Waarom de Nederlanders anders zijn (1): water

Dat Nederlanders iets hebben met water leerde ik zo´n dertig jaar geleden uit het Suske & Wiske-album “Het Delta Duel“. Maar hoe zwaar dat duel met het water was en hoe verstrekkend de gevolgen heb ik nooit echt begrepen. Volgens “The Dutch are different” is de relatie die Nederlanders hebben met water echter de basis van vrijwel alles wat Nederlands is. De naam alleen al zegt het natuurlijk: de Neder-Landen, de Lage Landen, ze liggen lager dan de zee, en dat is een positie die heel wat spanning met zich meebrengt.

Maar ook heel wat vechtlust. Het Nederlandse volk dwong de zee terug, wat een bijna bovenmenselijke prestatie is. Met dijken en molens en allerlei vernuftige sluissystemen wonnen ze land van het water. Daardoor is in Nederland het idee van maakbaarheid sterk ingeburgerd geraakt. Als je iets wil, dan kan je het bereiken, zolang je maar je koppie gebruikt en voldoende ondernemingszin toont. Geen wonder dus dat Nederland een land van ondernemers is. Het zijn immers de skills van het ondernemen die hen het land gebracht hebben waarop ze wonen.

Het gevecht tegen de getijden is echter nooit volledig voorbij. Je moet steeds op je hoede blijven, want de kleinste nonchalance kan rampzalige gevolgen hebben. Dat werd de Nederlanders zwaar ingewreven tijdens de Watersnood van 1953, toen een combinatie van storm en springtij de dijken deed breken en bijna tweeduizend mensen verdronken. En zo leerden Nederlanders the hard way dat het belangrijk is je zaken in orde te hebben. De straten schoon, de hagen gesnoeid, en de gordijnloze ramen gelapt zodat iedereen vanop straat kan zien dat ook binnenin je huis alles netjes in orde is. Dat alles onder controle is en iedereen veilig.

Belgen hebben dat, in mijn ervaring, een pak minder. Belgen voelen zich goed in de chaos, nestelen zich in de rommel, maken van wanorde desnoods een soort fashion-statement. Belgen verzamelen, hamsteren, stapelen boeken op tot aan het plafond, en hangen twee lagen gordijnen op zodat de buitenwereld niet kan zien wat voor storm er daarbinnen woedt. En ze kunnen zich dat permitteren, want buiten de deur hebben ze geen storm te vrezen.

Waarom de Nederlanders anders zijn: inleiding

In een winkel met tweedehandsboeken kwam ik deze intrigerende titel tegen: “Why The Dutch Are Different“. Nu heb ik nooit echt het gevoel gehad dat mijn Nederlandse vrienden erg anders zijn, maar de inhoudsopgave leek een boeiende duik in de Nederlandse geschiedenis en cultuur te voorspellen, en dat voor een luttele 2 euro -of zoals ze dat in Nederland zeggen: voor een prikje. Dus nam ik het boek mee naar huis.

De auteur, Ben Coates, is een Brit die zijn hart verloor aan een Rotterdamse en dus om de mooiste aller redenen zijn thuisland verliet om zich onder de zeespiegel te gaan vestigen. Britse boeken over buitenlanders zijn, in mijn ervaring, vaak erg karikaturaal, maar ik was aangenaam verrast te ontdekken dat Coates zich daar ver van houdt. Integendeel, hij heeft zijn huiswerk gemaakt en zich met toewijding gestort op het uitpluizen van de Nederlandse geschiedenis en het ontrafelen van de volksgeest. Dat is althans mijn indruk na het lezen van het eerste hoofdstuk.

Ik heb alvast heel wat opgestoken over waarom Nederlanders zijn hoe ze zijn (of doen wat ze doen), en denk zelfs ontdekt te hebben waarom ik het verschil niet zag. Ik ben namelijk opgegroeid met het verschil, want mijn grootvader aan moeders kant was half Nederlands. Tijdens het lezen dacht ik plots: misschien is er wel een reden waarom de bloemperken van het grootouderlijk huis met Nederlandse invloed er altijd zo verzorgd bijlagen, waarom het huis zo open en ordelijk was. Waarom het zo anders was dan het huis van mijn volledig Belgische grootouders, met de konijnenkoten in de hof en de friteuse in de garage. En zo kreeg ik het gevoel dat ik meteen ook een stukje van mezelf aan het ontdekken was.

