Waarom ik mij niet laat vaccineren

Ik las bij Loes een prachtige oproep tot nuance in het vaccinatiedebat. Iets wat ik hier niet ga herhalen, want beter dan Loes krijg ik het niet verwoord. Mijn bijdrage zal zich daarom beperken tot het uitleggen waarom ikzelf niet gevaccineerd wil worden, want kennelijk is dat een beslissing die bij sommige mensen nogal wat weerstand oproept.

Sinds mijn tiende lijd ik aan een zeldzame vorm van aura-migraine. Tijdens die aanvallen krijg ik urenlang te maken met symptomen die lijken op die van een hersenbloeding: ik verlies de helft van mijn zicht, krijg gevoelsstoornissen, spraakstoornissen, herken mijn omgeving en zelfs mijn eigen gezicht niet meer. Het is geen pretje. Het is elke keer doodeng en ik moet er altijd dagenlang van recupereren.

Deze aanvallen kunnen veroorzaakt worden door bepaalde chemische substanties, bijvoorbeeld in huidcrèmes of medicijnen, maar ook door een eenvoudig zakje chips met smaakversterkers of simpelweg een bruuske verandering in atmosferische druk. Ik heb dus een erg gevoelig zenuwstelsel. Doorheen de jaren heb ik geleerd dat sommige medicijnen me zieker maken dan de ziekte die ze zouden moeten genezen, en dat ik bijwerkingen krijg die anderen niet krijgen.

Ook met mijn bloedvaten moet ik voorzichtig zijn, want mensen met auramigraines hebben een verhoogde kans op hersenbloedingen.

Dus als ik moet beslissen of ik me wil laten inspuiten met een experimenteel vaccin dat wel eens de kans op trombose zou kunnen verhogen en hier en daar zware hoofdpijnen uitlokt bij mensen die daar normaal gezien geen last van hebben, enkel om me half-en-half te laten beschermen tegen een ziekte die ik waarschijnlijk al doorlopen heb, dan zeg ik: nee dank u. Ik weet dat de kans ontzettend klein is dat er iets misloopt, maar als het misloopt, ga ik me dat heel erg beklagen.

Daarom laat ik het gevaccineerd worden liever over aan de mensen die niet moeten nadenken over de stoffen waarmee hun lichaam in contact komt. Die niet bij elk medicijn, elk nieuw voedingsmiddel, elk zakje thee, elk kommetje chips moeten nagaan wat het risico voor hun gezondheid zou kunnen zijn.

Om eerlijk te zijn ben ik niet eens geïnteresseerd in wat voor redenen anderen hebben om zich wel of niet te laten vaccineren. Ik heb al zoveel energie moeten steken in het uitdokteren van mijn eigen beslissing, dat ik de beslissingen van anderen met veel plezier aan henzelf overlaat.

Reclaam: de Doktoors

Voor wie houdt van artisanale gekte.

Voor wie houdt van liedjes over de gevolgen van verstrooid zijn en geamputeerde hondjes die desondanks vrolijk door het leven gaan.

Voor wie hun kroost iets anders dan Studio 100 materiaal wil aanbieden.

Voor wie diep vanbinnen iets voelt dat genezen wil worden, liefst met muziek:

schrijf u in voor de online première van De Doktoors!

(Dat is op http://www.doktoors.be)

Ik denk niet dat ge het u zult beklagen. Zelf kijk ik er al wekenlang naar uit 🙂

Geheime activiteiten in de 21e eeuw

Is het tegenwoordig nog mogelijk iets te ondernemen waar het Internet geen weet van heeft?

Jazeker, al is het een uitdaging aan het worden. Maar het lukt nog:

Iets gaan eten in een bar waarvan je niet eerst de lokatie hebt opgezocht op Google Maps, en waar je nog kan bestellen van een echt menu en niet via een ingescande QR-code. Waarna je geen foto´s neemt van je maaltijd en na afloop betaalt met cash geld.

Wachten tot je iemand in het echt ziet voor je hen een vraag stelt, in plaats van het meteen te appen.

