Waarom de Nederlanders anders zijn (1): water

Dat Nederlanders iets hebben met water leerde ik zo´n dertig jaar geleden uit het Suske & Wiske-album “Het Delta Duel“. Maar hoe zwaar dat duel met het water was en hoe verstrekkend de gevolgen heb ik nooit echt begrepen. Volgens “The Dutch are different” is de relatie die Nederlanders hebben met water echter de basis van vrijwel alles wat Nederlands is. De naam alleen al zegt het natuurlijk: de Neder-Landen, de Lage Landen, ze liggen lager dan de zee, en dat is een positie die heel wat spanning met zich meebrengt.

Maar ook heel wat vechtlust. Het Nederlandse volk dwong de zee terug, wat een bijna bovenmenselijke prestatie is. Met dijken en molens en allerlei vernuftige sluissystemen wonnen ze land van het water. Daardoor is in Nederland het idee van maakbaarheid sterk ingeburgerd geraakt. Als je iets wil, dan kan je het bereiken, zolang je maar je koppie gebruikt en voldoende ondernemingszin toont. Geen wonder dus dat Nederland een land van ondernemers is. Het zijn immers de skills van het ondernemen die hen het land gebracht hebben waarop ze wonen.

Het gevecht tegen de getijden is echter nooit volledig voorbij. Je moet steeds op je hoede blijven, want de kleinste nonchalance kan rampzalige gevolgen hebben. Dat werd de Nederlanders zwaar ingewreven tijdens de Watersnood van 1953, toen een combinatie van storm en springtij de dijken deed breken en bijna tweeduizend mensen verdronken. En zo leerden Nederlanders the hard way dat het belangrijk is je zaken in orde te hebben. De straten schoon, de hagen gesnoeid, en de gordijnloze ramen gelapt zodat iedereen vanop straat kan zien dat ook binnenin je huis alles netjes in orde is. Dat alles onder controle is en iedereen veilig.

Belgen hebben dat, in mijn ervaring, een pak minder. Belgen voelen zich goed in de chaos, nestelen zich in de rommel, maken van wanorde desnoods een soort fashion-statement. Belgen verzamelen, hamsteren, stapelen boeken op tot aan het plafond, en hangen twee lagen gordijnen op zodat de buitenwereld niet kan zien wat voor storm er daarbinnen woedt. En ze kunnen zich dat permitteren, want buiten de deur hebben ze geen storm te vrezen.

Waarom de Nederlanders anders zijn: inleiding

In een winkel met tweedehandsboeken kwam ik deze intrigerende titel tegen: “Why The Dutch Are Different“. Nu heb ik nooit echt het gevoel gehad dat mijn Nederlandse vrienden erg anders zijn, maar de inhoudsopgave leek een boeiende duik in de Nederlandse geschiedenis en cultuur te voorspellen, en dat voor een luttele 2 euro -of zoals ze dat in Nederland zeggen: voor een prikje. Dus nam ik het boek mee naar huis.

De auteur, Ben Coates, is een Brit die zijn hart verloor aan een Rotterdamse en dus om de mooiste aller redenen zijn thuisland verliet om zich onder de zeespiegel te gaan vestigen. Britse boeken over buitenlanders zijn, in mijn ervaring, vaak erg karikaturaal, maar ik was aangenaam verrast te ontdekken dat Coates zich daar ver van houdt. Integendeel, hij heeft zijn huiswerk gemaakt en zich met toewijding gestort op het uitpluizen van de Nederlandse geschiedenis en het ontrafelen van de volksgeest. Dat is althans mijn indruk na het lezen van het eerste hoofdstuk.

Ik heb alvast heel wat opgestoken over waarom Nederlanders zijn hoe ze zijn (of doen wat ze doen), en denk zelfs ontdekt te hebben waarom ik het verschil niet zag. Ik ben namelijk opgegroeid met het verschil, want mijn grootvader aan moeders kant was half Nederlands. Tijdens het lezen dacht ik plots: misschien is er wel een reden waarom de bloemperken van het grootouderlijk huis met Nederlandse invloed er altijd zo verzorgd bijlagen, waarom het huis zo open en ordelijk was. Waarom het zo anders was dan het huis van mijn volledig Belgische grootouders, met de konijnenkoten in de hof en de friteuse in de garage. En zo kreeg ik het gevoel dat ik meteen ook een stukje van mezelf aan het ontdekken was.