Deze ontdekkingsreis wil ik graag met jullie delen. Want ik weet dat er hier ook Nederlanders uit Nederland komen lezen, en Belgen die in Nederland wonen, en Nederlanders die in België wonen. En zelfs voor de Belgen in België is Nederland nooit ver weg. Het lijkt me dus erg boeiend om jullie commentaren op de thema´s van dit boek te horen.

Er zijn zeven hoofdstukken, dus wordt dit een reeksje in zeven delen, plus deze inleiding.

Tot gauw 🙂

Over parentale burn-out en een pandabeer

België staat helemaal aan de top wat betreft parentale burn-out, zo stond onlangs in de krant. Het is vooral, zo blijkt, de individualistische prestatiecultuur die ouders de das omdoet. Want als je al elke dag het beste van jezelf moet geven in een maatschappij waarin het ieder voor zich is, en je dan ook nog eens de zorg voor anderen op je moet nemen, terwijl corona al een jaar lang de poorten gesloten houdt zodat je nog amper bij die paar mensen geraakt op wie je wel kon rekenen,… Hoe noemen ze dat in het Engels? An accident waiting to happen.

Toen ik een baby had, was ik een kersverse migrantenmoeder met zeer weinig sociale contacten. Ik kende ook nog niet zo goed Spaans. We waren net in een dorp gaan wonen in de buurt van het werk van mijn man, en ik kende daar helemaal niemand. Het was loodzwaar, om verschillende redenen, en ik heb er nadien (na overleg met de echtgenoot uiteraard) heel bewust voor gekozen geen tweede kind te krijgen, gewoonweg omdat ik dat mezelf niet wou aandoen. “Ik kan dit niet nog eens,” zei ik, en ik meende het. Parentale burn-out avant la lettre.

Nu zijn we tien jaar later en is de situatie helemaal anders, want ik heb hier vrienden. Ik weet dat, als ik nu een kind zou krijgen, ik er niet meer bijna helemaal alleen voor zou staan. Als ik zie hoe ouders elkaar ondersteunen, doet het soms pijn te beseffen dat ik het indertijd zonder al die steun heb moeten doen. Dan denk ik: hoeveel minder zou ik afgezien hebben als ik dat had gehad.

Nochtans lijkt het op het eerste gezicht niet veel, die steun. Er is bijvoorbeeld de whatsapp-groep met ouders van de vrienden van mijn dochter. Wanneer iemand niet op tijd aan de schoolpoort geraakt, zet die in de groep: kan iemand mijn zoon/dochter afhalen? En dan is er altijd iemand die antwoordt: ja hoor. Een kind dat ´s middags niet op tijd kan afgehaald worden, kan ook altijd bij iemand blijven eten. Dat lijkt dus misschien niet veel, maar weten dat het kan, maakt een enorm verschil.

Nog zo´n godsgeschenk zijn de ouders van het beste vriendinnetje van mijn dochter. De helft van de tijd zit dat meisje bij ons thuis, de andere helft van de tijd zit mijn dochter in het huis van haar vriendinnetje. We nemen elkaars kinderen mee op uitstap, en wanneer de maatregelen het toelaten, blijven ze bij elkaar slapen.

En dan zijn er de buren. De achterdeuren naar het voetgangersstraatje (de peatonal) staan bijna elke namiddag open, en dan hollen de kinderen, net zoals in Bolderburen, van de ene patio naar de andere. Als de achterdeuren dicht zijn, roepen ze elkaar vanaf het balkon: kom je spelen? Er zitten ook altijd wel een paar ouders op straat een biertje te drinken, wat met elkaar te praten, een beetje toezicht te houden. De honden lopen om de kinderen heen en laten tennisballen neervallen tussen de voeten van de volwassenen in de hoop dat iemand ze zal wegschoppen. Sommige buren slepen een tuintafel de straat op en gaan daar wat zitten telewerken. En wie binnen wil blijven werken, werkt gewoon binnen, met de ramen open.

Een mooi symbool van dat samenleven zijn de sporen die in onze patio achterblijven na zo´n dagje samenspelen: krijttekeningen op de tegels, een verloren sokje in de hangmat, een speelgoedautootje op de tuintafel. Onlangs vond ik op onze sofa de platgeknuffelde pluche pandabeer van een van de buurmeisjes.

Nu is het niet altijd zo idyllisch, hoor. Er zijn bepaalde buren die niet meer met elkaar willen praten wegens onopgeloste conflicten, en ook de kinderen hebben al eens ruzie. Maar dat hoort erbij; we zijn tenslotte allemaal maar mensen.

