Maart: How To be An Antiracist (Ibram X Kendi)

(Over het waarom van deze reeks, lees: “Een Afrikaans jaar“.)

Vroeger was er op tv dit spotje voor Heinz ketchup, waarbij een koppel aangeeft dat ze maar één soort ketchup kennen, namelijk de tomatenketchup van Heinz. Als kind begreep ik die spot niet, want ik dacht oprecht dat er maar één soort was. Ik herinner me nog steeds het moment waarop ik in de supermarkt opeens ketchup van andere merken ontdekte.

Dat gevoel van een blikveld dat opengetrokken wordt, kreeg ik tijdens het lezen van dit boek. Wij denken misschien dat we weten wat racisme is, maar er is zo ontzettend veel kennis en nuance die wij over dit onderwerp missen. Alleen al de titels van de hoofdstukken laten zien dat er meer is dan WHITE en BLACK:

DEFINITIONS – DUELING CONSCIOUSNESS – POWER – BIOLOGY – ETHNICITY – BODY – CULTURE – BEHAVIOUR – COLOR – WHITE – BLACK – CLASS – SPACE – GENDER – SEXUALITY – FAILURE – SUCCESS – SURVIVAL

Elk hoofdstuk behandelt een aspect van racisme en wordt gelinkt aan een fase in het levensverhaal van de schrijver, waarbij op chronologische wijze zijn eigen bewustwordingsproces wordt verhaald. Op die manier koppelt Kendu de theorie aan de praktijk, wat voor een goede afwisseling zorgt tussen abstracte diepgang en concrete inleving.

Er staan zoveel nuttige inzichten in dat ik maar bleef onderlijnen. Maar het basisinzicht is dit:

“My research kept pointing me to the same answer: The source of racist ideas was not ignorance and hate, but self-interest.”

Kendu beschrijft doorheen het boek hoe beleidsmakers vanuit eigenbelang (en dat begon dus met de slavenhandel) een racistisch bestuur opzetten, en dan racistische ideeën verspreidden om dat beleid goed te praten. Die racistische ideeën werden uit onwetendheid opgepikt, en zo ontstond haat, waardoor racistische regelgevingen die ongelijkheid in de hand werkten niet op de korrel werden genomen.

Nog een aantal inzichten die dit boek me bracht:

*er is geen biologische basis voor een onderverdeling van mensen in rassen, dus rassen bestaan niet. Maar racisme bestaat wel. Racisme betekent dat er mensen zijn die geloven dat er verschillende rassen bestaan, en dat sommigen inferieur zijn aan anderen. Daarom helpt het niet te zeggen dat je “kleurenblind” bent, want daarmee pak je racisme niet aan. Want ook al zijn rassen niet echt, de gevolgen van racisme zijn wel echt.

*als je racisme wil aanpakken, helpt het ook niet dat je zegt dat je niet racistisch bent. Een opmerking, idee of beleidsvoorstel is ofwel racistisch (zorgt voor ongelijkheid tussen de zogenaamde rassen) of antiracistisch (zorgt voor gelijkheid tussen de zogenaamde rassen). Je moet dus een keuze maken: voor of tegen.

*Ieder van ons zegt wel eens racistische dingen, maar dat maakt ons nog geen racist. We moeten leren wat racisme precies inhoudt en altijd blijven nadenken over wat de antiracistische optie is. Maar als we vervallen in neutraliteit of passiviteit werken we racisme in de hand.

*Alles begint bij beleid. Als we racisme de wereld uit willen helpen, volstaat het niet te blijven roepen dat Wit en Zwart gelijk zijn. Zolang het beleid niet nauwkeurig onder de loep genomen wordt, zal racisme blijven bestaan.

*Je kan geen antiracist zijn zonder feminist te zijn, en vice versa. Je kan geen antiracist zijn zonder te ijveren voor gelijke rechten voor de LGBTQ-gemeenschap, en vice versa. Je kan geen antiracist zijn zonder bezorgd te zijn over de opwarming van het klimaat, en vice versa. Alles is met elkaar verbonden.

Kortom, dit is een boek dat je toekomstige discussies over onderwerpen van maatschappelijk belang diepgang en nuance kan geven. Ik kan geen redenen bedenken om het niet te lezen.

