Als mensen staarten hadden

Ik werd daarnet tijdens mijn middagdutje in de tuin geteisterd door een vlieg. Wat mijn gedachten bracht bij het nut van de staarten van dieren als de ultieme vliegenmeppers. Wat mij bracht bij de vraag hoe het zou zijn als mensen staarten hadden.

Lang moest ik niet over het antwoord nadenken, want ik kon het me zo voorstellen. Als mensen staarten hadden:

-zouden er een hele hoop verzorgingsproducten voor staarten op de markt komen, voor alle soorten huid- en haartypes, en met bijbehorende publiciteitscampagnes.

-Er zou een hele industrie aan staartaccessoires op poten gezet worden, waarvan een belangrijke tak zich zou richten op kinderen. Om de zoveel weken zouden nieuwe plastic prulletjes gepresenteerd worden die kinderen in hun staart konden dragen. Alle kinderen zouden dan altijd de laatste nieuwe accessoires willen. De oude accessoires zouden eindigen op vuilnisbelten, in verbrandingsovens, aan de kant van de weg of in zee. Vogels, schildpadden, zeehonden en zovele andere dieren zouden ze opeten en eraan sterven.

-Er zouden trainingsprogramma´s ontwikkeld worden om je staart in topconditie te krijgen. Er zou een heel nieuw gamma aan Youtubevideos ontstaan met titels als Shape Up That Tail, en fitnesslessen als Tailanetics.

-Mensen zouden zich zorgen maken over hoe hun staart eruit zag. Ze zouden vinden dat hun staart te dik, te dun, te lang, te kort, te hoog of te laag ingeplant was.

-Instagram zou overspoeld worden door accounts van mensen met ideale staarten die zich op alle mogelijke plaatsen en in alle mogelijke houdingen zouden laten fotograferen. Daarmee zouden ze een hele hoop volgers krijgen en massaal veel mensen een staartcomplex aansmeren.

-Er zouden speciale spiegels op de markt komen die je een optimaal zicht op je staart gaven.

-De modeindustrie zou voor ongeziene uitdagingen en grenzeloze mogelijkheden komen te staan. Experimenteren met pauwenstaartextensies zou nog maar het begin zijn.

-Er zouden stricte sociale codes ontstaan over hoe, wanneer, hoe lang en in welke context er met je staart gezwiept mag worden. Er zouden GAS-boetes worden uitgeschreven voor ongewenst staartgebruik.

-Mensen zouden hun sociale status, religie en/of ideologie aan de buitenwereld kenbaar maken door de manier waarop ze hun staart zouden bedekken / onbedekt laten, vlechten, bijknippen, verzorgen / onverzorgd laten, etc.

-Multitasken zou een nieuwe dimensie krijgen, aangezien het vanzelfsprekend zou zijn dat je terwijl je met je handen bezig was, ook taken deed met je staart.

Misschien is het maar beter dat mensen geen staarten hebben.

Thuisfront

Man en dochter waren onlangs een dagje met z´n tweeën op trot: gezelschapsspelletjes spelen bij vrienden. Ik was thuisgebleven, want druk-druk-druk (aja, ik heb nu werk) (typt ze met één hand terwijl ze ondertussen een van haar drie mobiele telefoons beantwoordt).

De afgelopen twee weken loop ik nu bovendien overal te verkondigen dat ik Echt Werk heb, omdat ik sinds kort ook iets moet doen waar ik eigenlijk tegenop kijk (wat de definitie van Werk is, want anders is het een Hobby waar je toevallig voor betaald wordt). We zijn namelijk een magazine aan het vertalen over de Tweede Wereldoorlog, meer bepaald de strijd aan het Oostfront. Wat erop neerkomt dat ik mij dus elke dag, willen of niet, moet onderdompelen in de gruwelijke miserie die een aantal psychopaten nog niet eens zo lang geleden over de wereld uitgesmeerd hebben.

Nu heb ik daar in het middelbaar wel wat over geleerd, maar zelfs de bijna-almachtige Mijnheer Van Strydonck moest het afleggen tegen de beperkte uren geschiedenis in ons rooster. Dus zo erg veel heb ik toen over het Oostfront niet opgestoken. Eigenlijk was al wat ik me ervan herinnerde dat Hitler zich op Rusland miskeken had en dezelfde fout gemaakt had als Napoleon. Dat het eigenlijk allemaal te koud en te ver was, en dat ie zo de oorlog verloren had.