Je cinematickets aan de kassa kopen en na afloop geen bespreking van de film op je blog zetten.

Een mooie zonsondergang zien en er geen foto van nemen om die op Instagram te delen.

Fietsen over paden zonder camera´s en je rit niet laten registreren door je smartwatch.

Iets opzoeken in het woordenboek in plaats van op je telefoon.

Een papieren boek kopen in een echte boekenwinkel.

Een repetitie niet opnemen.

Afspreken met een vriend, gaan wandelen zonder je telefoons mee te nemen, en alles wat je ziet en denkt enkel delen met elkaar.

Het voelt bijna stiekem.

Zo stiekem dat het extra leuk wordt.

(En ik ga hier nu niet vragen of jullie onlangs geheime activiteiten hebben ondernomen, want dan is het niet geheim meer, natuurlijk.)

Over bedrijfswagens en het voorkomen van verkrachtingen

Toen ik twee jaar geleden in België was, kwam een vriendin me opzoeken. Ze kwam aanrijden in een grote wagen van een zeer degelijk merk, met beige lederen zetels en al. Daar keek ik wel even van op, want ik had haar altijd weten rondrijden in oude bestelwagentjes. Ze zag meteen mijn verbazing en zei: “Bedrijfswagen van mijn man. Voor ons hoeft het niet hoor, maar ja, als ze je dat geven…”

Een paar dagen later sprak ik af met een andere vriendin, en ook zij kwam in een grote, sjieke wagen aanzetten. En ook zij keek me een beetje verontschuldigend aan en zei: “Bedrijfswagen. Voor mij hoeft het niet, ik was tevreden met onze oude wagen. Maar als je dat aangeboden krijgt, ga je geen nee zeggen natuurlijk.”

Het had me niet mogen verbazen, want in geen enkel ander land worden bedrijfswagens zo zwaar gesubsidieerd als in België. Nu wil ik hier geen discussie ontketenen over de voor,- en nadelen van subsidie voor bedrijfswagen. Ik wil enkel aangeven dat het kosten zijn die niet aan essentiële noden tegemoet komen. Dat kan je makkelijk afleiden uit het zinnetje “voor mij hoefde het niet”.

Maar weet je wat het is met belastinggeld? Het is niet onuitputtelijk. Wat je aan het ene besteedt, kan je niet meer aan het andere uitgeven. Dus als er in België voor gezorgd wordt dat werknemers lekker in lederen zetels kunnen rondrijden terwijl ze evengoed in een zetel van kunststof de baan op zouden kunnen, dan wringt het toch wel dat ik jaar na jaar moet lezen hoe het openbaar vervoer duurder wordt. Of dat ik mij als buitenlandse bezoeker zonder auto in België blauw betaal aan treinkaartjes, en zelfs na 13 jaar nog altijd die duivelse diabolotaks (5,50 euro per rit van of naar Zaventem) moet betalen. Maar soit, zo essentieel is dat nu ook weer niet.

Ik zal u zeggen wat veel meer wringt. Wat zo hard wringt dat het pijn doet. Dat van een van de jongens die meedeed aan die groepsverkrachting in Gent geweten was dat hij op het foute pad was. Dat er al verscheidene keren aan de alarmbel getrokken werd, maar dat er “geen plaats was” voor gepaste opvang.

Een verkrachting komt nooit uit de lucht vallen. Vaak wist de omgeving al op voorhand dat de daders problemen hadden, of waren ze al eerder met het gerecht in contact gekomen. Ik denk dat ik niet de enige was bij wie het maagzuur opkwam toen ze hoorde dat Marc Dutroux, om maar eens het voorbeeld der voorbeelden te geven, al eerder veroordeeld was voor zedenfeiten en vervroegd was vrijgelaten.

Het probleem ligt niet alleen bij deze jongens en mannen. Het probleem ligt evenzeer bij het feit dat onze maatschappij gerund wordt door onder andere een aantal mensen die liever investeren in luxewagens dan in jeugdbegeleiding. Die meer geven om status dan om zorg. Die liever aan repressie doen dan aan preventie. En dat een groot deel van de stemgerechtigde bevolking dat een goed idee vindt.