Het Boek (6): duimen

Ik heb nog twee hoofdstukken te schrijven, en dan is het af…

Ondertussen heb ik al een pakketje klaar om naar uitgevers te sturen:

  • een brief waarin ik mezelf voorstel
  • een “schrijvers-CV”
  • een bundel met de synopsis van het boek en de eerste zes hoofdstukken

Dat eerste pakketje heb ik vanmorgen op de post gedaan, richting Standaard Uitgeverij. En zo meteen stuur ik er een per mail naar uitgeverij Vrijdag. Want het duurt altijd een paar weken vooraleer je een antwoord krijgt, en ondertussen kan ik dan het manuscript afwerken. (En ook: dan moet ik het wel afwerken.)

Dus wie wil duimen, mag dat vanaf nu beginnen doen 🙂

Januari: The Underground Railroad (Colson Whitehead)

Ja mannekes, dit boek…

Ik wilde het aanvankelijk niet lezen, uit angst dat ik er teveel van overstuur zou raken (wat ook gebeurd is), maar ik ben blij dat ik het toch gelezen heb.

Whitehead katapulteert je genadeloos vanaf de eerste bladzijden in de horror die de geschiedenis uitmaakt van elke Amerikaan met Afrikaanse roots -een nachtmerrie waarvoor onze Europese voorvaderen verantwoordelijk waren. Dat alleen al was voor mij voldoende reden om de rit aan te vatten en uit te zitten.

De gruwel die beschreven wordt, is jammer genoeg niet fictief; de schrijver heeft zich gebaseerd op historische bronnen. Dat geeft het boek een impact die je hele referentiekader aan het wankelen brengt, maar daarover zal ik misschien later een aparte blogpost schrijven. Eerst de boekbespreking.

Het is echt een Goed Boek -veel meer dan enkel een rondleiding door het martelmuseum van de slavernij. De taal is uitgekiend en efficiënt (zoals ik het graag heb), het hoofdpersonage zowel krachtig als kwetsbaar, de opbouw strak en logisch. Het verhaal leest als een trein. En dat brengt ons bij het thema: de ondergrondse spoorweg.

De term “underground railroad” is een Amerikaans begrip dat verwijst naar een netwerk van geheime routes en onderduikadressen, waarlangs weggelopen slaven uit het zuiden konden ontsnappen naar het noorden. Toen Whitehead als kleine jongen over de “underground railroad” hoorde, stelde hij die zich aanvankelijk voor als een echte ondergrondse spoorweg. En dat idee heeft hij voor het boek gebruikt: zijn heldin Cora ontsnapt uit een katoenplantage in Georgia, en komt via deze fictieve spoorlijn via opeenvolgende stations in verschillende staten terecht. Elk van die staten staat symbool voor een bepaalde fase in de Grote Oorlog tussen zwart en wit. Dat spectrum maakt van dit boek de perfecte inleiding tot het drama van de slavernij. Bovendien fungeert het als canvas voor een uitgebreide reeks personages (de weggelopen slaaf, de blanke die zijn leven riskeert om zwarten te helpen, de slavenvanger, de hoogopgeleide mulat, de blanke arts die op zwarten experimenteert,… ) die het verhaal extra diepgang geven.

Ik wilde schrijvers met Afrikaanse roots lezen om meer over racisme te weten te komen. Wel, een meer beklijvend compendium had ik me niet kunnen wensen. Het fantastische element in combinatie met de zware, historische achtergrond, met daarbovenop de beklijvende saus van het kat-en-muisspel tussen runaway en slavenvanger werkt perfect. Bovendien voel je dat dit boek lijnen uitwerpt naar zowel het verleden, het heden als de toekomst. Maar je moet er wel de horror bijnemen, dus ik zou het niet aanraden aan lezers die er wakker van liggen wanneer er iemand in een boek levend verbrand wordt.

Om in schoonheid te eindigen, wil ik Elijah Lander, een van de nevenpersonages in het boek te citeren. Als zoon van een blanke vader en Afrikaanse moeder zegt hij: “I´m what the botanists call a hybrid. (..) A mixture of two different families. In flowers, such a concoction pleases the eye. When that amalgamation takes its shape in flesh and blood, some take great offense. In this room we recognize it for what it is -a new beauty come into the world, and it is in bloom all around us.”

November: White Teeth (Zadie Smith)

(Over het waarom van deze reeks, lees: Een Afrikaans jaar. Maar ik denk dat ik om de twee maanden ga posten. Een boek per maand lukt me kennelijk niet, omdat ik ondertussen ook nog in een aantal non-fictie boeken bezig ben.)

