Ithaca

Morgen gaan we het in de poëzieworkshop van Christine Van den Hove over metaforen hebben. Dus dacht ik: laat ik eens flink mijn huiswerk doen, en een gedicht vertalen dat één lange metafoor is: Ithaca van Konstantino Kavafis.

Naar een andere Nederlandse vertaling heb ik niet gezocht, en ook de Engelse heb ik niet bekeken; ik kende alleen de Spaanse vertaling, en daar heb ik me op gebaseerd. En omdat ik niet uit de voeten kan met de tekstverwerking van wordpress (dat springt maar van tekstblok naar tekstblok), ga ik het op azertyfactor zetten, waar de layout iets geschikter is voor gedichten.

Dus wie het graag wil lezen, kan dat hier: https://azertyfactor.be/tekst-lezen/ithaca

En op de podcast (zie link hierboven naar Spotify) lees ik het natuurlijk meteen voor 🙂

Te goed

Een pianist hier in het dorp vroeg me mijn mening over de pianobegeleiding die hij geschreven had voor een nummer van een Valenciaanse zanger. Eerst liet hij me op zijn telefoon de oorspronkelijke versie horen: een paar eenvoudige gebroken akkoorden achter een degelijke zangstem. Daarna speelde hij hetzelfde lied af, maar dan met zijn begeleiding, een compositie waaraan hij tot diep in de nacht had gewerkt. Al vanaf de eerste noten stroomden de emoties door het nummer, en werd je meegenomen op een ontroerende reis. Het was wonderbaarlijk te horen wat voor een verschil deze prachtige pianobegeleiding maakte voor het nummer, en dat zei ik hem ook.

Een paar dagen later zagen we elkaar weer, en vroeg ik hem hoe het afgelopen was met zijn samenwerking met de zanger. Beteuterd zei de pianist dat de producer van de CD besloten had de oorspronkelijke begeleiding te gebruiken, en niet die van hem. Ik viel uit de lucht. Waarom hadden ze die mooie muziek geweigerd? De pianist wist het ook niet.

Maar na een beetje doorvragen begon ik het te begrijpen. Het nummer dat ik gehoord had, was het enige nummer waarvoor ze eventueel de muziek van mijn kennis zouden gebruiken. Wat betekende dat het contrast met de andere nummers erg groot zou zijn. Waarschijnlijk zou niemand beseffen hoe eenvoudig de pianobegeleiding was, totdat de luisteraars het opgepoetste nummer te horen zouden krijgen. Alles wat daarna kwam, zou ontzettend knullig klinken.

“Dit klinkt misschien gek,” zei ik, “maar ik denk dat jouw begeleiding te goed was.”

Een vriendin van me maakte iets gelijkaardigs mee op haar vorige baan, maar in een nog pijnlijkere versie. Ze was zo goed in haar job, had zoveel oog voor detail en zoveel feeling voor haar medewerkers, dat het haar leidinggevende een doorn in het oog was. Want het voorbeeld van mijn vriendin maakte het contrast tussen wat de leidinggevende deed en wat ze zou kúnnen doen (of eigenlijk: zou moeten doen) wel erg groot. En dat werd mijn vriendin niet in dank afgenomen.

Wanneer je tegenwind krijgt of afgewezen wordt, is het een logische reactie te denken dat je niet goed genoeg was. Maar soms, lieve mensen, ben je simpelweg te goed.

Over parentale burn-out en een pandabeer

België staat helemaal aan de top wat betreft parentale burn-out, zo stond onlangs in de krant. Het is vooral, zo blijkt, de individualistische prestatiecultuur die ouders de das omdoet. Want als je al elke dag het beste van jezelf moet geven in een maatschappij waarin het ieder voor zich is, en je dan ook nog eens de zorg voor anderen op je moet nemen, terwijl corona al een jaar lang de poorten gesloten houdt zodat je nog amper bij die paar mensen geraakt op wie je wel kon rekenen,… Hoe noemen ze dat in het Engels? An accident waiting to happen.