Als je met die basiskennis aan een bookazine over het Oostfront begint, geloof mij, dan staan je nog wat verrassingen te wachten. Jezus Christus, wat een horror. Wat een astronomische getallen aan moorden, gemartelden, hongerdoden (het Beleg van Leningrad: honger eens even expres meer dan een miljoen mensen uit). Enfin, waanzin, pure waanzin.

Toen mijn man en dochter die avond weer thuiskwamen, klapte ik de computer dicht, opgelucht dat ik de genocidale geopolitiek uit de jaren 30 en 40 even kon trachten te vergeten. Iets wat dit HSP´ertje natuurlijk voor geen meter lukt. Maar soit, hun thuiskomen was een welkome uitnodiging om de vuile invasies en achterbakse bondgenootschappen daar te laten waar ze zich bevonden: in het verleden.

Ik kuste mijn man en liep naar de badkamer, waar mijn dochter zich klaarmaakte om haar tanden te poetsen.

“Dag schat, hoe was je dag ?” vroeg ik.

“Het was oké,” zei ze, terwijl ze wat tandpasta op haar tandenborstel perste. “Maar een beetje te kort. We hebben Risk niet kunnen uitspelen.”

Ze keek triomfantelijk naar me op.

“Maar ik had bijna heel Azië!”

Aan het werk

Heb ik zo lang geen “echt” werk gehad, en kijk: nu heb ik twee jobs tegelijk!

Dat lijkt misschien een beetje te veel van het goede (en aangezien het allemaal werk is dat achter de computer moet gebeuren is het dat soms ook), maar ik ben vooral heel dankbaar. Ik huppel van de ene deadline naar de andere, blij dat ik weer kan meespelen.

Er is het vertaalwerk van magazines (Engels naar Nederlands), en daarnaast mag ik ook een half jaar lang een van de redacteurs van Femma magazine vervangen. Dus nu zit ik opeens magazines te maken, hoe cool is dat?

Vandaar natuurlijk dat ik niet meer zoveel blog. Maar dat wil niet zeggen dat er niets meer te lezen valt! Zo interviewde ik bootvluchteling Selam, Naima Charkaoui, intimiteitscoach Sandra Decadt, schrijvers Christine Van den Hove en Petra Van Kerckhoven, en mijn eigen moeder. Ook sprak ik met een slagerskoppel dat de rollen omdraaide en schreef onder andere over de actrice die de wifi uitvond.

Dus als je mijn schrijfsels mist, dan kan je hier voorlopig even bijtanken 😉

En al wie boeiende verhalen heeft of boeiende mensen kent: laat het mij gerust weten! Je weet nooit of het net dat verhaal is waar we naar op zoek zijn.

Hoe gaat het ondertussen met jullie?

Un fuerte abrazo,

uw Rafelkath

Burenliefde

Het is een late avond in mei. De voetgangersstraat achter ons huis staat vol stoelen en tafels die de buren daar vanuit hun achtertuintjes naartoe hebben gesleept. Een skyline aan glazen en flessen siert het samengestelde tafelblad, tussen de borden en het bestek staan kommen vol oubollige rotzooi zoals borrelnootjes en chips. De kinderen trekken samen met de honden in een grote bende door de wijk, passeren af en toe de tafels om rotzooi bij te tanken. Nuria heeft pizza gebakken, Jesús heeft (zoals zijn naamgenoot lang geleden) visjes geroosterd wier aantallen tijdens het barbecueën op wonderlijke wijze toegenomen lijken. Maar wie bovenal aanspraak maakt op een vergelijking met Onze Lieve Heer is mijn man Alfonso, hij die water in bier kan veranderen en met zijn blauwe ogen iedereen tot zich laat komen.

Veel grond voor bijbelse referenties blijft er echter niet over wanneer de avond overgaat in de nacht en in het licht van de straatlantaarns de diepte van ware burenliefde niet meer te peilen valt. Dan gaat de hand van Alfonso al eens speels over het scrotum van Jesús, of andersom. Tomás, die net in de buurt is komen wonen, lijkt even van zijn melk.