Dit boek was op zijn minst een unieke leeservaring. Ik heb immers nooit eerder meer dan 500 bladzijden lang zitten denken “wat vind ik nu eigenlijk van dit boek?” Zadie Smith heeft me namelijk heel erg heen en weer geslingerd. Maar uiteindelijk, na weken van wikken en wegen, denk ik dat ik er de vinger op kan leggen. En die conclusie krijgen jullie hier.

Dat Zadie Smith talent heeft, staat vast. Ze was 25 jaar toen ze dit boek schreef, en dat besef doet geregeld je mond openzakken. Welke 25-jarige schrijft bijvoorbeeld zaken als dit:

“People who live on solid ground, underneath safe skies, know nothing of this; they are like the English POWs in Dresden who continued to pour tea and dress for dinner, even as the alarms went off, even as the city became a towering ball of fire. Born of a green and pleasant land, a temperate land, the English have a basic inability to conceive of disaster, even when it is man-made. It is different for the people of Bangladesh, formerly East Pakistan, formerly India, formerly Bengal. They live under the invisible finger of random disaster, of flood and cyclone, hurricane and mud-slide.” (p 210-211)

Ze schrijft over joden en Jamaicanen, Britten en Bengali´s, moslims en getuigen van Jehova. Ze schrijft over de Tweede Wereldoorlog, de Indiase Onafhankelijkheidsoorlog, en Hollywoodiaanse gangsterfilms. Over afro-kapperszaken en genetische manipulatie. En nergens komt ze over als een twintiger die nog te weinig ervaring heeft met de wereld om te weten waarover ze schrijft. Dat is ontzettend knap.

Een tweede pluim op Smiths hoed is haar schrijfstijl: die is om van te smullen. Zinnen als “In cupboards and neglected drawers and in grimy frames were the secrets that had been hoarded for so long, as if secrets were going out of fashion.” (p399) Dat lees ik graag.

En ze is ook echt grappig. Het absolute hoogtepunt vond ik wat dat betreft de naam die ze verzon voor een extremistisch ingestelde moslimbeweging:

“I am from the Kilburn branch of the Keepers of the Eternal and Victorious Islamic Nation,” said Hifan proudly. Irie inhaled. “Keepers of the Eternal and Victorious Islamic Nation,” repeated Millat, impressed. “That´s a wicked name. It´s got a wicked kung-fu kick-arse sound to it.”

Irie frowned. “KEVIN?”

“We are aware,” said Hifan solemny, (…) “that we have an acronym problem.” (p295)

Dus tot daartoe alles dik in orde. Maar wat bleef er dan hoofdstuk na hoofdstuk knagen?

Ten eerste kon ik de karikaturale manier waarop de personages neergezet werden moeilijk rijmen met de vaak zware thematiek (migratie, ontworteling). Dat haalde voor mij vaak het verhaal onderuit. Zo wordt een tweeling uit elkaar gehaald -één van de jongens wordt weer naar Bangladesh gestuurd, terwijl de andere in Engeland blijft. Op zich een rijke voedingsbodem voor een diepgaand verhaal, maar het voornaamste wat Smith ermee doet, is er een pointe voor een grap van maken: de jongen die in Engeland blijft, groeit op tot toegewijde moslim; de jongen die naar Bangladesh gestuurd wordt, ontpopt zich daar tot een fanaat van de westerse wetenschap.

En daar zit hem, naar mijn aanvoelen, de zwakte: het gebrek aan diepgang en verhaal. Op vrijwel elke pagina zijn weliswaar interessante observaties te vinden, maar het verhaal zelf gaat eigenlijk nergens naartoe, en de personages breken op geen enkel moment door het karikaturale. Er zijn ongeveer tien hoofdpersonages, en geen van hen maakt ook maar iets van een proces door. Sommige personages komen ook pas erg laat in het boek opdagen -we zijn al drie kwart ver wanneer het Brits-joodse echtpaar Chalfen hun opwachting maakt. Alweer een stel hilarische, en zeer slim uitgetekende personages, dat wel. Maar opnieuw: karikaturen.