Toen ik een baby had, was ik een kersverse migrantenmoeder met zeer weinig sociale contacten. Ik kende ook nog niet zo goed Spaans. We waren net in een dorp gaan wonen in de buurt van het werk van mijn man, en ik kende daar helemaal niemand. Het was loodzwaar, om verschillende redenen, en ik heb er nadien (na overleg met de echtgenoot uiteraard) heel bewust voor gekozen geen tweede kind te krijgen, gewoonweg omdat ik dat mezelf niet wou aandoen. “Ik kan dit niet nog eens,” zei ik, en ik meende het. Parentale burn-out avant la lettre.

Nu zijn we tien jaar later en is de situatie helemaal anders, want ik heb hier vrienden. Ik weet dat, als ik nu een kind zou krijgen, ik er niet meer bijna helemaal alleen voor zou staan. Als ik zie hoe ouders elkaar ondersteunen, doet het soms pijn te beseffen dat ik het indertijd zonder al die steun heb moeten doen. Dan denk ik: hoeveel minder zou ik afgezien hebben als ik dat had gehad.

Nochtans lijkt het op het eerste gezicht niet veel, die steun. Er is bijvoorbeeld de whatsapp-groep met ouders van de vrienden van mijn dochter. Wanneer iemand niet op tijd aan de schoolpoort geraakt, zet die in de groep: kan iemand mijn zoon/dochter afhalen? En dan is er altijd iemand die antwoordt: ja hoor. Een kind dat ´s middags niet op tijd kan afgehaald worden, kan ook altijd bij iemand blijven eten. Dat lijkt dus misschien niet veel, maar weten dat het kan, maakt een enorm verschil.

Nog zo´n godsgeschenk zijn de ouders van het beste vriendinnetje van mijn dochter. De helft van de tijd zit dat meisje bij ons thuis, de andere helft van de tijd zit mijn dochter in het huis van haar vriendinnetje. We nemen elkaars kinderen mee op uitstap, en wanneer de maatregelen het toelaten, blijven ze bij elkaar slapen.

En dan zijn er de buren. De achterdeuren naar het voetgangersstraatje (de peatonal) staan bijna elke namiddag open, en dan hollen de kinderen, net zoals in Bolderburen, van de ene patio naar de andere. Als de achterdeuren dicht zijn, roepen ze elkaar vanaf het balkon: kom je spelen? Er zitten ook altijd wel een paar ouders op straat een biertje te drinken, wat met elkaar te praten, een beetje toezicht te houden. De honden lopen om de kinderen heen en laten tennisballen neervallen tussen de voeten van de volwassenen in de hoop dat iemand ze zal wegschoppen. Sommige buren slepen een tuintafel de straat op en gaan daar wat zitten telewerken. En wie binnen wil blijven werken, werkt gewoon binnen, met de ramen open.

Een mooi symbool van dat samenleven zijn de sporen die in onze patio achterblijven na zo´n dagje samenspelen: krijttekeningen op de tegels, een verloren sokje in de hangmat, een speelgoedautootje op de tuintafel. Onlangs vond ik op onze sofa de platgeknuffelde pluche pandabeer van een van de buurmeisjes.

Nu is het niet altijd zo idyllisch, hoor. Er zijn bepaalde buren die niet meer met elkaar willen praten wegens onopgeloste conflicten, en ook de kinderen hebben al eens ruzie. Maar dat hoort erbij; we zijn tenslotte allemaal maar mensen.

Ik weet dat deze coronatijden het extra moeilijk maken om bij elkaar te komen en elkaar te helpen de lasten van het zorgen te dragen. Maar volgens mij zijn de Belgische burn-out cijfers een pre-corona probleem. Zoveel Belgische ouders zaten al op hun tandvlees, en daarom kon corona hen met één vinger over de rand duwen. Landen met een meer collectivistische mentaliteit hadden denk ik iets meer reserve op dat vlak.