Wat mij brengt bij een opmerking die ik een paar keer in de commentaren op eerdere posts had gelezen: dat de staat van de wereld sommigen onder ons zo moedeloos maakt, dat ze zich liever niet meer met politiek bezig houden. Maar, lieve mensen, niet aan politiek doen, dat bestaat niet. Want zodra je belastingen betaalt, ben je medeplichtig. Want dan is het ook jouw geld dat in de pot zit. Het is dankzij onze centen dat onze beleidsmakers in staat zijn onze maatschappij de ene of de andere kant op te duwen.

Daarom is het ons aller verantwoordelijkheid verdomd goed na te denken op wie we stemmen: op mensen die kiezen voor zorg of voor status. De middelen zijn beperkt, we kunnen niet overal geld insteken. Dus laat ons heel goed nadenken over wat er essentieel is, en dan voor de mensen kiezen die daar het hardst op willen inzetten.

En niet alleen die stem moeten we laten horen. We moeten ervoor uitkomen, anderen erover aanspreken. Als er maar genoeg mensen gaan roepen dat zorg belangrijker is dan status, dan keert op een dag het tij. Maar als iedereen zwijgt, dan gebeurt er niets, dan zijn we al op voorhand verloren.

Al waar we dan nog moeten op hopen, is dat er bij de volgende verkiezingen een paar waardige kandidaten komen opdagen die volle bak voor zorg en preventie willen gaan en die de moed hebben om aan te geven dat er dan op sommige minder essentiële terreinen bespaard zal moeten worden.

En mijn laatste hoop is dat ik hiermee niet te kort door de bocht ben gegaan en dat deze gedachtegang een beetje te volgen was.

En nu even over de jongens praten

Hier een bedenking bij het gruwelijke nieuws dat ik gisteren in de krant las (over een 14-jarig meisje dat in Gent door vijf jongens verkracht werd, waarbij de verkrachting gefilmd werd en verspreid via sociale media; het meisje pleegde een paar dagen later zelfmoord).

Ik hoef niets te weten over dat meisje. Ik hoef niet te lezen of ze voor haar marteling al met problemen kampte of niet, dat haar ouders al op zoek waren naar een therapeut. Volgens mij doet dat totaal niet ter zake, want er zijn mensen die voor minder uit het leven stappen dan het moeten ondergaan van een groepsverkrachting, waar je nadien nog eens de beelden van te zien krijgt, wetende dat die video de ronde doet.

Wat ik wil lezen in de kranten is: wat is er in godsnaam mis met die jongens dat ze een meisje van 14 in groep verkrachten en het ook nog eens vastleggen en verspreiden. Dit zijn vijf jongens tussen de 14 en de 19 die niet alleen denken dat dit soort gruweldaden oké zijn, maar ook nog eens tot actie overgaan. Ik las vandaag in de krant dat de oudste van de bende zelfs om vrijlating vraagt.

Kunnen we dáár misschien eens over praten? Over wat er fout gaat in onze maatschappij dat het mogelijk is vijf jongens bij elkaar te krijgen die hiertoe in staat zijn?

En laten we daarbij niet alleen naar de opvoeders en scholen kijken. Herinner u dat nog geen drie maanden geleden, ook in Gent, twee jongemannen een voorwaardelijke celstraf kregen nadat ze een vrouw verkracht hadden en de beelden hadden verspreid. Dat is een duidelijk signaal. Dat is zeggen: groepsverkrachting is zo erg niet hoor.

Maar dat is het wel. Het is iemand kapot maken. Kunnen we dat nu eindelijk eens duidelijk maken aan onze jongens? Zowel aan die op de schoolbanken als die in het gerechtshof als die in het parlement.

Het verhaal van de vader

Wat er in de enveloppe zit, wil Marta weten. Dat moet genoteerd worden omdat ik het pak met spoed wil verzenden.