En toen viel mijn frank, toen ik die geweldige beschrijving van Joyce Chalfen las, de westerse middle class dame, die denkt dat de minderheden gered moeten worden en die achter alles een childhood trauma vermoedt: dit boek is een inventaris. Een beeldend lijstje van alle zotte figuren die Zadie Smith is tegengekomen tijdens haar jeugd in Engeland. Een parodie op de Britse populatie. Jamaicaanse grootjes, Indiase kelners, migrantenkinderen tussen twee culturen, kleurloze Britten, dierenrechtenactivisten. (Die laatsten maken pas in het allerlaatste deel hun opwachting. Dat bracht me ook weer uit de lezersbalans: ben je aan het graviteren naar de plot, en dan wordt er opeens een stel nieuwe personages in je schoot gedropt die je pagina´s lang bezighouden.)

Ik heb het gevoel dat Smith in haar jeugdig enthousiasme één ding vergeten heeft: keuzes maken. Uit dit boek kan je makkelijk een boek of vijf destilleren: een parodie op multicultureel Groot-Brittannië, een migrantenepos, een wetenschap versus religie roman, een gescheiden tweelingen-verhaal, een familiegeschiedenis. En je zal vast een paar van die genres kunnen mixen, maar allemaal? Het bewijs dat die opzet niet geslaagd is, ligt voor mij in de plot. Daar wordt duidelijk naartoe gewerkt: in de laatste hoofdstukken zijn alle personages op weg naar hetzelfde event. Maar de ontrafeling van de plot was voor mij niet de “surprising denouement” die de flaptekst beloofde. Ik vond het zelfs een bijzonder zwakke plot. Ik zag er de zin niet van in. Er kan waarschijnlijk vanalles achter gezocht en gevonden worden, want als je je eenmaal aan het interpreteren zet, dan zal je in een verhaal als dit, met zoveel thema´s en karakters, altijd wel een stel verbindingen kunnen maken (zoals de manier waarop de schrijfster in bijna elk hoofdstuk naar tanden verwijst -associaties die op den duur meer op een circustruukje gaan lijken dan dat ze echt een betekenis hebben.) (En als ik veel woorden cursief zet, dan is dat omdat ik dat van Zadie Smith zelf geleerd heb.)

Enfin, ik begrijp waarom sommige mensen dit een fantastisch boek vinden, en ik begrijp ook waarom anderen in dit boek geen twintig bladzijden ver geraken. Als je iets grappigs, intelligents en entertainends wil, dan is dit vast een goed boek voor jou. Als je een verhaal met diepgang wil lezen, en iets dat vooruit gaat, dan zou ik er niet aan beginnen.

De Boekenbeurs en het slechte voorbeeld

Ik las op de nieuwssite van de vrt hoe ze de Boekenbeurs dit jaar hebben aangepakt, en uiteraard heb ik niets tegen het concept van auteurs en illustratoren interviewen en dat online uitzenden, maar hier werd ik ambetant van:

11 dagen lang ontving Tom De Cock 378 auteurs, illustratoren en vertalers. Dat leverde maar liefst 342 interviews op, goed voor 86 uur aan video’s op VRT NU.

11 dagen vol interviews waren enkel mogelijk dankzij de 11 thermossen muntthee met veel suiker. Om zich door 342 interviews heen te slaan, deed Tom een beroep op 22 energy drinks.

Ziedaar, een subtiel staaltje verheerlijking van de hardwerkende martelaar. Want dit is de boodschap: Tom De Cock is elf dagen lang over zijn grenzen gegaan (anders heb je geen “energy drinks” nodig) om belachelijk veel werk te verzetten, en dat horen wij bewonderenswaardig te vinden.

Persoonlijk vind ik het behoorlijk verontrustend dat dit soort boodschappen nog steeds in de Vlaamse media verspreid wordt. Hebben ze in Vlaanderen nog niet genoeg burn-outs te verwerken? En voelen zij die daaraan tenonder gaan zich nog niet schuldig genoeg? Ik vraag het mij maar af, he.

Een gezonde reactie op bovenstaande informatie lijkt mij: waarom hebben ze dat werk niet gewoon door twee of drie mensen laten doen? Dan waren al die energie-drankjes niet nodig geweest, hadden meer mensen werk gehad, en had mijnheer De Cock het wat rustiger aan kunnen doen.

Want dit is niet stoer. Dit is gewoon dom.

September: Letter To My Daughter (Maya Angelou)

(Jaa, september. Blogpost die ik maar niet afgewerkt kreeg.)

(Over het waarom van deze reeks, lees “Een Afrikaans jaar“.)