“Oh, dat is allemaal nog niets,” lacht Jesús –wat niet helpt.

Maar dan worden de gitaren bovengehaald, en voor Tomás het goed en wel beseft, is hij het middelpunt van de feestvreugde. Hij zingt Spaanse ballades met veel te veel coupletten, en iedereen wiegt mee op zijn muziek. Hij brengt een steengoede imitatie van Joaquín Sabina, het idool van mijn man, en vanuit mijn ooghoeken zie ik Alfonso´s mooie ogen vochtig worden van ontroering. Zodra Tomás de gitaar laat zakken, staat mijn man klaar aan zijn zijde en kust hem vol op de mond.

“Ik zag dat hij het nodig had,” zou mijn man me de volgende dag zeggen. “Die kus. En beetje burenliefde.” En ik weet dat hij gelijk heeft, ik zag het gebeuren. Wie gekust wordt door de man met de blauwe ogen, kan zich onmogelijk nog een buitenstaander voelen.

Dat is het wonder wat hier keer op keer geschiedt.

Ondertussen…

… heeft de uitgever laten weten dat het boek uitgegeven zal worden in februari 2023. Dus verschuiven we de datum, en zullen we eind augustus nog eens beginnen nalezen (voor de 5000e keer) (zo goed is dat boek, dat ge het moeiteloos 5000 keer op twee jaar tijd kunt lezen zeg, stel u voor).

… heb ik een vertaaljobke gekregen – jeej! Tijdelijk, maar ik ben er zeer blij mee. Daarmee dat bloggen er dezer dagen niet vaak meer van komt.

… heb ik ook wat zangles gegeven. Aja, want ik ben sinds kort ZELFSTANDIGE! Hoe we dat gaan bolwerken, dat zullen we nog wel zien, maar wie niet waagt… En uiteindelijk is dat vooral een kwestie van anderen betalen om uw paperassen in orde te brengen, nietwaar? En op de één of andere manier aan voldoende centen geraken om die anderen te betalen. Ah ja, en uw belastingen (detail). Met zangles geven gaat dat niet lukken, zoveel is al wel duidelijk. Met vertaalwerk erbij? Wie weet…

… is het hier zéér, zéér warm, maar dat is natuurlijk geen verrassing. Ik vermoed dat jullie daar in het noorden zwaarder aan het afzien zijn, gewoon omdat ge het minder gewoon zijt? En ondertussen branden de bossen af, worden er heelder gemeenschappen geëvacueerd, worden in kurkdroog Frankrijk de wichelroedes bovengehaald, en smelt in het Verenigd Koninkrijk den tarmac. Idee voor een Humo-artikel: “Hoe zou het zijn met… de klimaatontkenners?”

En toch: allemaal een heel fijne vakantie gewenst!

De uitgestelde uitgave

Ik heb al meer dan een maand niets meer van de uitgever gehoord, mijn whatsapps en mails blijven onbeantwoord. Dus ja, het boek komt er niet in juni, zoveel is nu wel duidelijk.

Het wordt blijkbaar een nog zwaardere bevalling dan gedacht, maar hey, het komt er vast wel, op de één of andere manier.

Ik ga er voor de rest niets meer over zeggen, en heb ook de commentaren op deze post uitgezet. Maar wie wil, kan me er natuurlijk over mailen (mijn mailadres vind je hier.)

Vijf wolvenwelpjes

“Toen ik zwanger werd, in 1993, deed ik een opvallende ontdekking,” schrijft literair recensent Laura Freixas. “Als dochter van een familie van lezers (vooral mijn moeder), en opgeleid aan een uitstekende school (het Licéo Francés in Barcelona) was mijn leven tot dan toe een constante dialoog geweest tussen ervaring en literatuur, tussen wat beleefd werd en wat gelezen werd.”

Zo bereidde ze zich voor op een verblijf in Parijs door boeken over Parijs te lezen –geen reisgidsen, maar romans die zich in die stad afspeelden. Boeken begeleidden haar doorheen de verschillende fasen in haar leven, hielpen haar nadenken over het verloop van de tijd of de dynamieken in een relatie. Het was voor haar dan ook een logische reflex om, toen ze zwanger werd, op zoek te gaan naar romans over het moederschap.

