Moeras

(Voor wie genoeg begint te krijgen van de posts over depressie: ik zal binnenkort nog wel eens iets lichts posten, hoor. Maar deze moet er zeker nog door.)

Gisteren sprak een vriendin me aan over een kennis die depressief is. “Ik heb hem aangeraden naar een psycholoog te gaan,” zei ze, “maar hij wil niet. Hij heeft me letterlijk gezegd: ik wil niet beter worden.”

Die woorden deden me denken aan een opmerking van Loes op een van mijn vorige posts. Ze schreef: Hoe is dat met depressie? Is dat iets waarbij je op dat moment denkt ‘ik zou alles doen om er weer uit te komen’ of saboteer je jezelf daar ook in?

Volgens mij staat het duidelijkste antwoord op die vraag in het (kinder!)boek The Neverending Story van Michael Ende. Een van de meest aangrijpende scenes uit het boek is die waarin het paardje Artax sterft in het Swamp of Sadness. Toen ik jaren later de film zag, dacht ik: ja, dat is het helemaal. Zo voelt depressie: je wordt naar beneden gezogen en diep vanbinnen wil je je gewoon laten meezakken. Je wordt zodanig bedwelmd door de giftige gassen die uit het moeras opstijgen, dat je soms zelfs je eigen ondergang bespoedigt. En dat is natuurlijk wat depressie zo gevaarlijk maakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Schrijven om de duivel uit te drijven

Een opmerking van Koen Schyvens (our man in Maputo) herinnerde me eraan dat ik nog een belangrijk antidotum vergeten ben in deze lijst, namelijk: schrijven.

Ik veronderstel dat elke activiteit die je graag doet en die je zelfvertrouwen geeft een goede preventie is tegen psychisch lijden. In mijn geval heeft creatief schrijven me dus zeker geholpen om dammen op te werpen tegen dreigende depressies.

Er is echter nog een andere vorm van schrijven die soms acuut hulp bood wanneer ik middenin een aanval zat. Het is een soort van schrijven die niets te maken heeft met schrijfkriebels of inspiratie, en die iedereen kan toepassen (volgens mij). Daarom wil ik er hier dieper op ingaan.

De werkwijze is zeer eenvoudig: je neemt een blad papier, en je begint te schrijven. Je schrijft alles neer wat er in je opkomt, wat het ook is. Je haalt je gedachten uit je hoofd en zet ze neer op papier. Dat kan heel therapeutisch werken, heb ik gemerkt. Ten eerste omwille van de fysieke actie (je bent met iets doelgerichts bezig in plaats van de muren op te lopen), ten tweede omdat je de negativiteit van binnen naar buiten brengt (depressie is een soort van opkroppen, van binnenhouden), en ten derde omdat het makkelijker is de denkfouten in je gedachtegang te herkennen wanneer je ze zwart op wit ziet staan. Depressieve gedachten klinken veel harder op papier. Het is ongelooflijk wat voor rotzooi we onszelf wijsmaken onder invloed van een depressie, maar het is vaak pas wanneer je het op papier zet dat je beseft wat er allemaal in het duister van je hoofd omgaat.

Soms zie je het niet meteen. Daarom kan het nuttig zijn die schrijfsels na een paar uur of een paar dagen later opnieuw te bekijken. En dan die ideeën tegen te spreken. Dat is hoe je tegen depressie vecht: je moet jezelf leren tegenspreken. Vechten tegen depressie is: met heel je lijf voelen hoe nutteloos je bent, met volle overtuiging denken “ik ben niets waard”, en dan luidop tegen jezelf zeggen: “dat is onzin, ik hou van jou en er zijn zoveel mensen die jou graag zien.” Of met heel je lijf voelen dat niets zin heeft, met volle overtuiging denken “dit bestaan is een goddelijke grap, ons leven een uitstel van executie”, en dan luidop tegen jezelf zeggen: “er is hoop, er is liefde, er is vreugde. Nu voel je het niet, maar straks weer wel.”

