Het Plan

Dit is volgens mij een voorwaarde om goed werk te leveren:

  1. er moet vraag zijn naar dat werk (een behoefte)
  2. de persoon die het werk verricht moet er de aangewezen persoon voor zijn

Nu, waar de mensen hier rondom mij zich kennelijk zeer veel zorgen om maken, is hoe ze ervoor kunnen zorgen dat hun kinderen Engels zullen leren. Ziedaar: de behoefte.

Een beheersing van het Engels wordt hier de laatste jaren namelijk als een soort Heilige Graal gezien. Ze hebben dat dan een beetje op zijn Spaans opgelost, namelijk alle leraren verplichten binnen de 4 jaar aan een B2 niveau te geraken, en alle scholen twee,- of drietalig te maken (Spaans-Engels of Spaans-Valenciaans-Engels).

Daarbij werd voor het gemak over het hoofd gezien dat je om een taal te onderwijzen echt wel zeer goed die taal moet beheersen, en dat je zoiets niet op 4 jaar in het avondonderwijs leert. Bijgevolg is het niveau van de meeste leraren Engels hier lichtelijk dramatisch te noemen, en leren vooral de kinderen van rijke ouders goed Engels, want die sturen hun kroost naar dure Engelstalige privéscholen.

De andere ouders zitten met de handen in het haar, want ze kunnen hun kinders niet helpen, omdat hun eigen kennis van het Engels zeer beperkt tot abominabel is. Frustratie alom.

Vele kinderen worden na school dan maar naar taalacademies gestuurd, zoals die waar ik les heb gegeven. Daar komen die kinderen dan doodmoe na een lange schooldag aanstrompelen, en moeten ze weer aan bankjes gaan zitten. En daar gaat het dan weer van one-two-three, en green-yellow-orange.

Mijn eigen dochter gaat natuurlijk niet naar de Engelse les. En geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt haar zelf Engels te onderwijzen. Maar toen er onlangs vrienden uit Wales op bezoek waren met hun vierjarige zoontje, hoorde ik mijn dochter en haar speelkameraadje vlot in het Engels converseren, en toen zij en ik een paar maanden geleden naar huis wandelden, wees ze de velden in en zei: “I know a shortcut.” (Ze was toen vijf.)

Op haar rapport van school staat echter dat ze nog geen Engels spreekt. En toen ik haar werkjes van de les Engels doorbladerde, ging mijn haar rechtop staan. De dagen van de week leren schrijven enzo. WEDNESDAY. In de laatste kleuterklas. I kid you not.

Bovendien is haar uitspraak beter dan die van de juf. (“Mama, de juf zegt KRIISMAS, maar het is Christmas he.”)

Om maar te zeggen dat ze hier van language acquisition geen kaas gegeten hebben.

Mijn dochter is nu zes en perfect viertalig. Ze spreekt en begrijpt Nederlands, Engels, Spaans en Valenciaans. Dat is niet van een leien dakje gegaan. Ik geef haar geen “les”, maar ik steek er wel werk in. Op mijn manier.

Wanneer ik in het park ofzo om raad gevraagd word en een beetje mijn theorieën uit de doeken begin te doen, dan wordt daar altijd zeer enthousiast op gereageerd. Onlangs zei iemand:  je zou dat eens moeten opschrijven. Dus ja, dat gaan we dan maar eens doen.

De bedoeling is dus een tamelijk kort en vlot leesbaar handboekje te schrijven met als titel iets in de aard van “Hoe help ik mijn kind Engels te leren als ik zelf geen Engels kan”, zoiets. Dat moet dus wel in het Spaans geschreven worden, maar dat zou wel moeten lukken. Er zijn hier trouwens voldoende mensen bereid het na te lezen.

En dan gaan we daarmee een paar uitgevers langs, en dan duimen we dat er iets van komt.

Dat is dus het Plan…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vraag aan de lezers: Taart en duidelijkheid

Even tussendoor: een vraagje.

Ik heb onlangs nog eens een kortverhaal geschreven (´t is echt kort hoor, zo´n 500 woorden), maar ik ben er niet helemaal zeker van of de plot wel duidelijk is.

