit te mokken, hoor je vaak de standaardopmerking: “die heeft last van een ochtendhumeur”. Maar ik denk eigenlijk dat het concept “last hebben van een ochtendhumeur” niet bestaat. Laat mij u uitleggen waarom.

Dat er ochtendmensen en avondmensen zijn, staat vast. Bovendien is dat evolutionair gezien een goede zet geweest van Moeder Natuur. Wanneer je in stamverband in de bossen leeft, is het namelijk zeer handig dat er dag en nacht altijd wel iemand wakker is om een oogje in het zeil te houden.

Maar toen werden we landbouwers en moesten we in alle vroegte koeien gaan melken en eieren rapen en het land bewerken voor het donker werd. Met de industrialisatie werd het er vast niet beter op, en dat “ochtendstond heeft goud in de mond” idee werd in één ruk doorgetrokken naar onze huidige economie. De enigen die nog een beetje de dans konden ontspringen waren kunstenaars en prostituées, vermoed ik.

(En dan hebben we het nog niet eens over het werk in shiften gehad, wat het bioritme van zowel avond,- als ochtendmensen onderuit haalt. Ik ken mensen die elke week een andere shift moeten draaien; ik heb er geen idee van hoe ze dat volhouden, maar gezond kan het niet zijn.)

Enfin, ik wil maar zeggen: ik ben er zeker van dat als je avondmensen gewoon zou laten uitslapen, en hen in stilte zou laten ontbijten in een halfduistere keuken waar ze ruim de tijd zouden krijgen om een beetje op gang te komen, dat ze dan behoorlijk gelukkig door de voormiddag zouden laveren.

Dus wanneer je ´s morgens wordt afgesnauwd door iemand die zit te grommen boven een kop koffie, dan heeft die geen “last van een ochtendhumeur”. Dat is gewoon een avondmens in een ochtendmaatschappij, die last heeft van mensen die haar ´s ochtends niet met rust laten.

Het Groot Dictee Heruitgevonden: de tekst

Een aantal mensen vroeg me of ik de tekst die voor het dictee gebruikt werd online kon zetten, en aangezien de wedstrijd ondertussen afgelopen is, vermoed ik dat dat nu wel mag. Het verhaal dat ik instuurde, werd bewerkt door Ludo Permentier. Die heeft op een vakkundige en bewonderenswaardige manier de tekst “dicteeklaar” gemaakt. 

HET GEVAAR TUSSEN DE REKKEN

Het eerste wat me opviel, was een geur. Het rook naar compost. Dat is een curieuze geur voor een bibliotheek. Toen ik bij de acaciahouten balie kwam, gebeurde er nog iets vreemds: de bibliothecaris keek me aan met doodsangst in de ogen en fluisterde: ‘Maak zo min mogelijk geluid en bruuskeer niets of je bent er geweest.’

Ik weet dat bibliothecarissen pietjes-precies zijn en soms megastreng, maar dit leek me overdreven. Bovendien viel het op dat iedereen veel stiller was dan normaal. Zelfs de kinderen in de leeshoek zaten als bangeriken in de zitzakken, en durfden amper de bladzijden van hun stripalbums om te slaan. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik gestrest.

De bibliothecaris keek schichtig achterom en gebaarde naar een slijmspoor dat langs de sectie laatmiddeleeuwse Bijbelstudie liep en tussen de rekken naoorlogse literatuur verdween. ‘We zitten met een boekenwurm’, fluisterde hij dicht bij mijn oor.

Ik had verbouwereerd naar hem staan luisteren, maar nu rechtte ik mijn rug. ‘Grapjas!’ zei ik hardop. ‘Is dit weer een van die promotiestunts ter bevordering van de leescultuur?’

Iedereen keek verschrikt op, en vanachter de rekken literatuur voor volwassenen klonk er een benauwend gegrom.

‘Hij wil niet gestoord worden’, prevelde de bibliothecaris haast onhoorbaar. ‘Als je hem stoort, vreet hij je op.’

Ik moest toegeven dat ze erg hun best hadden gedaan om de stunt geloofwaardig te doen overkomen, en besloot het spelletje rücksichtslos mee te spelen.

‘Wat kunnen we tegen de ongewenste aanwezigheid van dit creatuur ondernemen?’ fluisterde ik ernstig terug.

‘Hij kan niet tegen woorden met een x’, was het antwoord. ‘En hoe degoutanter het woord, hoe beter.’