Maar tot haar verbazing vond ze die niet.

“Als ik wilde lezen over wat er met me gebeurde, als ik voorbeelden zocht, ervaringen, overpeinzingen of gevoelens wilde delen, had ik geen andere optie dan me te wenden tot praktische boeken, de zogenaamde “zelfhulp” sectie in de boekenwinkels, de magazines met titels als Tu bebé of Ser padres. Geen kunst, geen geschiedenis, geen kritiek; niets van literair of filosofisch belang. Niets wat vergeleken kon worden met wat de Ilias, Cantar de mio Cid of Voyage au bout de la nuit betekenen voor de oorlog. Enkel echografieën, boertjes en voeding in potjes.”

Moeders waren wel aanwezig in de literatuur, maar voornamelijk als demonische wezens type Medea, ofwel als halve heiligen die zichzelf volledig wegcijferden. Uiteindelijk vond Freixas een paar boeken waar wel op te steunen viel, onder andere Sido van Collette en Une mort très douce van Simone de Beauvoir. Boeken die vaak over het hoofd worden gezien.

Waarom is het een gemis dat er die leegte gaapt in onze cultuur waar het op moederschap aankomt?

Ik zal die vraag beantwoorden met wat mij gisteren overkomen is.

Gisteren ben ik in mijn eentje naar de cinema gegaan. Ik ben Cinco Lobitos gaan kijken, de eerste langspeelfilm van Alauda Ruiz de Azúa. Cinco lobitos verwijst naar een kinderliedje wat hier gezongen wordt: cinco lobitos tiene la loba, blancos y negros detrás de la escoba. Wat zoveel betekent als: vijf welpjes heeft de wolvin, witte en zwarte achter de bezemsteel. Daarbij wordt dan met de handen gedraaid zoals we in Vlaanderen doen wanneer we handjes draaien, koekebakken vlaaien zingen. De film won vier prijzen op het Málaga Film Festival en werd door Perdo Almodóvar het beste Spaanse debuut in jaren genoemd.

Al in een van de eerste scènes zag ik iets wat ik nog nooit op het grote scherm gezien had, maar wel aan den lijve had meegemaakt: een vrouw die net bevallen is en een pijnlijk gezicht trekt wanneer ze gaat zitten (want ze is gehecht). Ook wanneer ze haar baby de borst geeft, vertrekt haar gezicht van de pijn.

Zelf heb ik vier maanden lang op mijn knokkels moeten bijten tijdens de borstvoeding voor het vanzelf ging, maar dat was dus iets wat ik in die drie decennia waarin ik tv en film keek NOG NOOIT gezien had. Ik heb wel soldaten zien sterven op het slagveld, honderden, duizenden keren heb ik gezien hoe voornamelijk mannen door de eeuwen heen en zelfs in fantasiewerelden doorspiest werden door pijlen en speren, doorzeefd met kogels, weggedragen werden op berries of crepeerden tussen de lijken van hun kameraden (en ik ben niet eens iemand die graag naar oorlogsfilms kijkt of daar specifiek naar op zoek gaat). Maar nog nooit had ik een vrouw een pijnlijk gezicht zien trekken bij het geven van de borst.

Ook de rest van de film haalde de ene na de andere emotionele herinnering boven: de tederheid bij het aankleden van je baby, de onmacht bij het verliezen van je werk, de moeizame relaties tussen de verschillende generaties. Ik ben niet iemand die uitzonderlijk snel huilt bij films, maar gisteren heb ik bijna van begin tot einde zitten janken. Mijn wangen waren nat van de tranen. Ik heb een keer of drie mijn bril moeten afzetten omdat hij van mijn neus gleed en ik hem weer droog moest wrijven. Dat heb ik nog nooit meegemaakt bij een film (ook niet bij een boek trouwens). Kennelijk is er tien jaar geleden veel gebeurd wat nog niet helemaal verwerkt was en bleek deze film pure therapie.

Ik ben blij dat deze verhalen eindelijk het grote scherm halen, dat er een inhaalbeweging is ingezet. Want we hebben erg veel in te halen.