Dus voor wie zin heeft om het eens na te lezen: zou je mij kunnen vertellen of het duidelijk is hoe het “misdrijf” precies gepleegd is, of zou ik beter nog een extra aanwijzing geven?

Het verhaal (“Taart”) kan je hier vinden.

En antwoorden mogen gewoon hieronder als commentaar.

Alvast heel erg bedankt!

Waarom we middenin een sprookje stokten

Begrijp me niet verkeerd: ik ben een geweldige fan van Annie M. G. Schmidt.

Ik vermoed dat zo´n tachtig procent van mijn dochter´s kennis van het Nederlands te danken is aan haar verhalen. Jip en Janneke hebben we drie keer van voor naar achter en terug gelezen, Pluk van de Petteflet twee keer integraal en daarna geregeld het verzoeknummer “Grote mensen spelen”, en ook met Otje hebben we veel plezier gehad.

Bovendien is Minoes, het boek over de kat die in een juffrouw verandert, mijn favoriete boek aller tijden. Ik las het voor het eerst toen ik zes was, heb er mijn eigen kat naar genoemd, en toen de film uitkwam en niemand mee wou, ben ik hem helemaal in mijn eentje gaan zien. Het was het eerste boek dat ik aan Elena voorlas toen ze nog een baby was. Ze verstond er natuurlijk niks van, maar lag naast mij gefascineerd naar de pagina´s te kijken terwijl ik mij amuseerde met de dialecten die ik de verschillende katten gaf.

Kortom: Annie M. G. Schmidt neemt een belangrijke, welverdiende plaats in mijn literair geheugen in.

Maar halverwege “Allemaal sprookjes” ging het mis. In het verhaal “Het luciferdoosje” maakten we kennis met Gijsbert, een aanvankelijk sympathiek uitziende jongeman die op het sterfbed van zijn vader de eigenaar werd van een bijzonder luciferdoosje. Alles wat hij zag, kon hij in dit doosje laten verdwijnen via het simpele bevel “D´r in!” en het later weer tevoorschijn toveren met de iets minder voor de hand liggende uiting “Psssst!”

Dat Gijsbert zich op deze manier een gans huis toeëigende, konden we hem nog vergeven, want blijkbaar was het een kantoorgebouw en waren de werknemers bijzonder uitgelaten toen ze merkten dat hun werkplek verdwenen was. Gijsbert zette zijn illegaal verworven vastgoed op een mooi plekje aan de rivier en ging naar de markt om daar eten te gaan stelen van nietsvermoedende marktkramers. Toen hij bij de drogist een zakje drop ging halen, werd hij op slag verliefd op het meisje dat achter de toonbank stond. Ongetwijfeld aangemoedigd door de instant-behoeftebevrediging van de laatste dagen, vroeg hij haar meteen of ze met hem wilde trouwen. Liesje (want dat was haar naam) zei echter “nee”. En daarop deed Gijsbert iets heel stouts. Hij deed het doosje open en zei: “D´r in.”

Hier begon ik het moeilijk te krijgen. En deelde dat ook luidop mee aan mijn dochter: het meisje had nee gezegd, en daar had die jongen naar moeten luisteren. Met een bedenkelijke frons las ik verder, maar het kwam niet meer goed:

Daar ging Liesje naar binnen en hij nam haar mee naar zijn huis, opende het doosje en zei: ´Pssst.´

Ze kwam er woedend uit en riep: ´Laat me gaan of ik roep de politie´.

´Kom nou, wat onaardig van je,´(*) zei Gijsbert. ´Kijk eens wat een mooi uitzicht we hier hebben. En er zijn zeven schrijfmachines in dit huis.´

´Dat verandert de zaak,´zei Liesje. ´Ik ben dol op schrijfmachines. Mag ik op allemaal tikken?´(**)

´Net zoveel als je wilt,´zei Gijsbert. ´Wanneer je tenminste klaar bent met het huishouden,´voegde hij er haastig aan toe.

Say whaaaat?

