“Twee sterren” krijgt een tweede ster, en ik moet efkes bekomen

De Tip van de Week op azertyfactor werd deze keer uitgekozen door Ad van den Kieboom, die redacteur is bij Uitgeverij De Geus en onder andere Annelies Verbeke begeleidt. Om maar te zeggen: niet van de minsten. Ook bij hem viel het kortverhaal “Twee sterren” in de smaak, en dit zijn de lovende woorden die hij erover schreef (en die ik in het groot boven mijn werktafel ga hangen -zodra ik een werktafel heb – naast het papier met daarop in blokletters Kath, doe nu eens eindelijk vóórt):

“De tekst van Kathleen heeft alles in zich wat een verhaal boeiend maakt. Ondanks de beperkte omvang van de tekst weet ze de vier personages niet alleen zichtbaar te maken voor de lezer, ze is zelfs in staat om binnen het korte tijdsbestek het beeld nog te draaien. Omdat ze haar informatie goed doseert, houdt ze de aandacht van de lezer tot de laatste zin vast.  Door haar sobere stijl en de mooie balans tussen informatie en spanning, wordt het verhaal nooit sentimenteel of voorspelbaar. Kortom: hier hebben we met een schrijfster te maken die begrijpt hoe je de lezer moet verleiden en ook de vaardigheid bezit om emotie om te zetten in woorden.”

Waw…

Ik kan dan misschien wel goed emoties omzetten in woorden, maar de impact van deze bespreking op mijn hart en ziel overbrengen, dat lukt me vooralsnog niet. Wat het dichtst in de buurt komt, is die waw en de drie puntjes der sprakeloosheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloggers en hoe lief ze zijn

Een paar dagen geleden kregen we post uit Zwitserland. Ik wist wel dat er misschien een kaartje onderweg was, maar het pakje waar de postbode mee kwam aanbellen, heeft me zeer blij verrast. Dit zat erin:

Deze lieve attentie komt van Le Petit Requin, een medeblogster die ik nog nooit in levende lijve ontmoet heb, maar wiens blog ik geregeld lees en naar wiens commentaren op de mijne ik altijd uitkijk. En ik ga dit mooie voorval even gebruiken om het te hebben over dat juweel in blogland waarvan ik niet vermoedde dat het er was toen ik hier begon te schrijven, namelijk de band tussen bloggers. (Een andere titel voor deze post was “Band of Bloggers”, naar Band of Brothers, maar bovenstaande is zachter en daarom gepaster.)

Ik was al jarenlang het stijgende Big brother-gehalte van facebook beu en daarom op zoek naar een alternatief om de band met het thuisland aangespannen te houden. Bovendien wou ik actief met mijn moedertaal bezig blijven, want dat bleek wel nodig (de alarmbel ging af toen ik vijf minuten nodig had om op het woord “regenworm” te komen). Daarom ben ik beginnen bloggen, en het bleek de juiste keuze. Het was een afgebakender, overzichtelijker terrein, waar je nog een beetje achter de schermen kon werken. Ik wist dat ik geen tiende van de facebookvolgers zou bereiken, maar daar zat ik niet zo mee in. Wat ik postte, leek me meer de moeite waard omdat ik meer tijd aan de redactie ervan besteedde terwijl op facebook die tijd vooral opging aan bodemloos naar beneden scrollen langs foto´s van wereldnieuws en restaurantmaaltijden.

Maar dat had ik allemaal wel voorzien.

Wat ik niet had voorspeld, was dat ik hier onbekenden zou tegenkomen in wiens leven ik daadwerkelijk geïnteresseerd zou raken, en wiens opmerkingen me het gevoel zouden geven dat zij dat ook waren in mij. Dat ik zou uitkijken naar de lente in iemands tuin, zou meesnuisteren tussen iemands oude foto´s, of meetuinieren op een berg in Frankrijk, om maar een paar voorbeelden te geven. Dat er achter de blogs door ook gemaild en ontmoet zou worden, en dat die mails en ontmoetingen hartverwarmend zouden zijn. Dat blogcommentaren van beautiful strangers me het gevoel zouden geven dat er een thuis bestaat die eerder taalgebonden dan plaatsgebonden is.

Dat mijn dochter het verhaal van Beertje Paddington zou leren kennen omdat er een lieve landgenote uit Zwitserland aan ons dacht.