Een paar duizend jaar.

Kwaad bloed

Ik heb geen abonnement op de Standaard, dus de meeste artikels op de site kan ik niet lezen. Maar af en toe scroll ik eens door de krantenkoppen, en daar las ik afgelopen zondag deze inleiding:

Het ziet ernaar uit dat Spanje het eerste land wordt met menstruatieverlof. Een nieuwe generatie vrouwen wil niet langer discreet zijn over maandstonden, ook niet op de werkvloer. Is de mens gebaat bij dat menstruatiefeminisme?

En ik dacht: menstruatiefeminisme?

What the f*ck?

Hier zit een van die “nieuwe generatie” vrouwen die niet langer “discreet wil zijn” over maandstonden, zélfs niet op de werkvloer (moest ik mij daarop begeven). Een van mijn “menstruatiefeministische” strategieën is deze: ik zeg niet eens meer dat ik mijn regels heb. Ik zeg dingen als: “vandaag moet ik het wat langzamer aan doen, want ik heb behoorlijk wat bloed verloren.”

Dan kijken mensen soms een beetje verschrikt, zeggen ze: oei, bloed verloren? Gaat het?

En dan zeg ik: ja hoor, maar wel wat moeilijker dan anders. Want ik heb mijn regels.

Dan zie ik de meeste vrouwen begrijpend knikken.

Ik ben overgestapt op die bloederige inleiding, want als ik meteen zeg “ik heb mijn regels”, dan krijg ik nooit een “oei, gaat het?” en wordt er ook geen rekening gehouden met het feit dat ik op dat moment zwakker ben dan normaal en minder goed kan presteren.

Maar eigenlijk is dat geen “menstruatiefeminisme”, eigenlijk is dat gewoon de zaken benoemen zoals ze zijn. De helft van de wereldbevolking beleeft gedurende het grootste deel van hun leven maandelijks een paar dagen waarin ze bloed verliezen, buikrampen hebben, en met nog een aantal andere problemen af te rekenen krijgen die afhankelijk zijn van persoon van persoon. Voor menstruerende mensen is dat maandelijkse kost, maar o wee als je erover durft praten. Dan ben je kennelijk een “menstruatiefeminist”. En al helemaal wanneer je dat enge, bloederige onderwerp durft aansnijden op de werkvloer. Op de wérkvloer! Stel je voor.

Zelf krijg ik mijn pijnlijke uterus nog wel op de metro gesleept, wanneer ik tijdens “die tijd van de maand” ergens heen moet, maar ik ken vrouwen die gedurende de eerste dagen van hun regels lijkbleek en onder de pijnstillers naar hun werk moeten. Ik zie niet in waarom mensen die openlijk praten over die pijn en het recht opeisen daar een doktersbriefje voor te mogen vragen het label “menstruatiefeminist” opgekleefd moeten krijgen.

Ik hoor wel eens zeggen dat we in België al lang de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw bereikt hebben, maar zolang we niet openlijk en op een volwassen manier kunnen praten over maanstonden zonder dat daarbij de labelmaker van het patriarchaat wordt bovengehaald, zou ik er niet van uitgaan dat we er al zijn.

En om te antwoorden op die vraag van De Standaard: ja, álle mensen zijn gebaat bij feminisme. Zowel bij menstruatiefeminisme, bh-feminisme, veganistisch feminisme, klimaatfeminisme, antiverkrachtingsfeminisme, antiloonklooffeminisme en alle andere soorten feminisme die machistas met een hang naar neologismen ons nog naar het hoofd willen slingeren.

Laat maar komen, die etiketten.

Dan leggen we een plakboek aan.

Ken Je Belgen Quiz

Nu we het toch over Bekende Vlamingen hebben: hier een paar Belgen die volgens mij niet bekend genoeg zijn (ik kende er alvast maar één van). Wie gaat de uitdaging aan en doet het beter?

Dit zijn de namen waaruit je kan kiezen: Marie Popelin –  Isabelle Gatti de Gamond –  Hélène Dutrieu– Frédérique Petrides – Gabriëlle Petit – Isala Van Diest

De links in de beschrijvingen brengen je bij de juiste antwoorden.