Ik weet dat deze coronatijden het extra moeilijk maken om bij elkaar te komen en elkaar te helpen de lasten van het zorgen te dragen. Maar volgens mij zijn de Belgische burn-out cijfers een pre-corona probleem. Zoveel Belgische ouders zaten al op hun tandvlees, en daarom kon corona hen met één vinger over de rand duwen. Landen met een meer collectivistische mentaliteit hadden denk ik iets meer reserve op dat vlak.

Nu weet ik niet goed hoe je dat concreet kan aanpakken, en of je dat wel op korte termijn kan veranderen. Maar zoals altijd denk ik dat het begint met praten. Met blijven zoeken tot je mensen vindt bij wie je niet op een muur botst, maar bij wie de deur openstaat. En met het besef dat we allemaal kwetsbaar zijn en elkaar hard nodig hebben.

België in december -mouwloos

Indien de Belg zijn hoofdverblijfplaats in Spanje heeft: niet-essentiële verplaatsingen naar en vanuit de autonome regio’s zijn verboden. Dit in- en uitreisverbod geldt niet voor de Canarische eilanden, Galicië, de Balearen en Extremadura. Belgen die hun hoofdverblijfplaats in een van de gesloten autonome regio’s hebben, mogen die regio niet verlaten, behalve om essentiële redenen (werk, gezondheid, overmacht etc.).

Dit staat op de website van het consulaat. Familiebezoek is geen essentiële reden, dus hebben we onze reis afgelast.

Daar zijn best wat tranen om gevloeid -vooral voor mijn dochter was het een bittere pil om te slikken, en ik vind het ook heel erg voor mijn ouders. Die hebben hun kleindochter voor het laatst in het najaar van 2019 gezien. Maar voor mezelf was het behalve een zware teleurstelling ook een beetje een opluchting. Want eigenlijk ben ik al een jaar lang aan het aftellen: in november 2019 was ik beginnen aftellen naar de België-reis die we in april zouden maken, en toen die in het water viel, begon ik uit te kijken naar december. Maar een jaar lang aftellen in onzekerheid, dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Dus ergens geeft het ook wel rust dat er nu gewoon zekerheid is. Het kan niet, we gaan niet, y ya está.

Maar we gaan er sowieso toch een fijne kerst van maken, en ervoor zorgen dat al wie ons lief is, deze winter nog eens extra ingepeperd krijgt hoe lief precies.

België, gefeliciteerd!

(Ik weet dat een mens moet oppassen met schrijven over politiek, zeker een blogger die geen lezers wil wegjagen. Maar jullie weten ook dat ik mijn best doe op deze blog alle meningen te respecteren, en dat mijn persoonlijke mening is dat we over politiek moeten (leren) praten, omdat het belangrijk is. Dus hier gaan we.)

Vandaag las ik in de krant de samenstelling van de nieuwe, langverwachte, Belgische regering. Deze regering bestaat uit 20 mensen, waarvan 10 mannen en 10 vrouwen. Een van deze vrouwen is transgender. Er zijn 17 mensen zonder en 3 mensen met migratieachtergrond.

Wat een prachtige klasfoto. Eindelijk een regering die een representatie is van de bevolking (althans in meer opzichten dan enige vorige regering ooit geweest is). Bovendien met een gemiddelde leeftijd van rond de 40 jaar. Een echte millenial-regering dus.

Ook mooi is dat deze mensen grotendeels op de posten zitten waar ze zich kunnen uitleven in de materie die hen het nauwst aan het hart ligt: de liberalen op financiën, middenstand, begroting en aanverwanten; de socialisten op werk, economie, pensioenen en dergelijken; de groenen op milieu, klimaat, duurzame ontwikkeling; mensen met een migratie-achtergrond op ontwikkelingssamenwerking, asiel en migratie. Dat is hoe het er in mijn ideale wereld ongeveer uitziet: dat iedereen zich bezighoudt met daar waar ze het beste in zijn en het meest van afweten.

Gaat deze regering het daarom ook goed doen? Geen idee. Ik wacht af in spanning.

Maar dit weet ik wel: wanneer er nu een stel tijdreizigers uit de negentiende eeuw in België terechtkomt, gaan ze tenminste kunnen zeggen: “Tiens, er verandert precies toch wel iets in de toekomst.”

Corona Chronicles: day 63

Vandaag heel kort, want het was een regenachtige dag waarover niets anders te zeggen valt dan dat het precies weer april was: man de hele dag gaan werken, dochter teveel voor tv. Hond uitlaten, handwerken, ruziën, bijleggen, knutselen, eten, bedtijdverhaaltje, blog. Dat was het. En morgen weer hetzelfde.