Het is heel zwaar werk, en het heeft niet meteen effect. Maar oefening baart kunst. Dus in die Eerste Hulp Bij Depressie-kit zou ik zeker en vast een potlood en een notaboekje steken.

 

 

 

 

 

De beste antidepressiva

(Deze post werd geschreven vanuit persoonlijke ervaringen. Ik ben geen psychiater of psycholoog, en wil hier geen uitspraken doen over therapie of medicatie. De verantwoordelijkheid voor hoe deze tekst door de lezer geïnterpreteerd wordt, ligt bij de lezer zelf, niet bij mij. Dank u.)

Iemand vroeg me eens of ik een lijst kon maken met de zaken die me geholpen hadden met het overwinnen van depressie. Met depressie bedoel ik dan de chronische depressie die ik van mijn 18 tot ongeveer mijn 24e getorst heb, daarna de post-natale depressie die zo´n vier maanden na de geboorte van mijn dochter begon en een jaar of twee aansleepte, en tot slot de resterende korte aanvallen die ik hier eens heb beschreven.

Als je dat zo leest, klinkt dat zeer zwaar. En dat was het ook. Bovendien dacht ik (of beter, vreesde ik) lange tijd dat ik een Depressief Persoon was, ondanks alle vrolijkheid die ik tentoon kon spreiden. Maar gaandeweg heb ik geleerd dat ik absoluut geen Depressief Persoon ben, wel integendeel. Ik ben van nature belachelijk up-beat, en er rotsvast van overtuigd dat optimisme een morele plicht is. Maar ik kwam terecht in omgevingen, systemen en situaties waarin ik me niet kon handhaven, en die me ziek maakten. En dan is het pompen of verzuipen.

Hieronder dus een lijst met wat me daadwerkelijk geholpen heeft depressies te dragen en te overwinnen, in de hoop dat het iemand tot nut kan zijn. (Want kennelijk is het nodig.)

tv-kijken

Ik kijk heel weinig tv. Ik zet me alleen maar voor een scherm omdat ik een welbepaalde film wil zien, of omdat het een aangenaam moment is om samen met mijn man door te brengen. Alleen wanneer ik depressief was, gaf ik me over aan binge-watching. Dan keek ik in één trek drie afleveringen van Desperate Housewives (what´s in a name?) of draaide er een volledig seizoen van Friends door.

En dat was een goede zet. De personages op tv gaven me het gevoel dat er mensen om me heen waren, een soort substituut-vrienden die ik kon oproepen wanneer ik wou, en die er geen moer om gaven dat ik als een ongewassen landloper in de zetel lag. Ze praatten, ze lachten, ze huilen. Ze vertelden grappen. Ze leidden me af. De overwinning op mijn post-natale depressie heb ik voor een groot deel te danken aan de makers van How I Met Your Mother.

Misschien is dat ook een van de redenen dat ik door de band zo weinig tv kijk. Voor mij is het een medicijn, iets dat ik opgeborgen hou voor wanneer de nood het hoogst is.

weggaan

Soms moet je, om jezelf te redden, iets opgeven. Een studierichting, een job, een relatie, een vriendschap, een woonplaats, een idee, een droom, een verwachting. Dat kan bijzonder moeilijk zijn, zeker als anderen het daar helemaal niet mee eens zijn. Maar het is jouw leven. Je eerste verplichting heb je aan jezelf. En wanneer je één plek verlaat, kom je terecht op een andere plek -een plek waar je andere dingen leert. En vaak zijn dat precies de dingen die je nodig had.

Wat die paar maanden in Belfast voor mij betekend hebben, valt niet te overschatten. Daar is een soort van recuperatie in gang gezet die nadien in Spanje werd aangezwengeld. Beide ervaringen waren niet gemakkelijk, maar ze waren wel gezond. Plots keek ik vanuit een ander perspectief naar de plek waar ik vandaag kwam,  en begon dingen te zien die ik voordien niet had opgemerkt omdat ik er toen met mijn neus bovenop zat. Ik begreep vroeger bijvoorbeeld niet waarom België zo hoog scoorde in de zelfmoord-ranglijsten. Nu begrijp ik dat beter.

vaardigheden aanleren

Je moet leren voelen. Je moeten leren benoemen wat je voelt en waarom je dat voelt. En daarna moet je leren omgaan met die gevoelens.