Deze ontdekkingsreis wil ik graag met jullie delen. Want ik weet dat er hier ook Nederlanders uit Nederland komen lezen, en Belgen die in Nederland wonen, en Nederlanders die in België wonen. En zelfs voor de Belgen in België is Nederland nooit ver weg. Het lijkt me dus erg boeiend om jullie commentaren op de thema´s van dit boek te horen.

Er zijn zeven hoofdstukken, dus wordt dit een reeksje in zeven delen, plus deze inleiding.

Tot gauw 🙂

Regels

Zeer inspirerende posts over regels gelezen (hier en hier), en aangezien dat iets is wat ik ook al een tijdje van plan was, spring ik maar eens mee op de kar. Al was mijn uitgangspunt aanvankelijk hoe blij ik altijd ben als ik mijn regels doorkrijg, aangezien dat betekent dat de komende negen maanden mijn nachtrust relatief gewaarborgd is. Maar dat is dus niet het soort regels waar het in die andere blogs over gaat, en ook niet waar ik het hier over ga hebben, wees gerust.

Ik heb erover zitten nadenken, welke regels er gelden hier in huis, en in mijn hoofd. En ik ben tot de conclusie gekomen dat ik sinds die verhuis naar Spanje negen jaar geleden zeer, zeer, zeer veel regels overboord heb gegooid /moeten gooien. Want alles wat thuis in het Belgenlandje zo vanzelfsprekend was, bleek dat hier dus niet te zijn. Echt de meest basic dingen. Bijvoorbeeld:

  • drie maaltijden per dag: ontbijt, middagmaal, avondmaal (nee hoor, vijf keer eten per dag)
  • op het openbaar vervoer moet ge zachtjes praten (haha, komaan gij)
  • kleine kinderen moeten voor tien uur in bed  (als ze moe zijn vallen ze vanzelf wel in slaap)
  • werk moet altijd perfect afgeleverd worden (wees maar gewoon blij dat het af is)
  • werk moet altijd op tijd afgeleverd worden (morgen is er nog een dag)
  • ongeveer 15 centimeter personal space (en het menselijk contact dan?)
  • ´s nachts op straat stil zijn (wie wil slapen moet maar oorstopkes indoen)
  • ge moet uzelf leren redden (jamaar, waar zijn uw familie / vrienden / buren / de kapster / de ouders van de vriendjes van uw dochter / de madam van de papelería en haar man/… dan voor?)
  • ge moet werk hebben (allez jong, bijna niemand heeft hier werk. als ge maar eten hebt.)

Als er in je omgeving dag in dag uit getornd wordt aan wat voor jou basisregels zijn, dan gaat algauw je hele vitrinekast vol opgeblonken normen en waarden tegen de grond. En dan pluk je van tussen de scherven die regels die echt het meest waardevol zijn en die de val hebben overleefd. Vriendelijk zijn voor anderen. Helpen als je kan. Grenzen stellen. Voldoende slapen.  

Daarom is het dat je met een even groot hart kan blijven houden van een zwangere vriendin wanneer ze een sigaret opsteekt, hoewel ze daarvoor in je land van herkomst aan het kruis genageld zou worden. Want ze heeft haar redenen en je hebt geleerd dat al dat oordelen over anderen niet helpt.

Daarom is het dat je nooit helemaal zal integreren, want je blijft halsstarrig weigeren je kind mee te nemen naar late feestjes, en blijft dan noodgedwongen zelf ook maar thuis. Maar dat heb je ervoor over want de slaap van kinderen is belangrijk, altijd en overal.

En daarom zal je nooit meer helemaal in je thuisland passen, want er zijn regels die onherroepelijk beschadigd zijn, en daar kan je je met alle lieve wil van de wereld niet meer naar plooien.

Het voordeel van dat hele proces is dat er veel ballast weg is.

Het nadeel is, denk ik, dat gevoel van tussen twee stoelen te vallen.

Maar da´s misschien een goede plaats voor een meditatiekussentje.

 

 

 

Beknopte kroniek van een spirituele evolutie

In deze post ben ik een belangrijk boek vergeten te vermelden, en dat wil ik hierbij rechtzetten. Maar in plaats van het er gewoon bij te plakken, ga ik er een volledige nieuwe blogpost aan wijden.

Om het in zijn context te plaatsen, moet ik het echter eerst over iets anders hebben. Namelijk over religie. En een lied.