Maya Angelou had geen dochter; ze had een zoon. Maar, zo schrijft ze in de inleiding, dit boek draagt ze op aan haar duizenden dochters over de hele wereld, ongeacht hun huidskleur of religieuze strekking. In 28 korte brieven vertelt ze over de levenservaringen die het meeste impact hebben gehad op haar morele en emotionele ontwikkeling.

Sommige verhalen zijn pakkend, andere zijn grappig, allemaal dragen ze wijsheid in zich. Het is trouwens niet alleen aan te raden literatuur voor dochters; zonen zullen hier evengoed iets aan hebben. Want elk verhaal stemt tot nadenken, of je het nu met haar eens bent of niet, en dat alleen al lijkt me waardevol.

Een van mijn favoriete stukjes is Porgy and Bess, waarin ze beschrijft hoe ze, na een Europese tour met een musicalgezelschap, terugkeert naar Amerika, en daar een inzinking krijgt. Ze zoekt hulp bij haar stemcoach, Frederick Wilkerson. Die brengt haar een yellow pad en een pen, en draagt haar op haar zegeningen neer te schrijven. Wanneer ze zegt dat ze daar geen zin in heeft, dat ze voelt dat ze gek aan het worden is, zegt hij: denk aan alle mensen die doof zijn. Die symfonieën noch het gehuil van hun eigen baby´s kunnen horen. Schrijf op: ik kan horen -dank u, God. En nu denk je aan iedereen die niet kan zien. En aan iedereen die niet kan lezen…

Tegen de tijd dat ze de hele pagina volgeschreven heeft, is de waanzin verdwenen.

Dit zijn de laatste paragrafen van dat verhaal, tevens een gepaste afsluiter voor deze post:

That incident took place over fifty years ago. I have written some twenty-five books, maybe fifty articles, poems, plays and speeches all using ballpoint pens and writing on yellow pads.

When I decide to write anything, I get caught up in my insecurity despite the prior accolades. I think, uh, uh, now they will know I am a charlatan that I really cannot write and write really well. I am almost undone, then I pull out a yellow pad and as I approach the clean page, I think of how blessed I am.

The ship of my life may or may not be sailing on calm and amiable seas. The challenging days of my existence may or may not be bright and promising. Stormy or sunny days, glorious or lonely nights, I maintain an attitude of gratitude. If I insist on being pessimistic, there is always tomorrow. Today I am blessed.

Ondertussen: Kattebelletjes

Gisteren werd het tachtigste exemplaar van het boek “Kattebelletjes” verkocht. Hoe tof is dat!

Voor wie hier nog niet zo lang meeleest: in januari maakte ik een bundel van de blogposts die ik het meest entertainend en het meest waardevol vond, en gaf ze uit in eigen beheer -kwestie van eens te peilen hoe diep het water was.

Ik koos voor een Nederlandse drukkerij, omdat zij het boek zonder extra kosten te koop aanbieden op hun website en ook de verzendingen regelen -dat zelf doen vanuit Spanje is nogal onpraktisch en duur, en ik mis de kennis om zelf via internet te verkopen. Het enige nadeel was dat de verzendkosten vanuit Nederland erg hoog liggen voor België (6.95 euro). Dus zette ik de prijs voor het boekje zo laag mogelijk (8.95 euro), waardoor het in totaal 16 euro kost als je het vanuit België bestelt. (Als je er meer tegelijk koopt, komt het voordeliger uit, want de verzendkosten blijven -tot onder een bepaald gewicht, veronderstel ik- dezelfde.)

Ik heb er heel fijne reacties op gekregen, en dat was echt heerlijk. Er was zelfs iemand bij die schreef dat ze na het lezen van een van de stukjes in het boek (dit) zichzelf over haar drempelvrees voor klerenwinkels heen gezet had, en een nieuwe outfit was gaan kopen. Dat was zo ontroerend… En het is ook altijd mooi om te horen dat mensen hardop hebben moeten lachen tijdens het lezen, of dat ze het jammer vonden dat het boek al uit was. Dan krijg ik het gevoel dat ik toch iets nuttigs doe met mijn schrijverij.

Ook een mooie verrassing was hoe mijn ouders zich tot een waar promoteam ontpopten 🙂

De enige negatieve reactie die ik gekregen heb, was dat het boekje te dun was -wat ik eigenlijk ook een compliment vind. Op basis daarvan heb ik besloten het sprookjesboek (waar ik tussen de bedrijven door ook nog aan bezig ben) nog niet als compleet te beschouwen, maar daar nog wat meer sprookjes bij te schrijven, zodat het wat meer body krijgt.