Je moet leren waar je grenzen liggen en die dan met hand en tand verdedigen. Je moet leren “nee” zeggen. Je moet leren inzien wat jouw basisnoden zijn en dan leren er alles aan te doen om die noden te vervullen.

de juiste boeken lezen

Veel van die vaardigheden, en inzichten omtrent welke vaardigheden ik miste en waarom, heb ik geleerd uit boeken. Ik heb geen therapie gevolgd bij gerenommeerde therapeuten of psychologen, maar ik heb wel hun boeken gelezen. Of dat even efficiënt is, weet ik niet, maar het was wel oneindig veel goedkoper en praktischer, en uiteindelijk bleek het ook doeltreffend.

het artikel bij de tandarts

Een paar jaar geleden zat ik in de wachtkamer van de tandarts in een magazine te bladeren. Daarin las ik een artikel waaraan ik nog vaak heb teruggedacht wanneer ik weer naar beneden zonk. Het was geen artikel over depressie, het ging niet over “10 dingen die je kan doen wanneer je depressief bent” ofzo. Het was een reportage over een bordeel in Azië (ik denk Birma, maar ik kan me vergissen). Matrassen in containers, een corrupt politie-corps, vrouwen die elke dag hun lichaam moesten verkopen en geslagen werden. Maar wat me het meest aangreep was het verhaal van de kinderen. Want die vrouwen werden natuurlijk zwanger (ze konden hun klanten niet dwingen een condoom te gebruiken), en hun kinderen groeiden op in het bordeel. Zodra die kinderen er fysiek klaar voor waren, stonden hun eerste klanten te wachten.

Ik weet dat je de ene miserie niet met de andere mag vergelijken. Maar in het diepste donker denk ik nog vaak: ik ben niet geboren in een Aziatisch bordeel. Zoveel heb ik nu ook weer niet te klagen.

muziek

And if it wasn´t for the music, I don´t know what I´d do.”

(Indeep, Last night a DJ saved my life)

vrienden

Mensen zeggen vaak “bel mij als er iets is”. Zelf zeg ik het ook, al weet ik zeer goed dat dat het laatste is wat iemand met een depressie zal doen: iemand opbellen en om hulp vragen. En toch moeten we dat zinnetje blijven gebruiken. Blijf dat zeggen: ge moogt mij altijd bellen. Want alleen al de wetenschap dat er iemand is die je zou kunnen bellen, maakt een verschil. Het feit dat er iemand is die je af en toe een mailtje stuurt, die vraagt hoe het met je gaat, die je uitnodigt, die voor jou supportert, die jou ondanks tijd en afstand niet vergeten is, die blij is met je gezelschap, die voorstelt op je hond te passen wanneer je op vakantie gaat, die je een boek opstuurt, die met jou van gedachten wil wisselen, die je via een prachtig, warm gebaar duidelijk maakt dat je voor altijd een plekje hebt dicht bij hun gezin,… Dat alles maakt het bijzonder moeilijk om jezelf op te geven.

 

 

Storm

Meer dan tien jaar geleden had ik een vriendin die in Geraardsbergen woonde. Daarom reed ik af en toe met de wagen van Gent naar Geraardsbergen.

Op een van die uitstapjes kwam ik in een storm terecht. Het was een winteravond, pikdonker, en opeens veranderde de regen in stortregen, en de stortregen in hagelstenen zo groot als pingpongballen. Ergens in de buurt van Melle parkeerde ik de auto onder een brug tot de hagel weer stortregen werd, en vervolgde toen mijn weg. Het leek alsof ik door een filmset reed, en ze boven de wagen bakken water stonden uit te kappen. Alles wat ik zag, was twee meter asfalt in het licht van de koplampen, en regen, regen, regen in de duisternis. Maar ik moest erdoor geraken, er was geen andere manier. Daarom concentreerde ik me op die ene witte lijn die ik aan de linkerkant van de wagen zag, en reed stapvoets van witte lijn naar witte lijn.