Religie dus.

In de jaren ´80 in Vlaanderen betekende dat op school van die liedjes zingen over hoe de wereld een toverbal is, en dat je elkaar 490 maal moet vergeven. Mijn moeder wou ons ook een beetje vaker in de mis krijgen dan alleen met kerst en pasen, en motiveerde ons daartoe door ons in te schrijven als misdienaars. Want een eucharistieviering wordt toch iets interessanter wanneer je af en toe van je stoel mag komen en met belletjes mag rinkelen enzo.

Dat had allemaal wel zijn charme, maar een diep katholiek geloof is daar niet uit voortgekomen. Later heb ik Jezus als historisch figuur wel leren appreciëren om zijn revolutionaire ideeën, maar dan eerder als een soort pacifistische Che Guevara.

Toen ik een jaar of zeventien was, kwam het boeddhisme op mijn pad. Ik las Lama Surya Das en de autobiografie van de Dalai Lama, bezocht het boeddhistisch centrum in Schoten, maakte mijn eindejaarsopdracht voor godsdienst over de Boeddha. Het was zo´n kleurrijke, rustgevende, vriendelijke wereld. Achteraf gezien denk ik dat ik vooral van die boeddhistische leer veel meegenomen heb. Maar ik had teveel moeite met bepaalde theoretische en transcendente aspecten om mezelf in volle overtuiging een boeddhist te durven noemen.

Toen trouwde ik, en werd zwanger, en daarna moeder, en daarmee zakte ik met mijn beide voeten in het zuigende moeras van onze ware natuur. Dat dierlijke, dat vergankelijke, dat volle leven en die lonkende dood. Die jaren en ervaringen toonden me iets waar ik in religieuze filosofieën zeer weinig over terugvond (*). Waar ik me toen wel in kon vinden, waren boeken geschreven door psychologen en primatologen, die me uitlegden waar we vandaan kwamen, waarom we seks hadden en met wie, hoe we het beste voor onze kinderen konden zorgen en waarom. Ons lijf, het leven en het doorgeven. Dat was zo belangrijk, zo basic. Voor het spirituele was er in die tijd erg weinig plaats. Alles draaide om zorgen, slaapgebrek overleven en die oerliefde voelen. Het was ploeteren, leven en doorgaan, en voor andere dingen was er gewoonweg geen energie.

Ergens rond die tijd kwam me per toeval “Imagine” van John Lennon weer ter ore, en dacht ik: kijk, dat is alle religie die een mens nodig heeft. Als iedereen dat lied als leidraad zou gebruiken, dan zou het rap in orde komen met de wereld. Het was een soort spirituele simplificatie die me als jonge, overwerkte, back-to-basics moeder erg goed uitkwam –en waar ik eigenlijk nog altijd achter sta.

Maar toen kwam er een boekje op mijn pad dat me zodanig raakte, dat ik toch weer aarzelend begon na te denken over die spirituele krachten, die boven het moeras zweven en ons uit het drijfzand houden. En dat was The Prophet (De profeet) van Kahlil Gibran, een Libanees-Amerikaanse schrijver en dichter. Het is een boekje dat in de hippiebeweging van de jaren ´60 veel weerklank vond, en waaruit nog steeds geciteerd wordt.

En dat doe ik nu ook. Ik lees er soms zelfs hardop uit voor. Want het klinkt zo mooi, als je het hoort, het biedt zoveel troost en schoonheid. En het raakt je ergens in je ziel.

Een lichtje boven het moeras.

Sindsdien noem ik mezelf een Gibran-Lennonist, als ik mezelf iets moet noemen op dat vlak. Als er zo nog zijn, mogen ze zich hierbij bekend maken. Kunnen we eens een reünie houden: voorlezen uit “The Prophet” en met de gitaar erbij “Imagine” zingen. Hm. Dat zou nog best eens gezellig kunnen worden.

 

(*) Ik weet wel dat Siddharta Gautama zo geschokt was door ziekte, verval en de dood toen hij die uiteindelijk onder ogen kreeg, maar uiteindelijk was dat toch altijd een tamelijk… ik weet het niet… mannelijke kijk op de zaak. Waardevol, uiteraard, maar toch een beetje eenzijdig.

 

 

 

Waarom we middenin een sprookje stokten

Begrijp me niet verkeerd: ik ben een geweldige fan van Annie M. G. Schmidt.

