Border Collie Therapie

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (2)

Ze had de luiertas vergeten en daar aanvankelijk tamelijk nerveus over. Tina is altijd goed geweest in dingen in de hand houden: reisschema´s, beroepsklassen, en sinds drie maanden: luiertassen. En nu stond ze daar met man en baby in Gent, en de wagen onder het Zuid geparkeerd. En de luiertas in Oudegem. Dat vond ze niet leuk, maar ze haalde diep adem en zei: “We wagen het erop.”

En we trokken de stad in.

Dat ging zo vlot dat Tina en haar man Tim besloten om mij en Elena nog even te vergezellen op restaurant ook. Dus we doken een Italiaan in (misschien toch herschrijven, die zin) en daarmee schreven we baby´s eerste restaurantbezoek op haar palmares, terwijl Tim en Tina honderduit over hun huwelijksreis/wereldreis praatten en Elena helemaal zelf haar favoriete maaltijd bestelde: spaghetti zonder saus en alleen maar kaas.

Een uurtje later stapten we naar buiten, opgewekt omdat de baby het zo flink volgehouden had. Op een half uurtje zouden ze thuis zijn, nu kon er niks meer misgaan. Maar verder dan twee meter kwamen we niet, want de straat naar het Zuid was afgesloten.

Bomalarm.

Toen zag ik de paniek opkomen in de ogen van mijn vriendin. En ik zag ook hoe moedig ze zichzelf kalm probeerde te houden. We maakten snel een plan. Eerst: luiers vinden. Dat kon nog best tricky worden, want het was ondertussen al bijna zeven uur ´s avonds. We besloten naar Sint Jacobs te gaan om te zien of de supermarkt nog open was, en indien dat niet het geval was een nachtwinkel te zoeken. Dan zouden we terug naar het Zuid gaan om te kijken of het bomalarm al opgeheven was.

De supermarkt was gelukkig nog open, en we sloegen behalve pampers ook een voorraadje eten en drinken in. Daarna gingen we met onze kinderen en boodschappen weer naar het Zuid, waar de mannen die aan de politielinten de wacht hielden ons nog steeds niet konden vertellen of er al schot in de zaak was (ook deze uitdrukking herzien). De baby begon echter hongerig te worden, dus stelde ik voor dat we allemaal naar de Airbnb (*) zouden gaan waar Elena en ik verbleven.

Toen we daar aankwamen en aan onze gastheer de situatie uitlegden, werden mijn vrienden met open armen ontvangen. Hij nodigde hen uit in zijn woonkamer, waar Tina haar baby kon voeden (**). Ondertussen ging ik Elena douchen. Tim zou terug naar het Zuid gaan om de auto op te halen zodra het alarm opgeheven werd, en Tina´s ouders werden op de hoogte gebracht en beloofden hen te komen ophalen indien het te lang zou duren.

Na de douche klom Elena voor mij de houten trap op naar onze slaapkamer op de bovenste verdieping. Tina lag in het grote bed, met haar arm om haar slapende dochtertje heen. Elena ging voorzichtig aan de andere kant van het baby´tje liggen, en ik legde me naast haar. Over de hoofdjes van onze dochters keken Tina en ik elkaar aan. De laatste keer dat we samen in hetzelfde bed hadden gelegen, was tijdens de Gentse Feesten van 2008 geweest. We waren toen in de vroege uurtjes van het Zuid naar mijn appartementje in Ledeberg gewandeld, en zij was toen knal tegen een verkeersbord aangelopen. We moeten nog altijd lachen als we dat oprakelen.

En nu lagen we hier: twee jonge mama´s, als een cocon om onze dochters, in dat grote bed.

En we waren zo gelukkig.

De mooiste momenten kan je niet plannen. Daar zit je opeens middenin.

Al wat je dan hoeft te doen, is heel erg dankbaar zijn.

 

(*) Ik heb de link naar de Airbnb erbij gezet omdat we daar zo´n fijn verblijf hebben gehad. Ik word hier niet voor vergoed ofzo, het is puur uit dankbaarheid.

