Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.

Toeval

Ik las deze leuke blogpost over toevalligheden, en meteen kwam me voor de geest wat me een aantal jaar geleden is overkomen op mijn verjaardag. Ik heb de notities weer opgezocht. Het is echt gebeurd.

 

Het is 25 juli 2014, de dag van mijn 34e verjaardag.

Ik zit achter de computer wanneer de telefoon begint te rinkelen (we hadden toen nog een vaste lijn). Wanneer ik opneem, wenst er een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn me een gelukkige verjaardag. Ik bedank haar, maar kan haar stem niet thuisbrengen. Ze doet me aan Alfonso´s grootmoeder denken, maar die is het niet.

Wanneer ik haar vraag wie ze is, zegt ze: ¨”Ik ben het, tante María uit Águila!” Maar ik ken helemaal geen tante María in Águila. Dus vraag ik haar wie ze belt.

“Rosa,” zegt ze. “Ik bel Rosa om haar te feliciteren met haar verjaardag. Wie ben jij dan?” En zo komen we erachter dat ze het foute nummer gedraaid heeft.

“Nou,” besluit tante María, “alleszins een gelukkige verjaardag vanuit Águila!”

En die verjaardag kon niet meer stuk.

 

 

Bezoek mij in drie minuten

Nu hebben die van het toeritisch bureau van Valencia toch zo ne schone video gemaakt…

Normaal gezien wordt deze stad altijd gepromoot met dat beeld van de Ciutat de les Arts i les Sciències, maar daarstraks liet mijn schoonbroer me een nieuwe video zien, waar die bouwwerken niet eens in voorkomen.

Wat zie je dan wel in de video? Al de rest. Het echte València. Maar op zo´n terloopse, bescheiden manier dat je het amper merkt, en vooral meegenomen wordt in de sfeer, de kleuren, de geluiden. Zoals je in de 20e seconde die zompige grond ziet, of in 1:03 onze typische banda (de lokale fanfare).

Maar het mooiste is natuurlijk dat ze tonen hoe een plek je kan veranderen -ten goede. Misschien daarom dat ik een traantje liet toen ik deze video voor het eerst zag. Omdat dat ook met mij gebeurd is.

Ofwel was het gewoon omdat het eigenlijk een supermelige video is.

Maar oordeelt u vooral zelf:

 

PS: ´t estime is Valenciaans voor ik hou van jou. Wat een leerrijke blog is dit toch aan het worden.

 

 

 

De Andere Boeg

Het “Jaar in Rafelbunyol” zit er bijna op, dus wordt het tijd om deze blog over een andere boeg te gooien.

Ik heb een paar lokale evenementen gemist, waarvoor mijn excuses. Dat was voornamelijk te wijten aan het samenvallen van bepaalde festiviteiten met mijn vakantie in België en een paar keer was ik op het moment van de actie eenvoudigweg niet vrij. Maar ik hoop dat jullie toch een algemeen idee hebben gekregen over hoe het er hier aantoe gaat.

Mijn plan is om de blog nu voor iets anders te gebruiken -iets dat dichter bij jullie thuis ligt. Maar ik moet het nog een beetje uitwerken voor mezelf, de lijnen uittekenen.

I´ll keep you posted.

Het is alleszins heel fijn dat jullie blijven volgen!

Ik vind het ongelooflijk mooi te horen dat jullie blijven meelezen in deze tijden van ultrakorte tweets en snel doorklikken…

Veel liefs en tot gauw!

Kath

Feest met Moren

Het klinkt zeer gewaagd om dezer dagen een overwining op de islam te vieren, ook al heeft die 777 jaar geleden plaats gevonden. Maar de Valencianen doen rustig (*) verder met wat ze al honderden jaren doen op 9 oktober: optochten en spektakels op touw zetten waarbij de helft van de deelnemers verkleed gaat als christenridder en de andere helft als middeleeuwse moslimstrijder. Dat ziet er ongeveer zo uit:

optocht in Murcia

Ten tijde van de rellen over de Deense Mohamed-cartoons werd er in sommige dorpen wel besloten om misschien toch maar niet meer die reuzengrote Mohamed-pop te verbranden, kwestie van niets uit te lokken.
Ook liet de president van de Spaanse Federatie voor Religieuze Islamitische Entiteiten in 2006 weten dat deze traditie geen positief beeld geeft van de moslimgemeenschap en eiste hij de afschaffing van de Moros y Cristianos-festiviteiten.

Maar de Valenciaan: hij vierde voort.