Maar eerst Het Boek afwerken (daarover schrijf ik gauw meer).

Dankzij die tachtig aankopen heb ik 100 euro verdiend. Dat geld heb ik nog niet laten uitbetalen, het staat op mijn conto bij pumbo (die mij overigens niet sponsoren; deze blog wordt door niemand gesponsord (*)). Moest ik geen uitgever vinden voor Het Boek, dan wil ik dat geld gebruiken om er een ISBN-nummer mee aan te kopen, wanneer ik het in eigen beheer uitgeef. Dat is het idee.

En voor wie ook graag de Kattebelletjes bestelt: dat kan via boekenbestellen.nl (titel: “Kattebelletjes”; auteur: Kathleen Verbiest). De link vind je hier.

Een fijne week gewenst allemaal!

(*) De reclame die je soms te zien krijgt, staat daar omdat ik de gratis versie van wordpress gebruik. Dat is iets wat ik op termijn nog van de baan zou willen krijgen.

Augustus: Dear Ijeawele (Chimamanda Ngozi Adichie)

(Over het waarom van deze reeks, lees: een Afrikaans jaar.)

Eigenlijk was ik begonnen in The Autograph Man van Zadie Smith, maar na een 70-tal pagina´s gaf ik mezelf de toestemming om het op te geven. Want het begon een karwei te worden: de spitsvondige schrijfstijl had teveel gewicht, het verhaal te weinig vaart. Het vroeg om een soort geduld dat ik alleen maar kan opbrengen voor 19-eeuwse schrijvers. Waarmee ik Zadie Smith niet wil afschrijven; ik wil nog steeds White Teeth lezen. Maar als ik na een 70-tal pagina´s niet helemaal mee ben met een boek, leg ik het weg. Het leven is te kort en er zijn te veel andere, interessante boeken om iets te zitten lezen waar je eigenlijk geen zin in hebt.

Toen had ik wel een plan B nodig voor de maand augustus, en dat was snel gevonden: het allerdunste boekje in de kast. Tien op vijftien centimeter, 61 pagina´s, een groot lettertype. Iets wat je heel makkelijk en snel uitgelezen krijgt. Bovendien dacht ik tijdens het lezen de hele tijd: “juist, zo is het! Goed dat dit eens gezegd wordt!” Lekker efficiënt dus. Daar hou ik van.

Het boekje is eigenlijk de uitgave een lange brief die de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie aan haar vriendin Ijeawele schreef. Die laatste had haar gevraagd: hoe voed ik mijn kind op tot feministe? Daarop schreef Chimamanda vijftien suggesties neer (mooi detail: suggesties, geen regels).

Er staan dingen in die misschien vanzelfsprekend klinken, maar die, als je er dieper op doordenkt, nog steeds niet vanzelfsprekend zijn. Zoals:

Your feminist premise should be: I matter. I matter equally. Not “if only”. Not “as long as”. I matter equally. Full stop.

Ik denk dat veel vrouwen en meisjes daar nog steeds heel erg mee worstelen. Dat we denken dat we pas meetellen als we mooi genoeg zijn/ hard genoeg ons best doen. En dat we zelfs dan nog vooral heel dankbaar moeten zijn voor wat ons toegeworpen wordt, in plaats van het te zien als ons recht.

Praktische tips staan er ook in:

And please reject the language of help. Chudi is not “helping” you by caring for his child. He is doing what he should. When we say fathers are “helping”, we are suggesting that child care is a mother´s territory, into which fathers valiantly venture. It is not.

Of deze, ook lekker concreet:

Teach her that if you criticize X in women but do not criticize X in men, then you do not have a problem with X, you have a problem with women. For X please insert words like anger, ambition, loudness, stubbornness, coldness, ruthlessness.

Ook de manier waarop ze klaar en duidelijk zogenaamd feminisme dat eigenlijk geen feminisme is, onderuit haalt, maakt dit boekje de al zo kleine moeite van het lezen waard:

Teach her, too, to question the idea of women as a special species. I once heard an American politician, in his bid to show his support for women, speak of how women should be “revered” and “championed” -a sentiment that is all too common. Tell Chizalum that women actually don´t need to be championed and revered; they just need to be treated as equal human beings.