Ik vermoed dat zo´n tachtig procent van mijn dochter´s kennis van het Nederlands te danken is aan haar verhalen. Jip en Janneke hebben we drie keer van voor naar achter en terug gelezen, Pluk van de Petteflet twee keer integraal en daarna geregeld het verzoeknummer “Grote mensen spelen”, en ook met Otje hebben we veel plezier gehad.

Bovendien is Minoes, het boek over de kat die in een juffrouw verandert, mijn favoriete boek aller tijden. Ik las het voor het eerst toen ik zes was, heb er mijn eigen kat naar genoemd, en toen de film uitkwam en niemand mee wou, ben ik hem helemaal in mijn eentje gaan zien. Het was het eerste boek dat ik aan Elena voorlas toen ze nog een baby was. Ze verstond er natuurlijk niks van, maar lag naast mij gefascineerd naar de pagina´s te kijken terwijl ik mij amuseerde met de dialecten die ik de verschillende katten gaf.

Kortom: Annie M. G. Schmidt neemt een belangrijke, welverdiende plaats in mijn literair geheugen in.

Maar halverwege “Allemaal sprookjes” ging het mis. In het verhaal “Het luciferdoosje” maakten we kennis met Gijsbert, een aanvankelijk sympathiek uitziende jongeman die op het sterfbed van zijn vader de eigenaar werd van een bijzonder luciferdoosje. Alles wat hij zag, kon hij in dit doosje laten verdwijnen via het simpele bevel “D´r in!” en het later weer tevoorschijn toveren met de iets minder voor de hand liggende uiting “Psssst!”

Dat Gijsbert zich op deze manier een gans huis toeëigende, konden we hem nog vergeven, want blijkbaar was het een kantoorgebouw en waren de werknemers bijzonder uitgelaten toen ze merkten dat hun werkplek verdwenen was. Gijsbert zette zijn illegaal verworven vastgoed op een mooi plekje aan de rivier en ging naar de markt om daar eten te gaan stelen van nietsvermoedende marktkramers. Toen hij bij de drogist een zakje drop ging halen, werd hij op slag verliefd op het meisje dat achter de toonbank stond. Ongetwijfeld aangemoedigd door de instant-behoeftebevrediging van de laatste dagen, vroeg hij haar meteen of ze met hem wilde trouwen. Liesje (want dat was haar naam) zei echter “nee”. En daarop deed Gijsbert iets heel stouts. Hij deed het doosje open en zei: “D´r in.”

Hier begon ik het moeilijk te krijgen. En deelde dat ook luidop mee aan mijn dochter: het meisje had nee gezegd, en daar had die jongen naar moeten luisteren. Met een bedenkelijke frons las ik verder, maar het kwam niet meer goed:

Daar ging Liesje naar binnen en hij nam haar mee naar zijn huis, opende het doosje en zei: ´Pssst.´

Ze kwam er woedend uit en riep: ´Laat me gaan of ik roep de politie´.

´Kom nou, wat onaardig van je,´(*) zei Gijsbert. ´Kijk eens wat een mooi uitzicht we hier hebben. En er zijn zeven schrijfmachines in dit huis.´

´Dat verandert de zaak,´zei Liesje. ´Ik ben dol op schrijfmachines. Mag ik op allemaal tikken?´(**)

´Net zoveel als je wilt,´zei Gijsbert. ´Wanneer je tenminste klaar bent met het huishouden,´voegde hij er haastig aan toe.

Say whaaaat?

Hier volgde een kort pedagogisch gesprek over rolpatronen, waarop mijn dochter zelf concludeerde dat ze liever een ander sprookje wou horen. Trots op mijn dochter. En opgelucht dat ik haar het vervolg (“Liesje veegde de vloer, poetste zijn schoenen en ging toen zitten tikken”) kon besparen.

Mijn waardering voor Annie M.G. Schmidt is hier ongeschonden doorgekomen. Ik weet dat het meer met de tijdsgeest dan met de schrijfster te maken heeft. Maar dit komt uit een boek dat heruitgegeven werd in 2012. Beetje op onze hoede blijven dus. De machismo-meter nog niet uit het stopcontact trekken.

 

 

(*) Aja, want meisjes moeten altijd aardig zijn, ook al zijn ze net gekidnapt.

(**) Als je maar spullen kan aanbieden zal een vrouw wel voor je vallen, nietwaar?