Hoe mooi is dat?

 

 

 

Toeval

Ik las deze leuke blogpost over toevalligheden, en meteen kwam me voor de geest wat me een aantal jaar geleden is overkomen op mijn verjaardag. Ik heb de notities weer opgezocht. Het is echt gebeurd.

 

Het is 25 juli 2014, de dag van mijn 34e verjaardag.

Ik zit achter de computer wanneer de telefoon begint te rinkelen (we hadden toen nog een vaste lijn). Wanneer ik opneem, wenst er een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn me een gelukkige verjaardag. Ik bedank haar, maar kan haar stem niet thuisbrengen. Ze doet me aan Alfonso´s grootmoeder denken, maar die is het niet.

Wanneer ik haar vraag wie ze is, zegt ze: ¨”Ik ben het, tante María uit Águila!” Maar ik ken helemaal geen tante María in Águila. Dus vraag ik haar wie ze belt.

“Rosa,” zegt ze. “Ik bel Rosa om haar te feliciteren met haar verjaardag. Wie ben jij dan?” En zo komen we erachter dat ze het foute nummer gedraaid heeft.

“Nou,” besluit tante María, “alleszins een gelukkige verjaardag vanuit Águila!”

En die verjaardag kon niet meer stuk.

 

 

Een opbeurende post over depressie

Na twee posts over migraine, vond ik het tijd voor nog eens een positieve post. Dat die dan over depressie gaat, lijkt een contradictio in terminis, maar voor beschrijvingen van platgetreden paden komen jullie hier niet lezen, toch? Dus doen we een opbeurende tekst over depressie, waar ik eigenlijk bij terecht kwam dankzij die posts over migraine, maar dat leg ik zodadelijk uit. (En volgende week doen we een enthousiast stukje over kinderarbeid ofzo.)

Op mijn achttiende ben ik steil naar beneden gekeild, daar maak ik al lang geen geheim meer van. (Ik snap trouwens niet waarom er over depressie een taboe zou moeten hangen. Iedereen die hersenen heeft, kan depressief worden. Ik vind het dus ook niet speciaal “moedig” om hierover te schrijven, alleszins niet moediger dan schrijven over teenschimmel of aambeien.)

Er zijn verschillende redenen waarom het toen zo slecht met me ging, maar daar wil ik niet over uitwijden. Wel wil ik twee zaken duidelijk maken: dat ik schrijf over 18 jaar ervaring met depressie, en dat ik uiteindelijk geleerd heb ermee om te gaan zonder medicatie. En dat is opbeurend nieuws –toch?

Voor alle duidelijkheid: depressie is geen lolletje. Je gedachten en gevoelens donderen een bodemloze put in, waar het leven van alle zin wordt ontdaan en je volledig doordrongen raakt van de overtuiging dat jouw bestaan compleet nutteloos is, en maar het best meteen aan zijn einde kan komen. Er is geen hoop. Er is geen licht. Je valt en blijft vallen. Dit om de leken onder u een kleine inkijk te geven in de duistere wereld van de depressieveling.

Ik ben nooit meer zo depressief geworden als tijdens die eerste jaren, tussen mijn achttiende en pakweg vijfentwintigste. Daarna bleven de aanvallen bij wijlen terugkomen, en langzaamaan begon ik in te zien dat dat is wat het waren: aanvallen. Ik was geen depressief persoon, ik was geen zwakkeling of psychologisch gestoord individu. Ik was niet gek. Ik had gewoon last van aanvallen van depressie. Net zoals ik aanvallen kreeg van migraine. Dat inzicht kwam er doordat ik overeenkomsten begon te ontdekken tussen depressie en migraine. De belangrijkste was dit: het ging in beide gevallen om een interne verstoring die aan mijn bewuste controle ontsnapte, en die ik als het ware moest “uitzitten”. Nadien kwam dan het evenwicht terug, en was ik weer okee.

De reden waarom dat inzicht zo lang op zich liet wachten, is naar mijn vermoeden te wijten aan het feit dat een aanval van depressie je gedachten en gevoelens verstoort. En wij zijn erg gehecht aan onze gedachten en gevoelens. Wij vereenzelvigen ons ermee. We hebben de neiging onze gedachten en gevoelens voor waar aan te nemen eenvoudigweg omdat we ze denken en voelen. Diep vanbinnen geloven wij dat wij onze gedachten en gevoelens zijn.