Soms denk ik weer aan die rit naar Geraardsbergen wanneer er storm komt opzetten in mijn hoofd. Vroeger gebeurde dat vaker, nu nog af en toe. Dan wordt het opeens pikdonker, en ik weet niet waarom. Dan zit ik ´s avonds te janken aan de keukentafel, en ik weet niet waarom. Maar het stroomt en het blijft stromen.  Wanneer´s morgens de slaapkamer in het ochtendlicht baadt, blijft het onder mijn schedel donker. Het zijn dagen waarop ik al mijn moed bij elkaar moet rapen om onder de beschutting van mijn huis uit te komen.

Op zulke dagen zeg ik tegen mezelf: Het is een storm. Vertraag en concentreer je op die ene witte lijn die je wel kan zien. Ga nu heel langzaam van de ene witte lijn naar de volgende. Tot de storm weer gaat liggen. 

Dus doe ik de was. Ik maak het eten klaar, al trekt het op niet veel. Ik haal mijn dochter af van school. Ik doe boodschappen, al vergeet ik een paar dingen. Ik sukkel van de ene witte lijn naar de andere. Stapvoets. Tot het opeens in mijn hoofd weer beter gaat. Ik voelde hoe sommige hormonen plaats maken voor andere, hoe ze elkaar aflossen, alsof ze er een shift op hebben zitten. Tegenwoordig gebeurt dat zeer snel: na één of twee dagen. 

Ik weet dat je moet oppassen met wat je op het internet zet, zeker wanneer het niet anoniem gebeurt en wanneer het gaat om zaken waarin je je kwetsbaar opstelt. Maar ik voel mij niet kwetsbaar omdat ik al twintig jaar depressies meedraag. Misschien maakt het me net sterker, omdat ik de route ken.

Ik wou dit posten omdat depressie iets is wat we nog steeds niet helemaal begrijpen, terwijl het net iets heel ingrijpends is. Dus wil ik via deze blog af en toe een klein puzzelstukje bijdragen, in de hoop dat we op een dag de hele tekening kunnen zien.

 

 

 

 

 

 

 

Over pillen, therapie en de supermarkt

Ik ga nu al vier jaar naar dezelfde supermarkt, en telkens ik afreken, moet ik doorheen dezelfde conversatie:

Kassier(ster): “Hebt u een klantenkaart?”

Ik: “nee.”

Kassier(ster): “Wilt u een klantenkaart?”

Ik: “Nee, dank u.”

Af en toe komt er variatie op het thema door een kassierster die een beetje blijft aandringen, of door mezelf, wanneer ik de nood voel nog maar eens uit te leggen dat de hippiekronkels die achter het weigeren van een klantenkaart schuilgaan eigenlijk niet zo vreemd zijn (dat ik het geen gezellig idee vindt dat er aan de hand van mijn aankopen kan uitgerekend worden wanneer ik mijn maandstonden heb, om maar iets te noemen -al is dat niet het voorbeeld dat ik dan geef).

Wanneer ik naar de psychiater moet (waar ik sinds de crash van vorig jaar om de zoveel maanden verwacht wordt voor een sessie van 10 minuten (*)) voltrekt zich ongeveer hetzelfde ritueel:

Psychiater: “Wil je nog steeds geen medicatie?”

Ik: “Nee.”

Psychiater: “Het is natuurlijk je eigen keuze, maar er zijn medicijnen die je echt goed kunnen helpen.”

Ik: “Dat weet ik wel, maar toch: nee. Sorry.”

Psychiater: “Je hoeft je niet te verontschuldigen, voor mij moet je het niet doen. Maar ben je er zeker van? Deze medicijnen worden heel grondig getest. Ik vind het gewoon jammer voor jou dat je waarschijnlijk beter af zou zijn moest je ze nemen, en dat je het toch niet wil proberen. Zou je het toch niet overwegen?”

Ik: “Nee. Echt niet. Nee.”