(**) Eigenlijk was deze episode ook één lange, mooie advertentie voor borstvoeding. Want die kan je niet vergeten, die heb je altijd bij.

 

Toeval

Ik las deze leuke blogpost over toevalligheden, en meteen kwam me voor de geest wat me een aantal jaar geleden is overkomen op mijn verjaardag. Ik heb de notities weer opgezocht. Het is echt gebeurd.

 

Het is 25 juli 2014, de dag van mijn 34e verjaardag.

Ik zit achter de computer wanneer de telefoon begint te rinkelen (we hadden toen nog een vaste lijn). Wanneer ik opneem, wenst er een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn me een gelukkige verjaardag. Ik bedank haar, maar kan haar stem niet thuisbrengen. Ze doet me aan Alfonso´s grootmoeder denken, maar die is het niet.

Wanneer ik haar vraag wie ze is, zegt ze: ¨”Ik ben het, tante María uit Ávila!” Maar ik ken helemaal geen tante María in Ávila. Dus vraag ik haar wie ze belt.

“Rosa,” zegt ze. “Ik bel Rosa om haar te feliciteren met haar verjaardag. Wie ben jij dan?” En zo komen we erachter dat ze het foute nummer gedraaid heeft.

“Nou,” besluit tante María, “alleszins een gelukkige verjaardag vanuit Ávila!”

En die verjaardag kon niet meer stuk.

 

 

Lol versus perfectie

Sinds september doe ik mee met de jazzband hier op de muziekschool, die verstopt gaat achter de naam “Taller de música creativa” (workshop creatieve muziek). Die groep bestaat uit drie saxofonisten, een trompettist, een contrabassist, een vioolspeler, een drummer, en twee stemmen: Laura (mijn betoverende, goedlachse partner-in-crime uit de zangles) en ik. De groep wordt geleid door David, de energieke leraar contrabas die kan zwaaien als een dirigent en pianospelen tegelijkertijd.

Verleden donderdag hadden we repetitie, en als voorbereiding op de audición van volgende week hebben we een uur aan een stuk hetzelfde nummer gerepeteerd: Hit the road, Jack.

Dus daar stonden we, op het podium, voor een lege zaal. De drummer tikte af, de saxofoons zetten in, David dreunde de akkoorden mee op de piano. En ik draaide me naar Laura, en zong:

O woman, o woman, don´t you treat me so mean.

You´re the meanest old woman that I´ve ever seen.

 

En die prachtige, vrolijke Laura grijnsde terug en repliceerde:

 

Well I guess if you say so, I´d better pack my things and go!

 

Na de vierde of vijfde keer het hele nummer doorlopen te hebben, riep Manolo vanachter zijn contrabas: “Wacht even, ik ga het opnemen!” en liep hij met zijn mobiele telefoon de zaal in.

Later die avond stuurde hij de opname door via whatsapp. Eerst klonken er een halve minuut aanwijzingen in de trant van “Nee Manolo, zet het wat verder!” en toen begon het nummer. Tijdens het luisteren naar mezelf merkte ik iets op wat ik eigenlijk al langer vermoedde, namelijk dat mijn stem eigenlijk niet zo geschikt is voor dit soort muziek. Ze is een beetje te braaf, te licht, niet rauw genoeg. Een vriend die operazanger is, heeft me eens gezegd dat ik een musicalstem heb. Ideaal voor ballades en Disneysongs, maar minder geschikt voor jazz- en soulwerk.

Maar ik hoorde nog iets anders in de muziek. Ik hoorde hoeveel plezier we hadden tijdens de opname. Ik zag weer voor me hoe Laura en ik hadden staan zwaaien en draaien op het podium, hoe we gelachen hadden en genoten, temidden van al die good vibes, omgeven door die geweldige instrumenten en enthousiaste muzikanten (die er ook wel eens compleet naast speelden, trouwens). En toen dacht ik: so what als ik geen jazzstem heb? Ik blijf gewoon lekker in die groep zingen want het is supertof. We zijn geen professionals, en godzijdank. We spelen zonder druk en zonder zorgen. En da´s de allerfijnste manier van spelen.

Daarom heet het trouwens spelen.