“Het manuscript van mijn boek,” zeg ik.

“Heb je een boek geschreven?” zegt Marta. “Wat spannend. Waarover gaat het?”

Dus geef ik mijn ondertussen al stevig ingeoefende elevator pitch over drie liefdesverhalen die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, maar toch met elkaar verbonden zijn.

“Liefdesverhalen, dat gaat Sonia graag lezen,” grinnikt Marta.

“O ja,” zegt Sonia, die achter het andere loket zit, “laat maar komen.” Ook de man die op dat moment voor Sonia´s loket staat, heeft onze conversatie gehoord. Het is een kalende vijftiger met een bril en een streepjeshemd. Hij draait zich naar me toe en zegt: “Als je een liefdesverhaal wil schrijven, dan heb ik er nog wel eentje voor je.” Ik besluit hem niet te wijzen op het feit dat de liefdesverhalen al geschreven zijn, want ik zie in zijn ogen dat hij me heel graag iets wil vertellen.

“Wat denk je hiervan: een zestienjarige die smoorverliefd is geworden op een Britse jongen die ze nog nooit heeft gezien.” Er komt een trek van bezorgheid op het gezicht van de man en even wordt de post waarvoor hij gekomen was vergeten. De twee postbeambten en de jonge schrijver geven hem hun volle aandacht.

“Wat het Internet met liefdesrelaties doet, dat valt toch niet te begrijpen,” gaat hij verder. “Drie leuke, knappe jongens heeft mijn dochter achter zich aanlopen, maar ze gunt ze geen blik waardig, want ze is helemaal verhangen aan een kerel die ze nog nooit heeft gezien. Ze kan aan niks anders meer denken. Maar wat weet je nou van iemand waarmee je alleen nog maar hebt gechat?” Zijn bezorgdheid gaat over in lichte wanhoop. “Er zijn toch dingen die je pas kan weten wanneer je iemand in het echt ziet?”

“Wat iemand uitstraalt,” beaam ik.

“Hoe iemand ruikt,” zegt Sonia.

“Precies!” roept de man. “Stel dat je iemand op het Internet leert kennen en een relatie begint, en pas nadien kom je erachter dat zijn tenen stinken!”

Ik vermoed dat dat niet helemaal is wat Sonia bedoelde, maar ik wil de man niet onderbreken. Hij lijkt echter gezegd te hebben wat hij wou zeggen en besluit met: “Ja, schrijf daar maar eens iets over. Daar heb je een verhaal.”

En ik denk: dat is niet het verhaal.

Het verhaal is niet dat van de verliefde Spaanse tiener die verlangt naar een Britse jongen die ze nog nooit heeft gezien. Het verhaal is dat van een vader die lijdzaam moet toekijken hoe het Internet het liefdesleven van zijn dochter gekaapt heeft en die zich zo machteloos voelt dat hij in een postkantoor het woord liefdesverhaal aangrijpt om bij een vreemde en twee postbeambten zijn hart te luchten.

Dat is het verhaal.

Waarom de Nederlanders anders zijn (1): water

Dat Nederlanders iets hebben met water leerde ik zo´n dertig jaar geleden uit het Suske & Wiske-album “Het Delta Duel“. Maar hoe zwaar dat duel met het water was en hoe verstrekkend de gevolgen heb ik nooit echt begrepen. Volgens “The Dutch are different” is de relatie die Nederlanders hebben met water echter de basis van vrijwel alles wat Nederlands is. De naam alleen al zegt het natuurlijk: de Neder-Landen, de Lage Landen, ze liggen lager dan de zee, en dat is een positie die heel wat spanning met zich meebrengt.

Maar ook heel wat vechtlust. Het Nederlandse volk dwong de zee terug, wat een bijna bovenmenselijke prestatie is. Met dijken en molens en allerlei vernuftige sluissystemen wonnen ze land van het water. Daardoor is in Nederland het idee van maakbaarheid sterk ingeburgerd geraakt. Als je iets wil, dan kan je het bereiken, zolang je maar je koppie gebruikt en voldoende ondernemingszin toont. Geen wonder dus dat Nederland een land van ondernemers is. Het zijn immers de skills van het ondernemen die hen het land gebracht hebben waarop ze wonen.