Toen ik gisteren mijn dochter ging ophalen aan de schoolpoort, kwam de hele klas opgewonden naar buiten lopen met paarse plastic zakken over hun kleren en een halve maan op de buik. Ze hadden die namiddag feestgevierd.
“En als wat ben je verkleed?” vroeg ik mijn dochter.
“Musulman!” riep ze enthousiast.
Nou, dacht ik. Als daar niet ergens een vakoverschrijdende eindterm mee bereikt is, weet ik het ook niet meer.
(*) voor zover Valencianen ooit iets “rustig” doen, natuurlijk

DSC_0097

Het seizoen van de halfnaakte mannenlijven

We hebben in juli geen hittegolven gehad. Hitte was er volop, maar golven vielen er niet te bespeuren; het was één bewegingloze zee van klamme warmte.

Dat betekent: altijd plakken van het zweet. Midden in de nacht, ´s ochtends bij het opstaan, vlak nadat je gedoucht hebt, en van dan af de hele dag lang, tot je ´s avonds de vierde douche van die dag neemt om tenminste proper op je bed te gaan liggen, waar je meteen weer begint te zweten van de warmte die zich genereert tussen je lichaam en de matras, tussen je hoofd en het hoofdkussen.

Zonnecréme smeren en denken: verdorie, nu plak ik nog méér.

Geen chocoladerepen kunnen kopen aan krantenstalletjes (aaaargh!)

´s Avonds het raam openschuiven en geen enkel verschil merken -geen tocht, geen briesje, niks.

De enige troost in dagen als deze zijn de jonge mannen die dapper aan het werk blijven. Die ongegêneerd hun T-shirt uittrekken, op een ladder kruipen om een straatlamp te vervangen/ een gevel te schilderen/ een kabel te installeren, en zo het straatbeeld van een vleugje propere erotiek voorzien. Een goedgespierde troost. Daar komen we de zomer wel mee door.

DSC_1683

Op schoolreis met de Schone Slaapster

Ik ben 34 en gisteren voor het eerst sinds vele jaren weer op schoolreis geweest.

De mensen van de zomerschool (cfr. speelpleinen in Vlaanderen) hadden een uitstapje naar een openluchtzwembad in Segorbe georganiseerd, en de ouders die wilden, mochten mee. Er was een bus voorzien voor de kindjes en een bus voor de ouders.

Toen ik door het gangpad van de bus liep, zag ik Aurora, een van de moeders, naar me zwaaien. Ze had de zitplaats naast zich voor me vrijgehouden. Ik voelde me meteen een schoolkind met een beste vriendin; wat een heerlijk gevoel! We hebben de hele dag gepraat en gelachen, samen kindjes ingesmeerd met zonnecrème, samen ijsjes gegeten. En zodra ze zag dat ik moe werd, zei ze: “Ga jij maar even rusten, ik hou Elena wel in het oog.” Op de terugweg hebben we op de bus sociale media de grond in gepraat en gegierd om onze lelijke tienerjaren.

Samen op stap met de school van het leven, waar kleine meisjes leren wat vriendschap is, en de grotere meisjes het herontdekken.

Hoe ga je op vakantie als je al op vakantie bent?

Want terwijl half Madrid naar onze kusten trekt en duizenden noorderlingen het vliegtuig nemen richting mediterraanse kust, zitten wij hier al natuurlijk.

Dus wat doet men dan, in Rafelbunyol? Elke dag naar het strand? Het kan u verbazen, maar: neen. We zitten op 5 kilometer van de zee, maar er gaat niet eens een bus naartoe. Je raakt er alleen met de wagen, of met de fiets, maar zoals gezegd is fietsen hier nog niet erg in de mode en wie 5 kilometer peddelt in de blakende zon heeft al een zonnesteek vast nog voor hij goed en wel op het strand is. Er zijn er wel die om de twee dagen naar het strand gaan of daar een zomerhuisje hebben, of met vrienden een appartementje huren aan de platja. Maar de echte locals hebben een chalet in de heuvels waar ze met de hele familie de zomer doorbrengen aan de rand van het zwembad en paella eten tot het ieders oren uitkomt.

(By the way: met de tram raak je wel binnen een half uur op het strand van Valencia, wat ik af en toe doe. Maar als ik dat hier vertel, kijken ze me aan alsof ik van een andere planeet kom. Wat volledig strookt met het gevoel van vervreemding dat nog af en toe komt opzetten.)

Voor wie geen chalet ter beschikking heeft, is er het openluchtzwembad van Rafelbunyol. Wat een heerlijke uitvinding: gras in plaats van zand, brede schaduwen geworpen door bomen in plaats van die halve vierkante meter onder een parasol. En in tegenstelling tot het groezelige zeewater is er het propere zwembadwater (al mag je daar aan het einde van de dag ook niet meer teveel bij nadenken). Maar het mooiste is het Elena en haar vriendjes daar bezig te zien, met hun verschillende graden van zwemvaardigheid, en vrolijk roepend en gillend en spetterend. Wat een leven. Dat je de rest van de dag loopt te zweten als een paard neem je er dan maar bij.

piscina descubierta rafel 1

(Foto van een website gehaald, want ik zag het niet zitten om daar aan het zwembad mijn camera boven te halen.)