Nu weet ik niet goed hoe je dat concreet kan aanpakken, en of je dat wel op korte termijn kan veranderen. Maar zoals altijd denk ik dat het begint met praten. Met blijven zoeken tot je mensen vindt bij wie je niet op een muur botst, maar bij wie de deur openstaat. En met het besef dat we allemaal kwetsbaar zijn en elkaar hard nodig hebben.

Wat we niet zien

Wie hier al een tijdje meeleest, weet dat ik er nooit een geheim van heb gemaakt dat ik soms te kampen heb met depressie. Dat is een gevaarlijke aandoening die in staat is op zonnige wandelingen tussen bloeiende appelsienbomen het licht genadeloos te doven, en je onaanraakbaar te maken, zelfs voor de mensen die het dichtst bij je staan. Het is de stem die als Voldemort in je hoofd fluistert dat je er beter niet zou zijn, en dat alles wat je doet zinloos is.

Ik geloof die stem al lang niet meer wanneer ze zegt dat de wereld beter af is zonder mijn aanwezigheid. Er zijn teveel mensen die mij graag zien, en me dat te duidelijk hebben laten merken om het niet te geloven. Ik moet ook vaak terugdenken aan mijn eigen woorden, gericht aan een man die tegenover me aan tafel zat in het huis van een vriendin. Een man die zoveel was kwijtgeraakt dat hij eraan dacht zichzelf zijn laatste bezit, zijn leven, te ontnemen. “Want wat voor zin heeft het?” vroeg hij, en ik hoorde mezelf antwoorden: “De zin van het leven is in leven blijven. Want als jij er niet meer bent, verandert alles. Stel je voor wat het voor je ouders en je broers zou betekenen wanneer jij er plots niet meer was.” En ik zag in zijn blik dat hij plots iets zag wat hij daarvoor niet gezien had. De plaats die hij innam in het leven van anderen.

Dat is onze blinde vlek. We hebben vaak geen idee van wat we betekenen voor een ander. Lang geleden hoorde ik dit zinnetje: “Als jij jezelf zou zien zoals ik jou zie, zou je vast niet zo twijfelen aan jezelf.” Hoeveel mensen kennen we waarop dat van toepassing is? Dus daarom is het nodig dat we af en toe tegen elkaar zeggen wat de ander voor ons betekent. Of hoe cool we hen vonden toen we hen voor het eerst zagen. Of hoe iets wat zij ooit voor ons gedaan hebben ons leven heeft veranderd.

Een paar dagen geleden liep ik door de velden, en de zon doofde in mijn hoofd, en ik dacht: wat heeft het allemaal voor zin. Ik ben veertig en ben al vier jaar werkloos. Ik ga nooit een normale job kunnen doen, ik blijf maar ziek worden, ik schrijf al jaren maar wacht nog steeds op antwoorden van uitgeverijen. Ik heb nog steeds geen plaats in de wereld. Wat heeft het in godsnaam allemaal voor zin.

Die namiddag vertelde Joke me dat ze ´s avonds samen met haar vriendin in het Kattebelletjesboekje had zitten lezen, en dat het zo gezellig was geweest, dat ze zo gelachen hadden.

En ´s avonds hoorde ik van Tina dat ze mijn boek (die roman die nu bij uitgeverijen ligt te wachten) had zitten lezen tijdens het kolven op haar werk, en hoe ze met tranen in haar ogen had zitten verderlezen zonder te merken dat ze al uitgekolfd was.

In gedachten zag ik mijn vriendinnen zitten lezen, Joke naast haar lief en Tina in haar kolfkot. Meteen voelde ik weer waar mijn hart zat, en in mijn hoofd ging het licht weer aan.

Nu schrijf ik dit niet om naar complimentjes te vissen. Ik schrijf dit om de boodschap over te brengen dat we meer betekenen in de levens van anderen dan we meestal beseffen. Dat de gevolgen van wat we doen verder strekken dan ons blikveld. Dat we een plaats innemen in het leven van wie ons liefheeft, en dat zonder ons, dat zonder jou alles anders zou zijn.