Ondertussen heb ik in de krant gelezen dat ze in Valencia capital het plein voor het stadhuis aan het heraanleggen zijn. Het wordt nu grotendeels verkeersvrij. Van de nood een deugd maken, slim vind ik dat. Dit is het moment om straten open te breken en zebrapaden te schilderen!

Zouden ze dat in Vlaanderen al doorhebben? Stel u voor, dat ze nu alle wegenwerken grondig aanpakken, zodat er in het post-coronatijdperk geen wegomleggingen meer zijn.

Of misschien toch beter niet. Want wat als iedereen straks uit zijn kot kruipt en terechtkomt in een Vlaanderen vrij van wegomleggingen… De mensen zouden volledig gedesoriënteerd geraken.

Laten we het niet nog erger maken dan het al is.

 

 

 

 

 

Het weer

Tot vorige week liepen de temperaturen binnenshuis nog dagelijks op tot 27 graden. Daarna kregen we dagenlang wind en temperatuurschommelingen. Maar vandaag was het voor het eerst in vele maanden windstil en bewolkt tegelijk, en viel er af en toe motregen. Inderdaad, Belgisch weer.

En ik voelde me fantastisch. Niks geen vermoeidheid of zwaar hoofd, niks geen neiging tot depressie. “Ahora estás contenta, verdad,” kreeg ik op straat van buren en vrienden te horen. “Estoy en la gloria,” antwoordde ik stralend.

Stel dat we op een dag naar België verhuizen, dan hoop ik echt dat massa´s mensen me gaan vragen waarom ik teruggekomen ben, zodat ik hen met uitgestreken gezicht kan antwoorden: “Voor het weer.”

 

 

Mobiliteit in België: een representatieve dag

Op zaterdag 24 augustus reisden mijn man, mijn dochter en ik van Nisramont naar Leuven, en maakten een tussenstop in Brussel. Het was een erg Belgische reis, om redenen die u zodadelijk vast duidelijk zullen worden.

Mijn ouders brachten ons met de wagen naar het station van Marloie. We moesten daarbij een omweg maken, want er waren wegenwerken. Het bord dat aangaf langs waar de omleiding liep, werd aan het zicht onttrokken door een ander verkeersbord dat pal voor het eerste bord stond.

Toen we in het station aankwamen, vroeg ik de man aan het loket of het mogelijk was met één ticket van Marloie naar Leuven te reizen en een tussenstop te maken in Brussel Schuman. “Normaal gezien niet,” zei hij, “want normaal gezien moet je langs Ottignies. Je mag wel uitstappen en je reis hervatten, maar dat moet op het kortste traject zijn. En voor Leuven is dat langs Ottignies.” De zorgen die deze uitleg bij me opriep, bleken ongegrond, want de man vervolgde: “Je hebt echter geluk, jongedame. Vandaag zijn er werken in Ottignies, dus moet je uitzonderlijk wél langs Brussel. Dus kan je daar wel gewoon uitstappen zonder meerprijs.” Dat was waarschijnlijk voor het eerst in 39 jaar dat ik voordeel haalde uit een omleiding. Een glorieus moment.

We reisden tot Brussel Schuman, waar we een tijdje stonden te draaien voor we de weg vonden naar het Jubelpark en het Museum voor Kunst & Geschiedenis (dat gebouw is trouwens een architecturale omleiding op zich). Na wat zoekwerk vonden we de mummies waar we voor gekomen waren, en nadat we die in levende/dode lijve bezichtigd hadden, liepen we weer naar het station. Nu blijkt Brussel Schuman zowel een trein,- als een metrostation te zijn, en bovendien volledig ondergronds. Dat zal misschien wel duidelijk zijn voor wie daar elke dag gebruik van maakt, maar voor eendagsreizigers als wij was het een doolhof (gelukkig waren we in het aangename gezelschap van lokale versterking). We namen ruim op tijd de lift naar beneden -een voorsprong die we al gauw verloren aan gangen, wegwijzers en nog meer liften, zodat we maar net op tijd de trein opstapten.

Na een korte rit kwamen we aan in Leuven. Daar moesten we de bus op naar onze eindbestemming. Ik was door de lokale bevolking al gewaarschuwd dat je beter geen kaartje koopt op de bus, omdat dat zéér duur uitkomt. Gelukkig zag ik naast het busstation een gebouw waarop de naam Lijnwinkel prijkte. Dus ik de Lijnwinkel binnen. Daar kwam ik in een haveloze wachtzaal terecht, die op één even haveloze man na leeg was. Ik liep langs de man heen naar een glazen deur die naar de loketten beloofde te leiden. “De winkel is gesloten,” riep de man me toe. “Oh, bedankt,” zei ik, en terwijl ik hem aankeek, zag ik achter hem een ticketautomaat staan. Dus liep ik daarop af. “Die werkt niet,” zei de man. Hij zei het met een intonatie waarvan ik op dat moment besefte dat ik die nog nooit in een andere taal of in een ander land gehoord had: een paradoxaal akkoord van berusting en verzet.