En dat, heb ik ondertussen geleerd, is niet helemaal waar. Wanneer ik nu een aanval van depressie krijg, kan ik afstand nemen. Ik bekijk mijn gedachten als een objectieve waarnemer, en hoe sterk ik ook van die negatieve overtuigingen doordrongen ben, hoe correct ze ook aanvoelen: ik weet dat ze niet juist zijn, maar verdraaid door de depressie. De laatste jaren is het zelfs alsof ik de hormoonspiegels voel kantelen. De foute kant op. En daarna weer de juiste kant op. En dan klaart het plots op vanbinnen en is de aanval voorbij.

En net als migraine hebben depressies een waarschuwingsfunctie: dat je beter voor jezelf moet zorgen, beter je grenzen bewaken, jezelf niet mag overladen. En net als bij migraine geldt dat je je niet mag laten meeslepen, dat er geen reden is tot paniek. It sucks, big time, maar daarna gaat het weer over. Proberen rustig te blijven en wachten tot de storm weer gaat liggen. Want de storm gaat weer liggen. En dat is toch wel opbeurend, niet?

 

 

 

Guide to the Spanish: Meanwhile, The Women

 

Nu over de hele wereld protestmarsen aan de gang zijn die de inauguratie van Trump (terecht) zien als een slag in het gezicht van vrouwen en van iedereen die om het welzijn van vrouwen geeft, lijkt de tijd gekomen om die ene, korte post op deze blog te zetten.

In 2016 kwamen er 53 vrouwen om het leven door partnergeweld. Dat is één moord per week. En voor u zich over dit hoge cijfer zou verbazen: 2016 kende het láágste aantal moorden door partnergeweld in de afgelopen tien jaar. Dus ge moet niet vragen.

Voor januari 2017 staat deze droeve teller al op vier:

 

Ik zou hier nog een hele analyse onder kunnen typen, maar daar heb ik voor het moment geen tijd voor, dat komt misschien nog. Morgen zet ik alleszins mijn roze muts op, en ik hoop dat zeer veel vrouwen én mannen dat ook zullen doen, desnoods alleen maar in gedachten, maar met gedachten begint alles.

 

 

 

Ontrouw (Of: less is more)

Ik las bij Odile Schmidt over een schrijfwedstrijd met als thema “Verboden vruchten”. Ideaal, dacht ik, want daar had ik een paar jaar geleden al eens een kortverhaal over geschreven. Bleek echter dat de limiet 500 woorden was, en mijn verhaal er meer dan 700 telde. Snoeien dus. Maar tijdens het snoeien zag ik dat er heel wat schortte aan de tekst. Het is dus een nuttige knipbeurt geweest. Om het helemaal op punt te krijgen, zou ik er best toch weer wat aan toevoegen, maar voor een blog lijkt de 500-woorden versie me wel lang genoeg. Dus voor wie zin heeft, hier is het kortverhaal:

Ontrouw

Van buitenaf had het een goed idee geleken. De handgeschilderde letters “Café Au Jolicoeur” op het vensterglas hadden hem het gevoel gegeven dat ze hem wenkten. Maar zodra Marcel het café binnenstapte, kwam het schuldgevoel aanrollen als een vloedgolf. Hij durfde toen echter niet op zijn voetstappen terugkeren en nam aarzelend plaats op een barkruk aan de toog.

Het café was licht en ruim. Aan een tafeltje bij het raam zaten twee jonge vrouwen samenzweerderig te praten over een onderwerp dat hen af en toe ondeugend deed giechelen. Studentes, vermoedde Marcel, ofwel oud-studiegenoten die kwamen bijkletsen. In hun ogen kon hij zien hoe opwindend het leven kon zijn, en dat sleur voor hen voorlopig slechts een woord was, geen gevoel.

Wat verderop aan de toog zat een vrouw met lange, rode krullen. Ze was elegant gekleed en zat te lezen in een boek dat ze met één hand op de toog opengeslagen hield. Ze droeg geen nagellak en voor zover Marcel kon zien ook geen lippenstift, hoewel hij dat om de een of andere reden van een vrouw als zij net verwachtte. Misschien droeg ze al genoeg rood in haar haren, bestond er een quotum voor dat soort dingen. Marcel glimlachte even. Zaken waar hij nog nooit over nagedacht had. Hij moest toegeven dat het hem plezierde er eens over na te denken. Maar het welbehagen opgewekt door deze observatie kon zijn ongemak niet verjagen.