Dus hierbij ook voor jou: het is al zo lang geleden dat we elkaar nog in het echt hebben gezien. Maar ik ben je niet vergeten. Ik ben dankbaar voor wat je me gegeven hebt. En alles wat we samen meegemaakt hebben, heeft een plek in mijn leven.

Hiërarchie

Een boek dat ik aan het lezen ben, zette me aan het denken over het concept “hiërarchie”. Iets waar ik zelf nooit mee te maken heb gehad, dacht ik aanvankelijk. Tot ik besefte dat het tegendeel waar is: ik ben namelijk opgegroeid in een zwaar hiërarchische onderwijsstructuur.

Voor de Nederlanders onder jullie: in Vlaanderen bestaat het secundair onderwijs uit het ASO (Algemeen Secundair Onderwijs), het BSO (Beroeps Secundair Onderwijs), het TSO (Technisch Secundair Onderwijs),en het KSO (Kunst Secundair Onderwijs).

Of de situatie nu nog dezelfde is weet ik niet (ik hoop van niet), maar in de tijd waarin ik zelf naar school ging en later toen ik als leerkracht werkte (tot 2008), wist elke elfjarige dat dit geen onderverdeling was in categorieën, maar in niveaus: ASO bovenaan, dan KSO en TSO, en BSO onderaan. Dat was immers hoe er door de volwassenen over gepraat werd: wanneer je na de lagere school een afdeling koos, werd je verondersteld “zo hoog mogelijk” te beginnen, want dan kon je nadien nog “afzakken”.

Binnen het ASO, waar ik naartoe ging, waren ook de richtingen hiërarchisch geordend (hoe dat in de andere afdelingen zat, weet ik niet). In het eerste jaar middelbaar stond Latijn met stip bovenaan: de klas met 5 uur Latijn per week was de absolute top, de klas met 2 uur Latijn stond een trede lager. Wanneer je aan de top wou blijven, moest je er in het tweede jaar Grieks bijnemen. En in de daaropvolgende jaren gaf wiskunde extra status, hoe meer uren, hoe beter.

Begrijp mij niet verkeerd, ik heb niets tegen het groeperen van leerlingen naargelang hun capaciteiten. Waar ik een probleem mee heb, is dat bepaalde capaciteiten als waardevoller gezien worden dan anderen. Hoe meer ik lees over persoonlijkheidstheorie, hoe waanzinniger het systeem lijkt waarin ik opgegroeid ben.

Op alle vlakken heb ik de schadelijke effecten van deze hiërarchische structuur gezien. Jongeren uit de “hoge” niveaus die blokkeerden uit angst om te “zakken” en niet aan de hoge verwachtingen te voldoen (*). Twintigers die met gevoelens van minderwaardigheid kampten omdat ze “maar” TSO hadden gedaan. Die pientere leerling aan wie ik in het BSO lesgaf, die in de Latijnse begonnen was, helemaal was “afgezakt” en het op zijn 15e al opgegeven had. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het statusverschil tussen universiteit en hogeschool.

Nu woon ik in een dorp, en ik weet amper wat en of mijn vrienden gestudeerd hebben, en op welk niveau. In onze vriendengroep zijn er mensen die in een hotel werken, aan de universiteit, op scholen en in privébedrijven. Er zijn zelfstandigen en werklozen. En weet je, het maakt geen bal uit. Er is geen hiërarchie. We kennen elkaar, we kennen elkaars zwaktes en sterktes. We eten samen paëlla en worden samen lichtjes dronken van de zelfgemaakte sangria.

Dus dit is een pleidooi voor het schrappen van de woorden “hoog” en “laag” bij het maken van een studiekeuze, want als je die woorden blijft gebruiken, leer je kinderen dat mensen en talenten gerangschikt kunnen worden volgens waarde, en dat is volgens mij een van de wortels van het kwaad (even dramatisch doen om de boodschap duidelijk te maken). Zeg gewoon: laten we de richting zoeken die het best bij jou past. Al de rest zijn luchtspiegelingen.