Hier volgde een kort pedagogisch gesprek over rolpatronen, waarop mijn dochter zelf concludeerde dat ze liever een ander sprookje wou horen. Trots op mijn dochter. En opgelucht dat ik haar het vervolg (“Liesje veegde de vloer, poetste zijn schoenen en ging toen zitten tikken”) kon besparen.

Mijn waardering voor Annie M.G. Schmidt is hier ongeschonden doorgekomen. Ik weet dat het meer met de tijdsgeest dan met de schrijfster te maken heeft. Maar dit komt uit een boek dat heruitgegeven werd in 2012. Beetje op onze hoede blijven dus. De machismo-meter nog niet uit het stopcontact trekken.

 

 

(*) Aja, want meisjes moeten altijd aardig zijn, ook al zijn ze net gekidnapt.

(**) Als je maar spullen kan aanbieden zal een vrouw wel voor je vallen, nietwaar?

 

 

 

 

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.

Over pillen, therapie en de supermarkt

Ik ga nu al vier jaar naar dezelfde supermarkt, en telkens ik afreken, moet ik doorheen dezelfde conversatie:

Kassier(ster): “Hebt u een klantenkaart?”

Ik: “nee.”

Kassier(ster): “Wilt u een klantenkaart?”

Ik: “Nee, dank u.”

Af en toe komt er variatie op het thema door een kassierster die een beetje blijft aandringen, of door mezelf, wanneer ik de nood voel nog maar eens uit te leggen dat de hippiekronkels die achter het weigeren van een klantenkaart schuilgaan eigenlijk niet zo vreemd zijn (dat ik het geen gezellig idee vindt dat er aan de hand van mijn aankopen kan uitgerekend worden wanneer ik mijn maandstonden heb, om maar iets te noemen -al is dat niet het voorbeeld dat ik dan geef).

Wanneer ik naar de psychiater moet (waar ik sinds de crash van vorig jaar om de zoveel maanden verwacht wordt voor een sessie van 10 minuten (*)) voltrekt zich ongeveer hetzelfde ritueel:

Psychiater: “Wil je nog steeds geen medicatie?”

Ik: “Nee.”

Psychiater: “Het is natuurlijk je eigen keuze, maar er zijn medicijnen die je echt goed kunnen helpen.”

Ik: “Dat weet ik wel, maar toch, nee. Sorry.”

Psychiater: “Je hoeft je niet te verontschuldigen, voor mij moet je het niet doen. Maar ben je er zeker van? Deze medicijnen worden heel grondig getest. Ik vind het gewoon jammer voor jou dat je waarschijnlijk beter af zou zijn moest je ze nemen, en dat je het toch niet wil proberen. Zou je het toch niet overwegen?”

Ik: “Nee. Echt niet. Nee.”

Er zijn drie redenen waarom ik weiger psychofarmaca te nemen, al besef ik dat ze mijn leven op bepaalde vlakken wel gemakkelijker zouden kunnen maken. Dit zijn die redenen:

  1. Ik vertrouw ze niet.
  2. Ik heb er slechte ervaringen mee (dat was meer dan tien jaar geleden, maar toch).
  3. Het is nooit duidelijk geweest of ze drempelverlagend werkten voor migraine-aanvallen, maar aangezien het om chemische producten gaat, is de kans erg groot. En alles wat maar de geringste kans geeft op aura-migraine, mijd ik als de pest (**).

Moest ik alleen die eerste twee redenen op mijn lijstje hebben staan, dan slikte ik waarschijnlijk al lang mijn dagelijkse dosis. Want zo heroïsch-principieel ben ik nu ook weer niet, daar maak ik mij geen illusies over. Maar die migraines zijn zo´n efficiënt afschrikmiddel dat ik me met weinig anders zal drogeren dan met paracetamol en ibuprofen. Al is het niet makkelijk koppig te blijven weigeren, en paradoxaal genoeg kom ik daardoor altijd tamelijk depressief buiten bij de psychiater.