Het gevecht tegen de getijden is echter nooit volledig voorbij. Je moet steeds op je hoede blijven, want de kleinste nonchalance kan rampzalige gevolgen hebben. Dat werd de Nederlanders zwaar ingewreven tijdens de Watersnood van 1953, toen een combinatie van storm en springtij de dijken deed breken en bijna tweeduizend mensen verdronken. En zo leerden Nederlanders the hard way dat het belangrijk is je zaken in orde te hebben. De straten schoon, de hagen gesnoeid, en de gordijnloze ramen gelapt zodat iedereen vanop straat kan zien dat ook binnenin je huis alles netjes in orde is. Dat alles onder controle is en iedereen veilig.

Belgen hebben dat, in mijn ervaring, een pak minder. Belgen voelen zich goed in de chaos, nestelen zich in de rommel, maken van wanorde desnoods een soort fashion-statement. Belgen verzamelen, hamsteren, stapelen boeken op tot aan het plafond, en hangen twee lagen gordijnen op zodat de buitenwereld niet kan zien wat voor storm er daarbinnen woedt. En ze kunnen zich dat permitteren, want buiten de deur hebben ze geen storm te vrezen.

Open brief aan Bart De Wever

Mijnheer De Wever, burgemeester van Antwerpen,

Vier jaar geleden sprak ik met een bevriende Spaanse journalist, die net terug was van een reis naar Palestina. Hij toonde me foto´s van een bezoek aan een kleuterschool op de Westelijke Jordaanoever.

“Moet je kijken wat er tijdens de speeltijd gebeurde,” zei hij en klikte op zijn camera naar de volgende foto. Ik zag een kleine speelplaats tussen betonnen muren. Rechts op de foto stonden een paar kleuters en hun juf bij elkaar. Tegenover hen stonden drie zwaarbewapende mannen in legertenue.

“Israëlische soldaten,” zei mijn vriend. “Die kwamen daar gewoon even de speeltijd verstoren.”

Wat voor reden kan je hebben om met een machinegeweer op je rug een kleuterschool binnen te stappen?

Hij vertelde ook van een oude Palestijn die elke dag zijn veld ging bewerken. Aan de rand van dat veld stond een uitkijktoren. Op sommige dagen werd de oude man vanuit die toren rakelings beschoten, op andere dagen niet.

Waarom zou je een oudje beschieten dat zijn veld bewerkt?

De verhalen over dagelijkse pesterijen en terreur bleven komen. En het antwoord op de vraag waarom dit gebeurde, wist ik wel. Het is onderdeel van een zeer langzaam proces waarbij Palestijnen van hun grond en uit hun huizen worden verjaagd door Israëlische kolonisten, gesteund door het westen. Tot op de dag van vandaag wordt het Palestijnse volk gepest en geprovoceerd. De militaire reacties van Hamas op die provocaties wordt terecht terrorisme genoemd. Maar de pesterijen, provocaties, en het geweld van de Israëlische overheid worden niet onder terrorisme geklasseerd. En dat klopt niet.

Vandaag zei u in De Standaard dat Hamas door de Europese Unie officieel betiteld is als terroristische organisatie. U zei ook dat u “enige empathie” voelt voor Israël. Mijnheer De Wever, de Israëlische staat is een veel beter bewapende en beter georganiseerde terroristische organisatie dan Hamas. Terwijl u vannacht lag te slapen, heeft Israël acht kinderen en twee vrouwen in een vluchtelingenkamp in Gaza opgeblazen. Kinderen in een vluchtelingenkamp. De afgelopen dagen verloren 31 Palestijnse kinderen het leven. Ik vind het een gruwelijk idee dat de burgemeester van mijn geboortestad empathie voelt voor een terroristische staat die kinderen vermoordt.  