Ik hoop eigenlijk dat deze post ondertussen volledig achterhaald is, maar aangezien zovelen onder ons in dit systeem zijn opgegroeid, kan het misschien geen kwaad het toch eens te schrijven. En wellicht is het ook iets dat ik van me af moest schrijven.

(*) In het vierde jaar middelbaar vertelde een leerkracht ons in een motiverende speech dat wij de “ingenieurs en bedrijfsleiders van de toekomst” waren. Toch vreemd dat een leerkracht er niet aan denkt dat haar studenten uit de Latijn-wiskunde misschien wel eens heel goeie leraars lager onderwijs zouden kunnen worden (wat een van ons ook geworden is), of pedagogen, of schrijvers, of thuisblijfouders, ik zeg maar iets. En dat dat allemaal evenveel waard is, want het enige wat telt, is dat je gelukkig bent met je leven.

En toen had ik plots een podcast

Nadat ik mijn vorige post uitgetypt had, vroeg wordpress me: wilt u van deze blogpost een podcast maken? En toen dacht ik: waarom niet, laten we eens even voortklikken en zien waar ons dat brengt.

Kennelijk bracht mij dat bij Anchor (wat dat ook is), en Anchor bracht me bij Spotify. Ik kon de post automatisch laten inlezen door een computerstem, die mijn Nederlandse tekst in het Engels las. Dat was dikke fun, maar niet erg praktisch, dus heb ik hem zelf ingelezen. Daarom kunnen jullie op de vorige post een Spotifyknop zien, die je naar de ingesproken versie van de blogpost brengt.

Ik weet niet wat ik hier voor de rest mee ga doen. Voor hetzelfde geld vind ik het programma niet terug, en komt er niets meer van, maar als ik er wel mee voortkan, dan verzin ik nog wel iets. Alleszins ga ik niet zoals Hade elke ochtend een mooie gedachte de wereld insturen, want daarvoor mis ik de motivatie, en daar hebben we Hade al voor, natuurlijk 🙂

Moest er iemand een idee hebben, laat het mij gerust weten.

Of ik lesbisch ben, en wat ik invulde bij “geslacht”

Af en toe krijg ik de (meestal schuchtere) vraag of ik misschien lesbisch of biseksueel ben, en dat komt dan altijd omdat mensen op sociale media gezien hebben dat ik nogal supporter voor de rechten van de LGBTQ-gemeenschap.

Nu, ik ben zo hetero als ik groot ben, nooit verliefd geworden op meisjes, altijd op jongens (soms de juiste, soms de foute). Ik kan het me ook absoluut niet voorstellen dat ik iets met een vrouw zou hebben, al ken ik een paar prachtige biseksuele vrouwen met wie ik vast een fantastische relatie had kunnen opbouwen moest dat wel zo geweest zijn.

De reden dat ik hier nu zo duidelijk schrijf dat ik hetero ben, is niet omdat ik er problemen mee zou hebben dat mensen zouden denken dat ik lesbisch of bi ben. Dat zou zoiets zijn als horen zeggen dat ik rood haar heb terwijl ik bruin haar heb -echt totaal onbelangrijk dus.

Maar ik wil het hier aanhalen omdat ik een probleem heb met het idee dat mensen die voor LGBTQ-rechten ijveren sowieso geen hetero´s zijn. Alsof enkel mensen van kleur tegen racisme moeten vechten, en dat de strijd voor vrouwenrechten een zaak van vrouwen is. Ik denk dat het op die drie terreinen net alle hens aan dek moet zijn, want er is nog zoveel werk.