 

 

 

De Hoe Goed Ken Ik Iemand Test

Hier een kleine denkoefening ter bevordering van onze intermenselijke verbondenheid.

Ik kwam erop toen ik als Erasmus-student met een paar medestudenten in de supermarkt was, waar we allemaal met ons eigen karretje doorheen reden. Zou ik kunnen raden welk karretje van wie is, afgaand op de inhoud, vroeg ik mezelf af. Dat zou een interessante test zijn. Later zag ik een stukje uit “De Mol” waarbij twee kandidaten de bezwete t-shirts van hun kompanen aan de juiste persoon moesten linken, en daar wonderwel in slaagden.

Dus laten we daar eens even bij stilstaan: hoe goed kennen we de mensen om ons heen? Hoeveel aandacht schenken we aan hen en wat ze doen, en hoeveel nemen we onbewust van hen op?

Wie zou jij kunnen herkennen aan de hand van…

  • … de inhoud van hun winkelwagentje?
  • … de boeken in hun boekenkast?
  • … de inhoud van hun kleerkast?
  • … hun lijstje favoriete nummers op spotify?
  • … hun geur?
  • … hun voetstappen?
  • … hun lach?
  • … hun handschrift?

 

 

 

Een Border Collie Brein in 1847

Ik was eerder per ongeluk een exemplaar van Jane Eyre tegengekomen, en mijn voornemen het te lezen was gepaard gegaan met het mentaal opstropen van de mouwen. Het ging immers om een boek uit 1847. Moeilijke woorden, lange zinswendingen, ellenlange  landschapsbeschrijvingen,… ik was er helemaal klaar voor.

Een totaal overbodige voorbereiding, zo bleek. Het leest vlotter en meer to the point dan de laatste moderne, Nederlandstalige boeken waar ik me doorgeworsteld heb. Maar dat was niet de enige verrassing: ik ben namelijk helemaal mee met de schrijfster, Charlotte Brontë. Ze werd geboren in april 1816, dat is dus tweehonderd jaar geleden. Maar ik heb het gevoel dat we perfect even samen iets zouden kunnen gaan drinken bij de bakker hier op de hoek en dat met haar van gedachten wisselen een pak makkelijker zou gaan dan met een hele hoop van mijn tijdgenoten.

Toegegeven, ik zit nog maar aan hoofdstuk 13, maar ik kon het niet laten er al iets over te schrijven, want ik heb zo het vermoeden dat juffrouw Brontë een Border Collie Brein bezat. Een mooi stukje daarover bijvoorbeeld:

“It is in vain to say human beings ought to be satisfied with tranquillity: they must have action; and they will make it if they cannot find it. Millions are condemned to a stiller doom than mine, and millions are in silent revolt against their lot. Nobody knows how many rebellions besides political rebellions ferment in the masses of life which people earth. Women are supposed to be very calm generally: but women feel just as men feel; they need exercise for their faculties, and a field for their efforts as much as their brothers do; they suffer from too rigid a restraint, too absolute a stagnation, precisely as men would suffer; and it is narrow-minded in their more privileged fellow-creatures to say that they ought to confine themselves to making puddings and knitting stockings, to playing on the piano and embroidering bags. It is thoughtless to condemn them, or laugh at them, if they seek to do more or learn more than custom has pronounced necessary for their sex.”

(Charlotte Brontë, Jane Eyre, p 141)

In 1847, dames en heren. Alstublieft.

 

 

 

Huishoudelijke Ongehoorzaamheid

Na het lezen van deze blogpost van Eva Brumagne heb ik lang zitten nadenken over hoe het komt dat vrouwen over het algemeen nog steeds het leeuwendeel van het huishouden op hun schouders nemen. Ik kwam er echter niet uit, en ik kan er dus ook geen gefundeerde mening over geven.

Wel wil ik aan de hand van twee ervaringen iets meegeven over wat ik in de loop van de jaren over taakverdeling in het huishouden geleerd heb.

Casestudy 1

Ik heb strijken altijd tamelijk overbodig gevonden, tenzij het gaat om hemden of plooirokken –kledingstukken die ik draag noch bezit. Het ex-lief wilde echter dat zijn T-shirts gestreken werden. Dus streek ik zijn T-shirts.