Het artikel besluit dat er in Antwerpen geen concrete dreiging is. Toch zegt u een paar paragrafen eerder dat u bezorgd bent dat het conflict veel “moslimjongeren in Europa die sociaal-economisch niet echt een ladder zijn opgegaan en met een frustratie zitten” kan aanspreken, en houdt u alvast de politiediensten “in staat van verhoogde paraatheid”.

Moslimjongeren die sociaal-economisch niet echt een ladder zijn opgegaan. Als dat geen schoolvoorbeeld is van etikettering en visering, dan weet ik het ook niet meer. Bovendien zegt u dat deze hypothetische moslimjongeren niet begrijpen dat wat er momenteel in de Gaza-strook gebeurt “heel weinig te maken heeft met de mensen die vandaag hier in Europa wonen en die samen een gemeenschap moeten maken.”

Mijnheer De Wever, hoe kan u als burgemeester van Antwerpen nu verwachten een gemeenschap te maken wanneer u moslimjongeren viseert nog voor er iets gebeurd is, en zegt empathie te voelen voor Israël? En hoe kan u in godsnaam zeggen dat dit heel weinig te maken heeft met de mensen die vandaag hier in Europa wonen, wanneer uw eigen retoriek een voortzetting is van het dominante, patriarchale, kolonialistische denken dat aan de oorsprong ligt van dit conflict?

Als er “zever van komt“, zoals u uw verwachtingen omschrijft, zal dat mede zijn dankzij uw uitspraken in de krant.

Waarom de Nederlanders anders zijn: inleiding

In een winkel met tweedehandsboeken kwam ik deze intrigerende titel tegen: “Why The Dutch Are Different“. Nu heb ik nooit echt het gevoel gehad dat mijn Nederlandse vrienden erg anders zijn, maar de inhoudsopgave leek een boeiende duik in de Nederlandse geschiedenis en cultuur te voorspellen, en dat voor een luttele 2 euro -of zoals ze dat in Nederland zeggen: voor een prikje. Dus nam ik het boek mee naar huis.

De auteur, Ben Coates, is een Brit die zijn hart verloor aan een Rotterdamse en dus om de mooiste aller redenen zijn thuisland verliet om zich onder de zeespiegel te gaan vestigen. Britse boeken over buitenlanders zijn, in mijn ervaring, vaak erg karikaturaal, maar ik was aangenaam verrast te ontdekken dat Coates zich daar ver van houdt. Integendeel, hij heeft zijn huiswerk gemaakt en zich met toewijding gestort op het uitpluizen van de Nederlandse geschiedenis en het ontrafelen van de volksgeest. Dat is althans mijn indruk na het lezen van het eerste hoofdstuk.

Ik heb alvast heel wat opgestoken over waarom Nederlanders zijn hoe ze zijn (of doen wat ze doen), en denk zelfs ontdekt te hebben waarom ik het verschil niet zag. Ik ben namelijk opgegroeid met het verschil, want mijn grootvader aan moeders kant was half Nederlands. Tijdens het lezen dacht ik plots: misschien is er wel een reden waarom de bloemperken van het grootouderlijk huis met Nederlandse invloed er altijd zo verzorgd bijlagen, waarom het huis zo open en ordelijk was. Waarom het zo anders was dan het huis van mijn volledig Belgische grootouders, met de konijnenkoten in de hof en de friteuse in de garage. En zo kreeg ik het gevoel dat ik meteen ook een stukje van mezelf aan het ontdekken was.

Deze ontdekkingsreis wil ik graag met jullie delen. Want ik weet dat er hier ook Nederlanders uit Nederland komen lezen, en Belgen die in Nederland wonen, en Nederlanders die in België wonen. En zelfs voor de Belgen in België is Nederland nooit ver weg. Het lijkt me dus erg boeiend om jullie commentaren op de thema´s van dit boek te horen.

Er zijn zeven hoofdstukken, dus wordt dit een reeksje in zeven delen, plus deze inleiding.

Tot gauw 🙂