Nu is dit geen blogpost over wat er beter is, medicatie of therapie. Dit is een post over hoe makkelijk het is aan medicatie te geraken, terwijl het bere-moeilijk is om therapie te krijgen. Want dat is dus wat ik wil proberen: therapie. Lees even mee hoe die queeste tot hiertoe verlopen is:

Tijdens mijn eerste sessie met toffe psychiater 1 vroeg ik om therapeutische hulp, en hij had me op de lijst gezet voor een afspraak met de psycholoog.

Ze zouden bellen.

Ze belden niet.

Na 3 maanden vroeg ik aan de balie waarom ik niet opgebeld was, en toen zeiden ze me dat psychiater 1 (die toen reeds vervangen was door psychiater 2) stelselmatig alle patiënten naar de psycholoog verwezen had, en dat ze sinds zijn vervanging alleen de “zware gevallen” een afspraak bij de psycholoog gegeven hadden. Ik was dus gewoon van de lijst gehaald.

Psychiater 2 zorgde ervoor dat ik weer op de lijst terecht kwam.

Drie maanden later werd ik gebeld en kreeg een afspraak voor over twee maanden. Een maandag om 9 uur ´s morgens. Toen ik die maandag aankwam, zeiden ze dat ik een afspraak had om 13u, en dat er iemand anders een afspraak had om 9u. Ik zei: “Nee, ze hebben mij heel duidelijk gezegd dat het om 9u was.” Om 13u kon ik niet, want dan moest ik werken. Dus pech, weer geen afspraak.

Ze zouden me bellen. Ik miste het telefoontje. Ben dan maar weer langs de balie gegaan.

Balie-mevrouw: “Ik heb je keivaak gebeld. Je hebt een afspraak op 12 april.”

Ik: “Op 12 april ben ik in België. Dat ligt al vast sinds november.”

Balie-mevrouw: “Tja, dan zal ik je een andere afspraak moeten geven. Ik zal je bellen.”

Ik: “Kunt u dat niet gewoon nu doen?”

Balie-mevrouw: “Nee. Ik zal je bellen.”

Op zo´n momenten is het toch moeilijk om daar geen samenzwering van de farmaceutische industrie achter te zoeken. Maar dan kan je nog paranoïde genoemd worden op de koop toe, en daar zijn dan weer andere pillen voor.

 

 

(*) Dit is niet de psychiater die ik tijdens de eerste sessie had en die me zoveel hoop en moed gaf. Die was de tweede keer dat ik ging al vervangen door iemand anders.

 

(**) Voor wie dit kleinzerig zou vinden: ik kan best wel tegen een stootje, hoor. Maar met de hand op het hart: ik zou liever weer een bevalling zonder epidurale ondergaan dan een aanval van aura-migraine.

 

 

 

“Twee sterren” krijgt een tweede ster, en ik moet efkes bekomen

De Tip van de Week op azertyfactor werd deze keer uitgekozen door Ad van den Kieboom, die redacteur is bij Uitgeverij De Geus en onder andere Annelies Verbeke begeleidt. Om maar te zeggen: niet van de minsten. Ook bij hem viel het kortverhaal “Twee sterren” in de smaak, en dit zijn de lovende woorden die hij erover schreef (en die ik in het groot boven mijn werktafel ga hangen -zodra ik een werktafel heb – naast het papier met daarop in blokletters Kath, doe nu eens eindelijk vóórt):

“De tekst van Kathleen heeft alles in zich wat een verhaal boeiend maakt. Ondanks de beperkte omvang van de tekst weet ze de vier personages niet alleen zichtbaar te maken voor de lezer, ze is zelfs in staat om binnen het korte tijdsbestek het beeld nog te draaien. Omdat ze haar informatie goed doseert, houdt ze de aandacht van de lezer tot de laatste zin vast.  Door haar sobere stijl en de mooie balans tussen informatie en spanning, wordt het verhaal nooit sentimenteel of voorspelbaar. Kortom: hier hebben we met een schrijfster te maken die begrijpt hoe je de lezer moet verleiden en ook de vaardigheid bezit om emotie om te zetten in woorden.”