“Waar moet ik dan een ticket kopen?” vroeg ik. “Aan het loket van het treinstation,” zei hij. “Het treinstation,” herhaalde ik, met in mijn stem een zweem van ironie die in het Spaans zelden of nooit komt opzetten. De man knikte samenzweerderig. Welkom in het land van de omleidingen.

Enfin, uiteindelijk op de bus geraakt. Zwaait die bus opeens de buitenring op, terwijl wij daar niet moeten zijn. Dus ik naar voor, om de buschauffeur te vragen of we wel op de juiste bus zitten. “Ja hoor,” zegt hij vrolijk, “maar er is een omleiding.”

Ik had het kunnen weten.

 

 

Regels

Zeer inspirerende posts over regels gelezen (hier en hier), en aangezien dat iets is wat ik ook al een tijdje van plan was, spring ik maar eens mee op de kar. Al was mijn uitgangspunt aanvankelijk hoe blij ik altijd ben als ik mijn regels doorkrijg, aangezien dat betekent dat de komende negen maanden mijn nachtrust relatief gewaarborgd is. Maar dat is dus niet het soort regels waar het in die andere blogs over gaat, en ook niet waar ik het hier over ga hebben, wees gerust.

Ik heb erover zitten nadenken, welke regels er gelden hier in huis, en in mijn hoofd. En ik ben tot de conclusie gekomen dat ik sinds die verhuis naar Spanje negen jaar geleden zeer, zeer, zeer veel regels overboord heb gegooid /moeten gooien. Want alles wat thuis in het Belgenlandje zo vanzelfsprekend was, bleek dat hier dus niet te zijn. Echt de meest basic dingen. Bijvoorbeeld:

  • drie maaltijden per dag: ontbijt, middagmaal, avondmaal (nee hoor, vijf keer eten per dag)
  • op het openbaar vervoer moet ge zachtjes praten (haha, komaan gij)
  • kleine kinderen moeten voor tien uur in bed  (als ze moe zijn vallen ze vanzelf wel in slaap)
  • werk moet altijd perfect afgeleverd worden (wees maar gewoon blij dat het af is)
  • werk moet altijd op tijd afgeleverd worden (morgen is er nog een dag)
  • ongeveer 15 centimeter personal space (en het menselijk contact dan?)
  • ´s nachts op straat stil zijn (wie wil slapen moet maar oorstopkes indoen)
  • ge moet uzelf leren redden (jamaar, waar zijn uw familie / vrienden / buren / de kapster / de ouders van de vriendjes van uw dochter / de madam van de papelería en haar man/… dan voor?)
  • ge moet werk hebben (allez jong, bijna niemand heeft hier werk. als ge maar eten hebt.)

Als er in je omgeving dag in dag uit getornd wordt aan wat voor jou basisregels zijn, dan gaat algauw je hele vitrinekast vol opgeblonken normen en waarden tegen de grond. En dan pluk je van tussen de scherven die regels die echt het meest waardevol zijn en die de val hebben overleefd. Vriendelijk zijn voor anderen. Helpen als je kan. Grenzen stellen. Voldoende slapen.  

Daarom is het dat je met een even groot hart kan blijven houden van een zwangere vriendin wanneer ze een sigaret opsteekt, hoewel ze daarvoor in je land van herkomst aan het kruis genageld zou worden. Want ze heeft haar redenen en je hebt geleerd dat al dat oordelen over anderen niet helpt.

Daarom is het dat je nooit helemaal zal integreren, want je blijft halsstarrig weigeren je kind mee te nemen naar late feestjes, en blijft dan noodgedwongen zelf ook maar thuis. Maar dat heb je ervoor over want de slaap van kinderen is belangrijk, altijd en overal.

En daarom zal je nooit meer helemaal in je thuisland passen, want er zijn regels die onherroepelijk beschadigd zijn, en daar kan je je met alle lieve wil van de wereld niet meer naar plooien.

Het voordeel van dat hele proces is dat er veel ballast weg is.

Het nadeel is, denk ik, dat gevoel van tussen twee stoelen te vallen.

Maar da´s misschien een goede plaats voor een meditatiekussentje.

 

 

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.