We hadden beiden een job, maar ik had de indruk dat ik een pak meer deed in het huishouden dan hij. Ik ging daarover met hem in gesprek, maar hij vond dat ik daar een totaal verkeerd beeld van had. Hij deed minstens evenveel in het huishouden, beweerde hij. Dit baseerde hij op het feit dat hij geregeld de afwas deed. Daarom maakte ik een lijst met alle huishoudelijke taken en twee rijen vakjes achter elke taak: een rij voor hem en een rij voor mij. Telkens een van ons een taak deed, schreven we de datum in een vakje. Mijn vakjes kwamen vol te staan, die van hem bleven erg leeg.

Toen we uit elkaar gingen, bracht hij zijn T-shirts naar zijn moeder, die ze liet strijken door de huishoudster.

 

Casestudy 2

Mijn man werkt voltijds, ik niet. Ik doe dus veel meer in het huishouden en ik vind dat normaal. Hij draagt zijn steentje bij door al eens een wasmachine in te steken, ´s morgens onze dochter schoolklaar te maken, de keuken te kuisen en te koken wanneer hij een vrije dag heeft. Ik doe al de rest.

Mijn man houdt van een opgeruimd huis. Ik persoonlijk kan een pak meer rommel verdragen. Een tijdlang heb ik geprobeerd het huis in een staat van volledige opgeruimdheid te houden, maar ik werd daar tamelijk onnozel van, want ik was gewoon de hele dag aan het opruimen, terwijl ik best wel andere dingen te doen had. Ik doe dat dus niet meer. Het heeft me wel wat gekost me daarover heen te zetten, want ik heb ook last van dat idiote stemmetje dat zegt dat ik kan laten zien hoeveel liefde ik waard ben door belachelijk hard mijn best te doen. Maar nu wordt dat stemmetje meteen overroepen door een stem die buldert: “Als hij zo graag een opgeruimd huis wil, dan moet ie maar een half uur minder achter zijne playstation gaan zitten en zelf opruimen.” Wat ie ook doet wanneer hij de rommel niet meer kan aanzien.

 

Dus dat heb ik geleerd: ge moet doen wat ge zelf vindt dat nodig is. Ik zorg voor vers eten in de koelkast en propere kleren in de kleerkast, ik probeer de badkamer proper te houden (lukt niet altijd), de bedden beslaapbaar, ik zorg 7 a 8 uur per dag voor onze dochter. Ik weiger tijd te maken om te strijken, of om de vloer in een staat van continue smetteloosheid te houden zodat ervan gegeten kan worden. En rommel mag, zolang het binnen de perken blijft. Ik stof af wanneer ge het stof ziet liggen. Natuurlijk vind ik een stofvrij huis toffer, en van de vloer kunnen eten heeft vast ook zijn voordelen, maar ik weet dat dat ten koste zou gaan van de tijd die ik besteed aan zingen, schrijven, en in het park rondhangen met de andere ouders terwijl onze kinderen de tijd van hun leven beleven.

Wil de huisgenoot extra service, dan moet hij daar zelf voor opdraaien.

Leven en laten leven.

Huishouden en laten huishouden.

Ik heb er alleen spijt van dat ik indertijd die T-shirts gestreken heb.

 

 

 

 

 

Basiscompetenties voor politici

In de lerarenopleiding werden wij geteisterd door een groot blad papier. Op dat blad papier stond alles wat wij zogezegd moesten kunnen om een goede leraar te zijn. Dit werden basiscompetenties genoemd en het waren er belachelijk veel -meer dan 100 (u kan dat hier checken). (Enkel de basiscompetenties, dus wie weet hoeveel competenties een leraar in totaal dient te hebben. En dan heb ik het nog niet eens over de attitudes gehad.)

Sindsdien heb ik mij regelmatig afgevraagd, vooral na uitspraken van Bart De Wever, wetsvoorstellen zoals het M-decreet, of de recente “onleefbaar werk” voorstellen van Kris Peeters, waarom er geen lijst met basiscompetenties voor politici bestaat. Ik denk dat dit een zeer nuttig instrument zou zijn dat ons veel leed zou kunnen besparen.