Er zijn drie redenen waarom ik weiger psychofarmaca te nemen, al besef ik dat ze mijn leven op bepaalde vlakken wel gemakkelijker zouden kunnen maken. Dit zijn die redenen:

  1. Ik vertrouw ze niet.
  2. Ik heb er slechte ervaringen mee (dat was meer dan tien jaar geleden, maar toch).
  3. Het is nooit duidelijk geweest of ze drempelverlagend werkten voor migraine-aanvallen, maar aangezien het om chemische producten gaat, is de kans erg groot. En alles wat maar de geringste kans geeft op aura-migraine, mijd ik als de pest (**).

Moest ik alleen die eerste twee redenen op mijn lijstje hebben staan, dan slikte ik waarschijnlijk al lang mijn dagelijkse dosis. Want zo heroïsch-principieel ben ik nu ook weer niet, daar maak ik mij geen illusies over. Maar die migraines zijn zo´n efficiënt afschrikmiddel dat ik me met weinig anders zal drogeren dan met paracetamol en ibuprofen. Al is het niet makkelijk koppig te blijven weigeren, en paradoxaal genoeg kom ik daardoor altijd tamelijk depressief buiten bij de psychiater.

Nu is dit geen blogpost over wat er beter is, medicatie of therapie. Dit is een post over hoe makkelijk het is aan medicatie te geraken, terwijl het bere-moeilijk is om therapie te krijgen. Want dat is dus wat ik wil proberen: therapie. Lees even mee hoe die queeste tot hiertoe verlopen is:

Tijdens mijn eerste sessie met toffe psychiater 1 vroeg ik om therapeutische hulp, en hij had me op de lijst gezet voor een afspraak met de psycholoog.

Ze zouden bellen.

Ze belden niet.

Na 3 maanden vroeg ik aan de balie waarom ik niet opgebeld was, en toen zeiden ze me dat psychiater 1 (die toen reeds vervangen was door psychiater 2) stelselmatig alle patiënten naar de psycholoog verwezen had, en dat ze sinds zijn vervanging alleen de “zware gevallen” een afspraak bij de psycholoog gegeven hadden. Ik was dus gewoon van de lijst gehaald.

Psychiater 2 zorgde ervoor dat ik weer op de lijst terecht kwam.

Drie maanden later werd ik gebeld en kreeg een afspraak voor over twee maanden. Een maandag om 9 uur ´s morgens. Toen ik die maandag aankwam, zeiden ze dat ik een afspraak had om 13u, en dat er iemand anders een afspraak had om 9u. Ik zei: “Nee, ze hebben mij heel duidelijk gezegd dat het om 9u was.” Om 13u kon ik niet, want dan moest ik werken. Dus pech, weer geen afspraak.

Ze zouden me bellen. Ik miste het telefoontje. Ben dan maar weer langs de balie gegaan.

Balie-mevrouw: “Ik heb je keivaak gebeld. Je hebt een afspraak op 12 april.”

Ik: “Op 12 april ben ik in België. Dat ligt al vast sinds november.”

Balie-mevrouw: “Tja, dan zal ik je een andere afspraak moeten geven. Ik zal je bellen.”

Ik: “Kunt u dat niet gewoon nu doen?”

Balie-mevrouw: “Nee. Ik zal je bellen.”

Op zo´n momenten is het toch moeilijk om daar geen samenzwering van de farmaceutische industrie achter te zoeken. Maar dan kan je nog paranoïde genoemd worden op de koop toe, en daar zijn dan weer andere pillen voor.

 

 

(*) Dit is niet de psychiater die ik tijdens de eerste sessie had en die me zoveel hoop en moed gaf. Die was de tweede keer dat ik ging al vervangen door iemand anders.

 

(**) Voor wie dit kleinzerig zou vinden: ik kan best wel tegen een stootje, hoor. Maar met de hand op het hart: ik zou liever weer een bevalling zonder epidurale ondergaan dan een aanval van hemiplegische aura-migraine.