 

 

 

 

 

Bezoek mij in drie minuten

Nu hebben die van het toeritisch bureau van Valencia toch zo ne schone video gemaakt…

Normaal gezien wordt deze stad altijd gepromoot met dat beeld van de Ciutat de les Arts i les Sciències, maar daarstraks liet mijn schoonbroer me een nieuwe video zien, waar die bouwwerken niet eens in voorkomen.

Wat zie je dan wel in de video? Al de rest. Het echte València. Maar op zo´n terloopse, bescheiden manier dat je het amper merkt, en vooral meegenomen wordt in de sfeer, de kleuren, de geluiden. Zoals je in de 20e seconde die zompige grond ziet, of in 1:03 onze typische banda (de lokale fanfare).

Maar het mooiste is natuurlijk dat ze tonen hoe een plek je kan veranderen -ten goede. Misschien daarom dat ik een traantje liet toen ik deze video voor het eerst zag. Omdat dat ook met mij gebeurd is.

Ofwel was het gewoon omdat het eigenlijk een supermelige video is.

Maar oordeelt u vooral zelf:

 

PS: ´t estime is Valenciaans voor ik hou van jou. Wat een leerrijke blog is dit toch aan het worden.

 

 

 

Guide to the Spanish: Only if it ´s enjoyable

“Anyone attempting to understand the Spanish must first of all recognise the fact that they do not consider anything important except total enjoyment.

If it is not enjoyable, it will be ignored.

Capable of finding boundless energy to satisfy this pleasure seeking, their enormous capacity for having fun results in any unexpected form of entertainment taking precedence over everything else.

Which means that they change their minds continually. Planning does not play any part in their lives. All that is predictable about the Spanish is their unpredictability.

When visiting the country you cannot act upon the old dictum “When in Spain do as the Spanish do”, because no-one knows what they will be doing next.” (Xenophobe´s Guide to the Spanish, p 5)

Voor een buitenstaander kan het soms moeilijk te begrijpen zijn waarom men hier stieren loslaat op straat, en er dan en masse rond gaat lopen. Het wordt nog moeilijker te begrijpen wanneer er tijdens die stierenlopen gewonden en zelfs doden vallen, en er een paar maanden later toch weer stierenlopen georganiseerd worden, in dezelfde straten, door dezelfde mensen. Het mechanisme hierachter is echter zeer eenvoudig: stierenlopen zijn opwindend en fun. En Spanjaarden zijn gek op plezier. Dodelijke verwondingen houden hen niet tegen, zo diep zit dat. (Trouwens, hoe groter de kans op bloed en drama, hoe opwindender het ganse spel, en daardoor extra fun.)

Hun onvoorspelbaarheid is voor hen geen reden tot bezorgdheid of irritatie. Integendeel, het maakt het leven hier een pak eenvoudiger, hoe contradictorisch dat ook moge klinken. Want als niemand voorspelbaar is, kan je gerust een paar steken laten vallen zonder dat iemand daar van opkijkt of je erop aanspreekt. Je leert improviseren, leven van dag tot dag, en als je echt niet weet wat je aanmoet met de situatie, dan ga je gewoon iets drinken op een terrasje.

Met veel verbazing horen ze verhalen aan over noorderlingen die in hun agenda kijken wanneer ze een afspraak maken om over twee weken naar de cinema te gaan. Dat moet je hier niet proberen, dat is gewoon onzin.

 

 

 

Guide to the Spanish: Nationalism and Identity

And now for something completely different.

Tijdens de verhuis heb ik dit boekje teruggevonden: Xenophobe´s Guide to the Spanish. Een witty samenvatting van de Spaanse mentaliteit en levensstijl, waaraan ik tijdens de Grote Oversteek (Frankrijk overgestoken) mijn eerste inzichten ontleend heb over het volk wiens gezelschap mij ten deel zou vallen.

Wat een plezier was het om acht jaar later weer in dat boekje te duiken, en de inhoud te toetsen aan de ervaringen die ik hier gedurende die tijd heb opgedaan. Een leuk idee voor een reeksje blogposts, dacht ik. Dus hier gaan we: ik ga uit elk hoofdstuk de leukste stukjes pikken, en er wat commentaar aan toevoegen. Te beginnen met het hoofdstuk over nationalisme en identiteit.