Waw…

Ik kan dan misschien wel goed emoties omzetten in woorden, maar de impact van deze bespreking op mijn hart en ziel overbrengen, dat lukt me vooralsnog niet. Wat het dichtst in de buurt komt, is die waw en de drie puntjes der sprakeloosheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloggers en hoe lief ze zijn

Een paar dagen geleden kregen we post uit Zwitserland. Ik wist wel dat er misschien een kaartje onderweg was, maar het pakje waar de postbode mee kwam aanbellen, heeft me zeer blij verrast. Dit zat erin:

Deze lieve attentie komt van Le Petit Requin, een medeblogster die ik nog nooit in levende lijve ontmoet heb, maar wiens blog ik geregeld lees en naar wiens commentaren op de mijne ik altijd uitkijk. En ik ga dit mooie voorval even gebruiken om het te hebben over dat juweel in blogland waarvan ik niet vermoedde dat het er was toen ik hier begon te schrijven, namelijk de band tussen bloggers. (Een andere titel voor deze post was “Band of Bloggers”, naar Band of Brothers, maar bovenstaande is zachter en daarom gepaster.)

Ik was al jarenlang het stijgende Big brother-gehalte van facebook beu en daarom op zoek naar een alternatief om de band met het thuisland aangespannen te houden. Bovendien wou ik actief met mijn moedertaal bezig blijven, want dat bleek wel nodig (de alarmbel ging af toen ik vijf minuten nodig had om op het woord “regenworm” te komen). Daarom ben ik beginnen bloggen, en het bleek de juiste keuze. Het was een afgebakender, overzichtelijker terrein, waar je nog een beetje achter de schermen kon werken. Ik wist dat ik geen tiende van de facebookvolgers zou bereiken, maar daar zat ik niet zo mee in. Wat ik postte, leek me meer de moeite waard omdat ik meer tijd aan de redactie ervan besteedde terwijl op facebook die tijd vooral opging aan bodemloos naar beneden scrollen langs foto´s van wereldnieuws en restaurantmaaltijden.

Maar dat had ik allemaal wel voorzien.

Wat ik niet had voorspeld, was dat ik hier onbekenden zou tegenkomen in wiens leven ik daadwerkelijk geïnteresseerd zou raken, en wiens opmerkingen me het gevoel zouden geven dat zij dat ook waren in mij. Dat ik zou uitkijken naar de lente in iemands tuin, zou meesnuisteren tussen iemands oude foto´s, of meetuinieren op een berg in Frankrijk, om maar een paar voorbeelden te geven. Dat er achter de blogs door ook gemaild en ontmoet zou worden, en dat die mails en ontmoetingen hartverwarmend zouden zijn. Dat blogcommentaren van beautiful strangers me het gevoel zouden geven dat er een thuis bestaat die eerder taalgebonden dan plaatsgebonden is.

Dat mijn dochter het verhaal van Beertje Paddington zou leren kennen omdat er een lieve landgenote uit Zwitserland aan ons dacht.

Hoe mooi is dat?

 

 

 

Toeval

Ik las deze leuke blogpost over toevalligheden, en meteen kwam me voor de geest wat me een aantal jaar geleden is overkomen op mijn verjaardag. Ik heb de notities weer opgezocht. Het is echt gebeurd.

 

Het is 25 juli 2014, de dag van mijn 34e verjaardag.

Ik zit achter de computer wanneer de telefoon begint te rinkelen (we hadden toen nog een vaste lijn). Wanneer ik opneem, wenst er een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn me een gelukkige verjaardag. Ik bedank haar, maar kan haar stem niet thuisbrengen. Ze doet me aan Alfonso´s grootmoeder denken, maar die is het niet.

Wanneer ik haar vraag wie ze is, zegt ze: ¨”Ik ben het, tante María uit Águila!” Maar ik ken helemaal geen tante María in Águila. Dus vraag ik haar wie ze belt.

“Rosa,” zegt ze. “Ik bel Rosa om haar te feliciteren met haar verjaardag. Wie ben jij dan?” En zo komen we erachter dat ze het foute nummer gedraaid heeft.

“Nou,” besluit tante María, “alleszins een gelukkige verjaardag vanuit Águila!”

En die verjaardag kon niet meer stuk.