Als staartje bij deze bedenking: onlangs stuurde de gemeente een online enquête door, en voor je aan de vragen kwam, moest je je leeftijd en geslacht ingeven. Nu zijn we al voldoende geëvolueerd dat je bij dat laatste kan kiezen tussen man, vrouw en wil-ik-niet-zeggen. Die laatste optie had ik nog nooit aangevinkt, want ik dacht altijd: dat is voor de non-binaire mensen onder ons. Maar bij deze enquête dacht ik plots: waarom word ik hier eigenlijk naar mijn geslacht gevraagd? Voor de statistieken, maar waarom hebben wij statistieken nodig over geslacht wanneer we gevraagd worden naar wat er veranderd kan worden in onze gemeente? Als dit om onze ideeën gaat en we allemaal gelijkwaardig zijn, wat is dan de waarde van die vraag? En toen heb ik lekker rebels en voor het eerst in mijn leven “wil ik niet zeggen” ingevuld.

Hah.

Waarom ik weiger mijzelf een expat te noemen

Vanmorgen las ik deze post van Loes, waarin ze vertelt hoe iemand reageerde op het feit dat ze zichzelf een migrant had genoemd (wat ze ook daadwerkelijk is, want Loes is als Nederlandse naar België verhuisd), en dit zinnetje brak mijn hart: “Rond het woord migrant hangt zo’n negativiteit, zo wil ik jou helemaal niet zien.

Ik ben ook een migrant. Een super-mega-bevoorrechte migrant. Want ik ben wit en kom uit een rijk land. Het was ontzettend moeilijk om mezelf te verplanten, het heeft jaren geduurd, maar ik heb nooit tegen veel vooroordelen moeten opboksen. Ik word nooit scheef of vies bekeken wanneer ik ergens binnenstap, ik word nooit uitgejouwd op straat. Integendeel, wanneer ik zeg dat ik uit België kom, krijg ik vaak zelfs iets van bewondering te zien in de ogen van mijn Spaanse medemens. Alsof ik van een beschaafdere plek kom (wat niet het geval is). Enkel wanneer ze mij Nederlands horen praten, wordt er wel eens gelachen (¿Qué te pasa en la boca?) maar altijd op een goedhartige manier.

Desondanks was het dus echt wel zwaar, en ik kan me niet voorstellen hoe vele andere migranten bovenop de bagage van verlies en heimwee ook nog eens de last torsen van minachting en afwijzing.

Toen ik hier amper een jaar was, vroeg een Ierse collega me of ik een uurtje op hun dochtertje kon passen, want hun oppas moest wat vroeger weg. Ik zei ja, en tijdens het aflossen maakte ik een praatje met de oppas, een Zuid-Amerikaanse vrouw van in de veertig. “Heb je zelf kinderen?” vroeg ik. “Ja,” zei ze, “maar die zijn in Zuid-Amerika.” En zo leerde ik op mijn 28e hoe de wereld in elkaar zit: dat er mensen zijn die op de kinderen van een ander gaan passen, om eten te kunnen kopen voor hun eigen kinderen -aan de andere kant van de wereld.

Deze mensen worden nooit expats genoemd, hoewel ze zich even goed ex patria bevinden. De term expat wordt voornamelijk gebruikt om rijke, witte migranten te onderscheiden van alle anderen. Als je de term “migrant” een negatieve bijklank wil geven, is het namelijk een flinke hulp wanneer je alle rijke witte migranten uit die groep kan houden.

Daar doe ik dus niet aan mee. Voor mij zijn expats mensen die een tijdje voor hun werk in het buitenland moeten verblijven. En migranten zijn mensen die naar het buitenland verhuisd zijn, met het idee er minstens voor langere tijd te verblijven. Volgens die definitie ben ik een migrant, en zijn de Afrikanen die hier tijdens de fruitoogst komen werken expats. (Zie ook dit artikel in The Guardian.)

Er is weinig dat mij zoveel voldoening schenkt als zwarte fruitplukkers in Spanje in dezelfde categorie onder te kunnen brengen als Europese zakenlui in Tokyo. En Belgen die hun land hebben verlaten in dezelfde groep te zetten als Colombianen in Spanje of Marokkanen in België.

Wie weet raken we zo van die schadelijke negatieve connotatie af.