Veel moeite moet daar niet voor gedaan worden; ik kan u uit de losse pols zo een paar basiscompetenties aanbieden die klakkeloos van de lerarenopleiding overgenomen zijn, en waarvan ik denk dat sommige politici daar nog behoorlijk veel werk aan hebben. Bijvoorbeeld:

De politicus kan:

-met de hulp van collega’s de heterogeniteit en de diversiteit van de samenleving onderkennen.

– doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de burgers en met de kenmerken en de diversiteit van de samenleving;

– voor burgers met specifieke behoeften, in overleg met collega’s, in het kader van de handelingsplanning, doelen selecteren die aansluiten bij de vastgestelde beginsituatie.

– het regeringsakkoord vertalen in zinvolle wetten die aansluiten bij de motivatie, de beginsituatie, de talige diversiteit en de capaciteiten van de burgers;

-een positieve interactie met de burgers opbouwen en een positieve relatie tussen de burgers stimuleren;

… en zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

´t Is maar een gedacht he.

 

 

 

Small Talk in Vlaanderen (2)

Net toen ik door voorgaande ervaringen zoals deze begon te geloven dat de luchtige babbel met vreemden niet aan Vlamingen besteed is, gebeurde het volgende.

Ik kwam vermoeid, gehaast en zenuwachtig het Centraal Station binnenlopen. Buiten grijs septemberweer, binnen weinig volk. Er was zelfs een loket helemaal vrij.

Nog voor mijn vermoeide brein ontcijferd had of ik aan dat volledig klantenvrije loket wel voor mijn aankoop terecht kon (die borden erboven met nationaal, internationaal, grensverkeer, groentesoep met balletjes, etc. brengen mij nog steeds in de war), werd ik gewenkt door de opgewekte dertiger die aan de andere kant ervan wat heen en weer zat te draaien op zijn stoel.

“Kan ik u helpen?” vroeg hij.

Jamie Oliver met een Antwerps accent en een bril op, daar deed hij me aan denken.

“Ja, gewoon…” begon ik.

“Gewoon,” herhaalde hij lachend, “dat is geen probleem. Ik ga u gewoon helpen.”

“… gewoon een ticketje naar Opwijk,” maakte ik terzelfdertijd mijn zin af.

“Jonger dan 26, nietwaar?” zei de Jamie look-alike.

“Zot, ik ben 35,” giechelde ik.

“Awel, dat zoudt ge nu echt niet zeggen!”

“Ik wed dat gij dat zelfs tegen bomma´s van zeventig zegt.”

Hij grijnsde. “´t Is wel lief bedoeld.”

Tegen dat ik mijn ticket naar Opwijk in handen had, was er een hele reeks van dit soort luchtige grapjes gepasseerd en was de man te weten gekomen dat ik op weg was naar een trouwfeest.

Toen ik uiteindelijk betaald had en aanstalten maakte de zaal uit te lopen, riep hij me nog na:

“Ziet dat ge het boeket vangt!”

En ik riep terug: “Ik ben getrouwd!”

En hij: “Allez!”

Waarna we beiden met wijs,-en middelvinger aan onze imaginaire pet tikten en salueerden.

Als je het zo leest, lijkt het vast op flirten, maar dat is omdat je niet gezien hebt hoe ik er toen bij liep (ooginfectie, dikke bril, fout kort haar, lodderige jeans, te grote sweatervest –de kleren voor de trouw zaten in mijn tas en mijn haarlak lag in Valencia). En die jongeman praatte met de vrolijke overtuiging van iemand die zich elke ochtend opnieuw voorneemt er het beste van te maken, wat voor job hij ook toegeschoven krijgt. Voor mij was het dus geen flirten, maar een soort verbale ping-pong die je alleen in je moedertaal kan en met mensen die op dezelfde golflengte zitten. Small talk op z´n best.

Met een brede glimlach liep ik naar het perron, op weg naar het coolste trouwfeest ever. Maar dat is een ander verhaal.