 

 

Een opbeurende post over depressie

Na twee posts over migraine, vond ik het tijd voor nog eens een positieve post. Dat die dan over depressie gaat, lijkt een contradictio in terminis, maar voor beschrijvingen van platgetreden paden komen jullie hier niet lezen, toch? Dus doen we een opbeurende tekst over depressie, waar ik eigenlijk bij terecht kwam dankzij die posts over migraine, maar dat leg ik zodadelijk uit. (En volgende week doen we een enthousiast stukje over kinderarbeid ofzo.)

Op mijn achttiende ben ik steil naar beneden gekeild, daar maak ik al lang geen geheim meer van. (Ik snap trouwens niet waarom er over depressie een taboe zou moeten hangen. Iedereen die hersenen heeft, kan depressief worden. Ik vind het dus ook niet speciaal “moedig” om hierover te schrijven, alleszins niet moediger dan schrijven over teenschimmel of aambeien.)

Er zijn verschillende redenen waarom het toen zo slecht met me ging, maar daar wil ik niet over uitwijden. Wel wil ik twee zaken duidelijk maken: dat ik schrijf over 18 jaar ervaring met depressie, en dat ik uiteindelijk geleerd heb ermee om te gaan zonder medicatie. En dat is opbeurend nieuws –toch?

Voor alle duidelijkheid: depressie is geen lolletje. Je gedachten en gevoelens donderen een bodemloze put in, waar het leven van alle zin wordt ontdaan en je volledig doordrongen raakt van de overtuiging dat jouw bestaan compleet nutteloos is, en maar het best meteen aan zijn einde kan komen. Er is geen hoop. Er is geen licht. Je valt en blijft vallen. Dit om de leken onder u een kleine inkijk te geven in de duistere wereld van de depressieveling.

Ik ben nooit meer zo depressief geworden als tijdens die eerste jaren, tussen mijn achttiende en pakweg vijfentwintigste. Daarna bleven de aanvallen bij wijlen terugkomen, en langzaamaan begon ik in te zien dat dat is wat het waren: aanvallen. Ik was geen depressief persoon, ik was geen zwakkeling of psychologisch gestoord individu. Ik was niet gek. Ik had gewoon last van aanvallen van depressie. Net zoals ik aanvallen kreeg van migraine. Dat inzicht kwam er doordat ik overeenkomsten begon te ontdekken tussen depressie en migraine. De belangrijkste was dit: het ging in beide gevallen om een interne verstoring die aan mijn bewuste controle ontsnapte, en die ik als het ware moest “uitzitten”. Nadien kwam dan het evenwicht terug, en was ik weer okee.

De reden waarom dat inzicht zo lang op zich liet wachten, is naar mijn vermoeden te wijten aan het feit dat een aanval van depressie je gedachten en gevoelens verstoort. En wij zijn erg gehecht aan onze gedachten en gevoelens. Wij vereenzelvigen ons ermee. We hebben de neiging onze gedachten en gevoelens voor waar aan te nemen eenvoudigweg omdat we ze denken en voelen. Diep vanbinnen geloven wij dat wij onze gedachten en gevoelens zijn.

En dat, heb ik ondertussen geleerd, is niet helemaal waar. Wanneer ik nu een aanval van depressie krijg, kan ik afstand nemen. Ik bekijk mijn gedachten als een objectieve waarnemer, en hoe sterk ik ook van die negatieve overtuigingen doordrongen ben, hoe correct ze ook aanvoelen: ik weet dat ze niet juist zijn, maar verdraaid door de depressie. De laatste jaren is het zelfs alsof ik de hormoonspiegels voel kantelen. De foute kant op. En daarna weer de juiste kant op. En dan klaart het plots op vanbinnen en is de aanval voorbij.

En net als migraine hebben depressies een waarschuwingsfunctie: dat je beter voor jezelf moet zorgen, beter je grenzen bewaken, jezelf niet mag overladen. En net als bij migraine geldt dat je je niet mag laten meeslepen, dat er geen reden is tot paniek. It sucks, big time, maar daarna gaat het weer over. Proberen rustig te blijven en wachten tot de storm weer gaat liggen. Want de storm gaat weer liggen. En dat is toch wel opbeurend, niet?