 

 

 

Een opbeurende post over depressie

Na twee posts over migraine, vond ik het tijd voor nog eens een positieve post. Dat die dan over depressie gaat, lijkt een contradictio in terminis, maar voor beschrijvingen van platgetreden paden komen jullie hier niet lezen, toch? Dus doen we een opbeurende tekst over depressie, waar ik eigenlijk bij terecht kwam dankzij die posts over migraine, maar dat leg ik zodadelijk uit. (En volgende week doen we een enthousiast stukje over kinderarbeid ofzo.)

Op mijn achttiende ben ik steil naar beneden gekeild, daar maak ik al lang geen geheim meer van. (Ik snap trouwens niet waarom er over depressie een taboe zou moeten hangen. Iedereen die hersenen heeft, kan depressief worden. Ik vind het dus ook niet speciaal “moedig” om hierover te schrijven, alleszins niet moediger dan schrijven over teenschimmel of aambeien.)

Er zijn verschillende redenen waarom het toen zo slecht met me ging, maar daar wil ik niet over uitwijden. Wel wil ik twee zaken duidelijk maken: dat ik schrijf over 18 jaar ervaring met depressie, en dat ik uiteindelijk geleerd heb ermee om te gaan zonder medicatie. En dat is opbeurend nieuws –toch?

Voor alle duidelijkheid: depressie is geen lolletje. Je gedachten en gevoelens donderen een bodemloze put in, waar het leven van alle zin wordt ontdaan en je volledig doordrongen raakt van de overtuiging dat jouw bestaan compleet nutteloos is, en maar het best meteen aan zijn einde kan komen. Er is geen hoop. Er is geen licht. Je valt en blijft vallen. Dit om de leken onder u een kleine inkijk te geven in de duistere wereld van de depressieveling.

Ik ben nooit meer zo depressief geworden als tijdens die eerste jaren, tussen mijn achttiende en pakweg vijfentwintigste. Daarna bleven de aanvallen bij wijlen terugkomen, en langzaamaan begon ik in te zien dat dat is wat het waren: aanvallen. Ik was geen depressief persoon, ik was geen zwakkeling of psychologisch gestoord individu. Ik was niet gek. Ik had gewoon last van aanvallen van depressie. Net zoals ik aanvallen kreeg van migraine. Dat inzicht kwam er doordat ik overeenkomsten begon te ontdekken tussen depressie en migraine. De belangrijkste was dit: het ging in beide gevallen om een interne verstoring die aan mijn bewuste controle ontsnapte, en die ik als het ware moest “uitzitten”. Nadien kwam dan het evenwicht terug, en was ik weer okee.

De reden waarom dat inzicht zo lang op zich liet wachten, is naar mijn vermoeden te wijten aan het feit dat een aanval van depressie je gedachten en gevoelens verstoort. En wij zijn erg gehecht aan onze gedachten en gevoelens. Wij vereenzelvigen ons ermee. We hebben de neiging onze gedachten en gevoelens voor waar aan te nemen eenvoudigweg omdat we ze denken en voelen. Diep vanbinnen geloven wij dat wij onze gedachten en gevoelens zijn.

En dat, heb ik ondertussen geleerd, is niet helemaal waar. Wanneer ik nu een aanval van depressie krijg, kan ik afstand nemen. Ik bekijk mijn gedachten als een objectieve waarnemer, en hoe sterk ik ook van die negatieve overtuigingen doordrongen ben, hoe correct ze ook aanvoelen: ik weet dat ze niet juist zijn, maar verdraaid door de depressie. De laatste jaren is het zelfs alsof ik de hormoonspiegels voel kantelen. De foute kant op. En daarna weer de juiste kant op. En dan klaart het plots op vanbinnen en is de aanval voorbij.

En net als migraine hebben depressies een waarschuwingsfunctie: dat je beter voor jezelf moet zorgen, beter je grenzen bewaken, jezelf niet mag overladen. En net als bij migraine geldt dat je je niet mag laten meeslepen, dat er geen reden is tot paniek. It sucks, big time, maar daarna gaat het weer over. Proberen rustig te blijven en wachten tot de storm weer gaat liggen. Want de storm gaat weer liggen. En dat is toch wel opbeurend, niet?