Ik knikte bedachtzaam. Fantasie hadden ze wel, daar in de bib.

Langzaam stapte ik weg van de balie en begaf me richting literatuur voor volwassenen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe alle aanwezigen met alerte blik mijn bewegingen volgden.

Waar het slijmspoor tussen de rekken verdween, draaide ik de hoek om. En daar zag ik het beest.

Het was een grijsblauwe worm met een geribbeld lijf, het soort regenworm dat ik als kind weleens met een keukenmes in tweeën had gehakt om te zien of de helften beide zouden voortleven. Maar dit exemplaar was zo groot als een uit de kluiten gewassen walrus.

De worm zat met zijn kop tussen de boeken in het rek, en bewoog als een stofzuigerslang over De komst van Joachim Stiller. Het boek ging in een gulp naar binnen en meteen daarna begon hij aan een volgend boek. Een paar seconden later had hij het hele oeuvre van Hubert Lampo opgevreten.

Toen hij aanstalten maakte om aan het werk van Tom Lanoye te beginnen, besloot ik het erop te wagen. ‘Laxeermiddel’, zei ik voorzichtig.

Het gruwelijke dier draaide zijn blinde kop in mijn richting, richtte zich op, en ik voelde hoe mijn ledematen verstijfden van angst. Maar ik ging dapper verder: ‘Toxines, index, antrax!’

De ogeloze kop van het dier bleef hoog boven mij in de lucht zweven. ‘Xenofoob!’

Hij sperde zijn muil open. Een boek met een rood-zwarte kaft viel vlak voor mijn voeten. ‘Het goddelijke monster’.

‘Taxidermie!’ riep ik uit. De worm stuikte in elkaar, en begon ijzingwekkend te krijsen. Iedereen in de bib sloeg de handen voor de oren. Maar ik was nog niet klaar.

Nog één woord had ik nodig. Ik greep naar het ultieme wapen: ‘de brexitonderhandelingen!’

Dat was de genadeslag. Schokkend en bevend sleepte de reuzenworm zijn blubberige lijf de zaal uit, langs geschiedenis en hobby’s en handwerk, naar buiten. Alle bibliotheekbezoekers applaudisseerden uitgelaten, en de anders zo gereserveerde bibliothecaris viel me om de hals.

‘Wat een heldhaftig optreden!’ riep hij uit. ‘Je hebt ons gered van een gewisse dood!’

Hij gaf me een zoen op mijn wang en een boekenbon, en toen ik drie maanden later een boek te laat binnenbracht, vroeg hij me geen extra eurootjes, maar zag hij dat met een knipoog door de vingers.

 

 

Uw Rafelkath in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel

Vandaag vindt in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel de finale plaats van Het Groot Dictee Heruitgevonden: De Schrijfwijzen.

De tekst die zal voorgelezen worden en waarover alle spellingfanaten zich het hoofd zullen breken werd geschreven door… mezelf.

Ik ben daar eigenlijk best wel trots op 🙂

De tekst werd weliswaar aangepast en dictee-waardig gemaakt door Ludo Permentier, maar hij heeft dat op een heel elegante manier gedaan: stijl en humor bleven intact. Daar ben ik hem erg dankbaar voor.

Wat leuk om te weten dat zoveel mensen vandaag te horen krijgen welk gevaar er tussen de rekken van een onschuldige bibliotheek schuilt…

Het heerlijke van haken

2019 was ook een jaar van creatieve frustratie.

Ik wou zo graag meer schrijven, maar de uurroosters van echtgenoot en dochter maakten dat erg moeilijk. Ofwel was manlief thuis, ofwel dochterlief, en in een schrijfflow geraken met die lieverds om me heen bleek vrijwel onmogelijk. Bloggen lukte nog wel, maar probeer maar eens alle poëtische en grammaticale draadjes in de hand te houden terwijl je naar een plot toewerkt, wanneer plots iemand naast je begint te telefoneren of vanop de wc roept dat het toiletpapier op is. Ik veronderstelde aanvankelijk dat het een kwestie was van terrein afbakenen (“Ik ga nu een uur schrijven, dus laat me even met rust”), maar ondanks massa´s goede wil aan beide kanten veranderde ik dan toch binnen het kwartier in een soort van prehistorisch monster dat begon te brullen wanneer iemand de keukenrobot aanzette en zo de inspiratie het raam uit joeg.