  1. Belgisch wielrenner, stuntvrouw en piloot. Ze was de eerste vrouw in België en de tweede vrouw ter wereld die een vliegbrevet behaalde.
  2. De eerste vrouw die in België haar rechtenstudie afrondde. Ze kon echter nooit als advocaat aan de slag, want ze werd niet tot de balie toegelaten (dit werd haar geweigerd op basis van haar “vrouwelijke natuur” en “sociale rol”).
  3. Belgische dirigent die in 1923 in New York het vrouwenorkest Orchestrette Classique oprichtte. Ook leidde ze onder andere West Side Community Concerts en de Student Symphony Society of New York, en gaf ze de nieuwsbrief Women in Music uit.  
  4. De eerste Belgische vrouwelijke huisarts. Haar diploma haalde ze in Zwitserland, want in België kon dat toen (rond 1870) nog niet.
  5. Oprichter van de eerste middelbare scholen voor meisjes in België, zeer tegen de zin van de Katholieke Kerk.
  6. Verzetstrijder in de Eerste Wereldoorlog. Ze werd verraden en geëxecuteerd voor het vuurpeloton in Schaarbeek. Haar standbeeld op het Brusselse Sint Jansplein is het eerste standbeeld op Europese bodem voor een vrouw uit de arbeidersklasse.

Een beetje feminisme tijdens het weekend, moet kunnen he 🙂

Stamverband (2)

Een interessante opmerking van een lezer bracht deze vraag naar boven:

mag je als blogger wel beweren dat je niet geïnteresseerd bent in het persoonlijke leven van bekende mensen, wanneer je zelf over persoonlijke zaken schrijft via een medium waar eender wie je kan lezen?

Ruikt dat naar grootheidswaanzin? Zo van: lezen jullie mijn gedoe maar; ik voel mij er zelf te goed voor?

Nu ga ik niet beweren dat hoogmoed me volledig vreemd is, want in dromen zie ik mezelf wel eens als President van de Wereld alles op orde brengen (en word dan gelijk heel erg moe van het idee alleen al), maar misschien moeten er bij die vorige post een paar kanttekeningen gemaakt worden, zodat we elkaar niet misverstaan.

Ten eerste: ik denk dat ik me verkeerd uitgedrukt heb toen ik schreef dat ik niet geïnteresseerd ben in “mensen die ik niet persoonlijk ken”. Ik bedoelde daarmee dus Bekende Vlamingen enzo, mensen met wie er geen tweerichtingsverkeer mogelijk is. Ik heb al zo vaak berichten gekregen van mensen die ik van haar noch pluim kende, maar die me een mailtje hadden gestuurd om te zeggen dat ze naar Valencia op vakantie kwamen, en of we eens konden afspreken. En wanneer het praktisch te regelen was, hebben we dat dan ook gedaan. Dat was altijd heel aangenaam. Sommigen van hen zijn hier ook over de vloer geweest, ook al was het de eerste keer dat we elkaar zagen.

Ten tweede besefte ik tijdens het lezen van de commentaren dat het woord “stam” voor velen een beslotener concept is dan hoe ik dat zelf zie. Iedereen die hier meeleest en meedenkt en/of meeschrijft hoort voor mij ook bij die stam. Er zijn trouwens maar een honderdtal mensen die deze blog stelselmatig volgen, en met de meesten van hen heb ik ook al eens contact gehad buiten de blog. Ik zit dus echt niet op een ivoren toren ofzo. Misschien had ik in plaats van “stam” het woord “leefgemeenschap” moeten gebruiken, dat is een wat bredere term, niet? Dus dat, leefgemeenschap. De mensen waarmee contact mogelijk is.

Ten derde: ik beschrijf in de vorige post hoe mijn eigen interesse geëvolueerd is, maar dat wil niet zeggen dat ik neerkijk op mensen die het anders doen dan ik. Die post gaat vooral over het negatieve effect dat die BV-cultus had op mijn zelfvertrouwen. Maar andere mensen zijn daar misschien helemaal niet vatbaar voor, dus voor hen kan het dan geen kwaad.

Soit, ik hoop dat hiermee een paar misverstanden van de baan zijn geruimd…