“Wat zal het zijn?”

Hij keek betrapt op, recht in het gezicht van de barman. Het was een jonge kerel met perfect getrimde bakkebaarden.

“Een pintje,” mompelde Marcel.

En toen zag hij opeens zichzelf, in de spiegel achter de toog. Zijn gezicht rood van schaamte, zijn blik geschokt door de plotse confrontatie. Bewust een fout maken is één ding, maar jezelf ook nog eens recht in de ogen kijken terwijl je ermee bezig bent, is nog heel iets anders.

Marcel wachtte niet op het bier. Hij gooide een stuk van twee euro op de toog, en liep snel het café uit.

De daaropvolgende avond ging hij zoals vanouds naar café Den Toren. De weg naar zijn plek aan de toog werd door de eeuwige rookwalmen aan het zicht onttrokken -wat niet deerde want hij kon het traject blindelings afleggen. Zodra hij zich op zijn vertrouwde kruk had genesteld, stond er al een pint voor hem klaar. Langzaam keek hij op.

Raymond stond vlak voor hem, de dikke armen over elkaar geslagen, zodat de zeemeermin op zijn rechterarm onder de walvis op zijn linker doorzwom. Marcel prees zich gelukkig dat de tapkast tussen hen in stond.

“We hebben u gemist, gisteren,” zei Raymond vanonder zijn snor, op een toon die allerminst de gevoelswaarde van zijn woorden onderschreef.

“Ziek, moest thuisblijven,” prevelde Marcel.

“Jaja,” gromde de barman. “Ziek.”

Marcel zette het glas aan zijn lippen en liet het lauwe bier in zijn mond stromen. Met zijn ellebogen steunend op de toog probeerde hij het biljartspel van Ronny en André te volgen.

Het lukte hem van geen kanten.

 

 

 

 

Bezoek mij in drie minuten

Nu hebben die van het toeritisch bureau van Valencia toch zo ne schone video gemaakt…

Normaal gezien wordt deze stad altijd gepromoot met dat beeld van de Ciutat de les Arts i les Sciències, maar daarstraks liet mijn schoonbroer me een nieuwe video zien, waar die bouwwerken niet eens in voorkomen.

Wat zie je dan wel in de video? Al de rest. Het echte València. Maar op zo´n terloopse, bescheiden manier dat je het amper merkt, en vooral meegenomen wordt in de sfeer, de kleuren, de geluiden. Zoals je in de 20e seconde die zompige grond ziet, of in 1:03 onze typische banda (de lokale fanfare).

Maar het mooiste is natuurlijk dat ze tonen hoe een plek je kan veranderen -ten goede. Misschien daarom dat ik een traantje liet toen ik deze video voor het eerst zag. Omdat dat ook met mij gebeurd is.

Ofwel was het gewoon omdat het eigenlijk een supermelige video is.

Maar oordeelt u vooral zelf:

 

PS: ´t estime is Valenciaans voor ik hou van jou. Wat een leerrijke blog is dit toch aan het worden.

 

 

 

Guide to the Spanish: Work

 

Als noorderlingen zijn we geneigd te veronderstellen dat Spanjaarden niet zo hard werken. Een volkje van praatgrage, schouderophalende levensgenieters zien we immers geen 12 uur per dag op kantoor doorbrengen.

De werkelijkheid is echter behoorlijk anders. Spanjaarden kloppen meer uren dan Belgen (zo´n 150 uur meer per jaar). Bovendien werken ze vaak op onmenselijke uren, rollen ze van de ene shift in de andere, moeten ze op hun eentje een werklast torsen waar je makkelijk 3 mensen mee bezighoudt, en worden ze daar een habbekrats voor betaald. En daar wordt zelden over geklaagd, want sinds de economische crisis (*) mag je al van geluk spreken dat je een job hebt. Het is maar hoe je geluk definieert, natuurlijk.