(Opmerking vooraf: wanneer ik het hieronder heb over “Spanjaarden”, dan bedoel ik dat in het algemeen. Uiteraard zijn niet alle Spanjaarden hetzelfde. Dit is een veralgemenende tekst die een globaal idee wil geven en niet al te letterlijk genomen moet worden.)

 

Nationalism

“When nationalism is enjoyable, the Spanish can be nationalistic, as they were with fervour in 1992 when the Olympic Games landed in Barcelona. Never having cared much about athletics, swimming or fencing before, they realized that being cheered on by family and friends for running and jumping was rather gratifying, but when the games moved to Atlanta, not to mention Sydney, they rather lost interest. Too far away to get involved. (…) They will stay glued to they television sets to watch the Oscars if a Spanish film has been nominated, not so much because they want it to win but because it is a great excuse to stay up all night. In Spain days are for siestas and nights are for fiestas. (…)

The Spanish will only be aware of other nationalities if they have visited their country and had a great time. Conversely, they will think little of them if they were bored there.” (p 1, 2)

Het grote geheim achter het algehele contentement van de Spanjaarden is waarschijnlijk dit: dat ze helemaal mee zijn als er iets leuks gebeurt, en dat ze meteen hun interesse verliezen wanneer de dingen fout lopen. Mijn man kan zeer blij zijn als Valencia C. F.  een voetbalmatch wint, maar als ze verliezen, zet hij gewoon de tv uit en gaat iets anders doen.Toen de Spaanse voetbalploeg Europees kampioen werd in 2008, wereldkampioen in 2010 en weer europees kampioen in 2012, waren de Spanjaarden uitzinnig van vreugde en werden er niet te evenaren feesten gebouwd. Toen ze er dit jaar bij de wereldbeker voetbal uitgekickt werden in de achtste finales, haalde iedereen z´n schouders op en ging wat anders doen. Ze zien er gewoon het nut niet van in te blijven zeuren. Je kan veel zeggen over de Spanjaarden, maar klagen en zagen, dat doen ze niet.

Wat nationalisme betreft, kan je bepaalde (vooral jongere) Basken, Catalanen, Valencianen, etc.  wel makkelijk op hun paard krijgen door over nationale politiek te beginnen, maar bij de meeste Valencianen is er op dat vlak niet echt veel strijdvaardigheid te bespeuren. Ze vinden het wel schitterend wanneer je als buitenlander de moeite doet om Valenciaans te leren, en als je het ook nog begint te spreken, dan vallen ze helemaal achterover. Maar ze zouden het nooit of te nimmer van iemand eisen, en ze kijken er geen enkele Castellano-spreker op aan wanneer die geen Valenciaans begrijpt, ook al wonen die hier al hun hele leven.

Identity

“The Spanish are viewed as noisy, having no consideration for others, always late for appointments if they turn up at all, unreliable and never seeming to go to bed except in the afternoons. Worst of all they appear indifferent to complaints, apparently capable of shrugging off any form of criticism. (…)

The Spanish, if they think about it at all which is doubtful, see themselves as totally acceptable people in a world where many are not.” (p 2, 3)

Ze zijn luidruchtig, absoluut, maar het feit dat ze anderen storen met hun lawaai ligt niet zozeer aan een gebrek aan consideratie voor de ander, als wel aan het feit dat ze zich zozeer aan het amuseren zijn dat ze er gewoon niet bij stilstaan dat ze anderen daarmee zouden kunnen storen.

Wat het te laat komen betreft: dat klopt niet helemaal. Kwamen ze maar altijd te laat, dan wist je tenminste wat te verwachten. Het probleem is dat Spanjaarden compleet onvoorspelbaar zijn: soms komen ze vijftien minuten te laat, soms een uur, en net die keer wanneer jij opzettelijk te laat komt omdat je het beu bent altijd op de anderen te moeten wachten, dan is iedereen precies op tijd gearriveerd en zitten ze te wachten op jou.

Spanjaarden zijn ook niet onverschillig tegenover klachten –ze kunnen er gewoon slecht mee om. Ze worden er erg onzeker van. Een fout toegeven betekent immers schuld bekennen, en dat krenkt hun eergevoel. Daarom doen ze alsof het hun niks kan schelen, of steken ze de schuld op externe factoren of op anderen. Hoe dan ook: zich verontschuldigen doen ze zelden en ze vinden het ook behoorlijk vreemd wanneer een ander dat doet.