Daarom heb ik me voorgenomen om dochterlief één dagje per week op school te laten eten, zodat ik een vrije middag heb om -indien gewenst op verplaatsing- alleen maar met schrijven bezig te zijn.

En ondertussen kwam er ook een soort van creatieve verlichting dankzij Trijnewijn. Op haar blog leerde ik het woord amigurumi kennen, wat Japans is voor “gehaakt of gebreid poppetje”. Ik greep naar mijn oude haaknaalden, kocht een boek, en plots ging er een hele wereld voor me open. Want dat haken, mensen, hoe fantastisch is dat? Je kan het eender waar doen, en op eender welk moment. In de zetel naast de echtgenoot wanneer hij computerspelletjes zit te spelen; aan tafel naast dochterlief terwijl ze haar middagmaal (tegen een veel lager tempo dan mama) verorbert. Tijdens alle verloren momentjes wanneer het geen zin heeft aan schrijven te beginnen: dan pluk ik een haakwerkje uit mijn tas en naai een halve eenhoorn letterlijk een oor aan.

Mijn eerste beestje was dit smoezelige eenhoorntje:

Sindsdien zijn op drie maanden tijd volgende creaties de revue gepasseerd (leuk te zien hoe ik toch wel bijgeleerd heb):

een dekentje voor de pop

een sleutelhanger

En hoe leuk is het die werkjes uit te delen?

Dus daarom het voornemen: mooie dingen maken.

Want nu heb ik (dankzij Trijnewijn) wel voldoende strategieën om alle soorten tijd nuttig te gebruiken.

 

Het voornemen voor 2020

2019 was een goed jaar: ik ben in tijden niet zo weinig ziek geweest. Bovendien kreeg ik dit najaar voor het eerst het gevoel dat er iets in dit afgepeigerde hoofd aan het recupereren was geslagen. Er waren nachten dat ik na twintig minuten in slaap viel (hoe heerlijk is dat) en dagen waarop ik met gemak de archiefkasten van mijn geheugen kon opentrekken (*).

Dus die weg wil ik blijven gaan in het nieuwe jaar. Want er is nog wel een weg te gaan. Bovendien hou ik van deze weg, en wil ik niet weer op een zijspoor geraken.

Sinds ik gestopt ben met (buitenshuis/betaald ) te werken, zijn er heel wat zorgen van die baan geschoven, maar er is wel een andere hoofdbreker voor in de plaats gekomen. De vraag wat ik nu in godsnaam ga doen om -het liefst op een legale manier- geld in het laatje te brengen. Daar ben ik nog absoluut niet uit, en eerlijk gezegd begint die vraag behoorlijk zwaar op mijn gemoed te wegen. Zodanig zwaar dat ik eigenlijk, feitelijk, diep vanbinnen, en het aller,- allerliefst van al… die vraag een jaar lang wil negeren.

Ons spaargeld laat het toe om het nog minstens een jaar of twee op één inkomen uit te zingen. Dus alles welbeschouwd: waar haal ik het recht vandaan om me zorgen te maken over geld, terwijl er zoveel mensen op de wereld zijn die niet weten hoe ze aan het einde van de maand de huur moeten betalen? (Of erger nog: het eten van de volgende dag?)

Daarom heb ik besloten om me een jaar lang geen zorgen te maken over werk of geld. Ik ga het huishouden doen, voor mijn dochter zorgen, en me voor de rest maar met één ding bezig houden, en dat is: mooie dingen maken. Verhalen schrijven, liedjes zingen en handwerken (daarover binnenkort meer). Dat kan toch nooit verloren moeite zijn, nietwaar? Een jaar lang. En daarna zien we wel weer.

 

(*) Extract uit een conversatie met mijn ouders, een paar jaar geleden. Mijn vader: “Dus toen hebben ze bij de moemoe een Alzheimer-test afgenomen. Dan vragen ze welk jaar het is enzo.” Ik (in lichte paniek): “Jamaar, dat weet ik ook niet altijd!”

Onbedoeld chauvinisme

Deze post van Lola loves Champagne deed me denken aan een anekdote van tijdens mijn studententijd in Gent.

Een van mijn Gentse medestudenten zei dat hij na zijn afstuderen een appartementje wou kopen in ´t stad.

Ik keek hem verbaasd aan en vroeg: “In Antwerpen?”

In my defence, ik was mij echt van geen kwaad bewust. Ik dacht, in alle onschuld: waarom wil die nu ineens in Antwerpen gaan wonen?

Maar kennelijk is Gent ook een stad.