Mensen die om 8 uur beginnen en om 20u gedaan hebben, zijn hier geen uitzonderingen. Soms ligt dat aan het feit dat niemand naar huis durft zolang de baas nog achter zijn bureau zit, ook al zit de officiële werkdag erop en heb je niets meer te doen. Maar de grote boosdoener is de lange middagpauze, die gemakkelijk tweeënhalf uur kan duren. Want dat is de siëstatijd waaraan niet geraakt mag worden. Voor wie iets verder van huis werkt, is dat vaak compleet verloren tijd, maar dat wordt gemakshalve over het hoofd gezien. Veel mensen brengen die tijd door in een bar, pratend met vrienden of collega´s. Maar ik ken ook mensen die na de lunch gewoon weer aan het werk gaan, al worden ze voor die uren eigenlijk niet betaald.

En toch is dit niet echt een paradox. Ik heb er de laatste weken veel over nagedacht, en mijn persoonlijke conclusie  –for what it´s worth– is dat deze arbeidomstandigheden net voortkomen uit de Spaanse mentaliteit. Want aan de basis heeft het te maken met hiërarchie en een niet willen (of durven) raken aan die hiërarchie. Aan de dingen nemen zoals ze komen, omdat je toch niet de macht hebt ze te veranderen. Aan je neerleggen bij de situatie zoals ze is, in plaats van op te komen voor verandering. Hoe vaak heb ik niet iemand de schouders zien ophalen en zeggen “Och ja, dat is nu eenmaal zo”.

En wie wel verandering wil, vindt die vaak sneller (en veel beter betaald) in het buitenland.

Wie het hier wel voor elkaar heeft, zijn zij die voor de staat werken: administratief bedienden, artsen, leraars in staatsscholen, etc. Die krijgen een degelijk loon aan het eind van de maand (of toch een normaal loon, naar Belgische normen), en hebben meestal om 15u al gedaan. Geen wonder dus dat iedereen aan de oposiciones, de staatsexamens, wil meedoen. Deze worden uitgeschreven naargelang het aantal beschikbare plaatsen, wat betekent dat er sinds de crisis voor bepaalde categorieën maar amper examens geweest zijn. En wanneer er wel een examen wordt uitgeschreven, moet je soms met tweeduizend medekandidaten concurreren voor een 50-tal plaatsen. Fun.

Kortom, voor werk moet je niet naar Spanje komen. Maar dat hadden jullie vast al door.

(*) Tijdens die crisis steeg het werkeloosheidspercentage van 8 % in 2007 naar 26 % in 2013. Momenteel zitten we op 19 %. Voor jongeren onder de 25 jaar zitten we momenteel op een duizelingwekkende 44 %.

 

 

 

Goede raad uit 1881

Aangepord door deze aangename kennismaking, heb ik me voorgenomen om elk jaar minstens één 19e eeuwse, Engelstalige roman te lezen. Als bonus heb ik de bijbehorende film op de computer klaarstaan, die ik pas bekijk als het boek uit is. (Waw, het wilde leven van een dertiger. Spannende zaken.)

Om het helemaal opwindend te maken, heb ik hieronder een vrije vertaling gemaakt van een van mijn favoriete fragmenten uit het boek waarin ik momenteel bezig ben, zijnde The Portrait of a Lady:

“Dus jij denkt dat je een romantisch leven kan leiden, een leven waarin je het jezelf en anderen naar de zin maakt. Dat is een foute veronderstelling, lieverd. Wat voor leven je ook leidt, je moet er je ziel in leggen -als je er enige vorm van succes mee wil bereiken. En zodra je dat doet, is het gedaan met de romantiek, dat kan ik je verzekeren; dan wordt het harde realiteit! Je kan niet altijd jezelf tevreden stellen; soms moet je anderen tevreden stellen. Tot dat laatste ben jij zeker bereid, dat geef ik toe, maar er is iets anders dat nog veel belangrijker is –je moet vaak anderen teleurstellen. Daartoe moet je altijd bereid zijn, daar mag je niet voor terugdeinzen. En dat gaat jou niet af, jij houdt teveel van bewondering, jij wil in een positief licht gezien worden. Jij denkt dat we kunnen ontsnappen aan plichten die onaangenaam zijn eenvoudigweg door te romantiseren –dat is de grote illusie waarin jij leeft, mijn schat. Maar zo zijn de dingen niet. Je moet bereid zijn om op vele momenten in het leven het helemaal niemand naar de zin te maken. Niet eens jezelf.”

 

(Henry James, Portrait of a Lady, p 243 )

(PS: met dank aan de Kleine Atlas van de Werkelijkheid )