Met dat idee van vrouwen als een “bijzonder” geslacht dat een soort “verering” moet oproepen, heb ik het ook altijd moeilijk gehad. Want dat zet vrouwen weer in een aparte categorie, terwijl het net de bedoeling is dat we allemaal samenwerken, en ieders kwaliteiten geapprecieerd worden, zowel die van mannen als vrouwen, als zij die hun gender anders definiëren. Het was voor mij een opluchting te lezen dat ik niet de enige ben die er zo over denkt.

En zo kan ik nog wel even doorgaan -eigenlijk zou ik gemakkelijk een bespreking kunnen schrijven die veel langer is dan 61 bladzijden, want dit riep zoveel bij me op. Het is dus waarschijnlijk veel efficiënter als jullie gewoon het boekje zelf lezen 🙂

Juli: If Beale Street Could Talk (James Baldwin)

(Over het waarom van deze reeks, lees: een Afrikaans jaar.)

Dit boek heb ik niet bewust uitgezocht; het stond me in het rek van de boekenwinkel op te wachten. En aangezien het perfect in dit project en mijn budget paste, nam ik het mee.

Al vanaf de eerste bladzijden bleek wat voor een kado het was. Als het Engels je een beetje ligt, raad ik je aan het in de orginele versie te lezen. Het is namelijk geschreven in de ik-persoon en in het Amerikaans dat gepraat werd in het New York van de jaren ´70. Ik heb heelder pagina´s hardop gelezen, gewoon omdat het zo lekker bekte.

Het is met deze reeks niet direct mijn bedoeling enkel te lezen over het onrecht dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap werd aangedaan. Maar zwarten die onterecht in de gevangenis terecht komen: hoe meer je leest, hoe duidelijker het wordt dat dat al decennialang (eeuwenlang?) een geïnstitutionaliseerde vorm van repressie is. Terwijl ik in deze roman las over de 19-jarige zwangere Tish, wiens vriend Fonny onterecht in de gevangenis zit voor verkrachting, las ik simultaan in Ibram X Kendu´s How To Be An Antiracist hoe verschillende Amerikaanse presidenten onder het mom van een war on drugs ervoor zorgden dat de gevangenissen volledig legaal met niet-gewelddadige zwarte druggebruikers gevuld konden worden, die daar even lange straffen moesten uitzitten als hun gewelddadige blanke medegevangenen. Terwijl blanken vaker drugs verhandelen dan zwarten en Latino´s, en de cijfers voor druggebruik in alle groepen vrijwel hetzelfde zijn.

In het geval van Fonny waren er zelfs geen drugs in het spel; hij was gewoon voor zijn vriendin opgekomen en had agent Bell tegengesproken:

The same passion which saved Fonny, got him into trouble, and put him in jail. For, you see he had found his centre, his own centre, inside him: and it showed. He wasn´t anybody´s nigger. And that´s a crime, in this fucking free country. You´re supposed to be somebody´s nigger. And if you´re nobody´s nigger, you´re a bad nigger: and that´s what the cops decided when Fonny moved downtown. (*)

Terwijl je leest over de racistische, rancuneuze blanke agent Bell, die Fonny oppakt voor een verkrachting die hij niet gepleegd kan hebben, kan je je afvragen: is dit niet overdreven? Zo erg kan het in werkelijkheid toch niet geweest zijn? Maar dan denk je aan wat er bijvoorbeeld met The Central Park Five of George Floyd gebeurd is, en dan weet je dat dit niet uit de lucht gegrepen is.

Maar dit is geen racistisch “blanken zijn slecht, zwarten zijn goed”-boek. Baldwin toont bijvoorbeeld hoe Fonny´s eigen moeder weigert hem te helpen, terwijl zijn blanke advocaat dat wel doet. Wat hij wil aankaarten, is de manier waarop het beleid racisme aanwakkert en gerechtigheid onmogelijk maakt. Of, zoals hij het zelf zegt: “It is certain, in any case, that ignorance, allied with power, is the most ferocious enemy justice can have.” Heel erg actueel dus, jammer genoeg.

Ik wil ook nog vermelden hoe zwaar ik onder de indruk was van zijn  inlevingsvermogen. Dit is een mannelijke schrijver die in de huid van een zwangere tiener kruipt, en de geloofwaardigheid op geen enkel moment aan het wankelen brengt. Of zijn beschrijving van hoe vrouwen vriendschappen tussen mannen ervaren:

I had never seen him with other men. I had never seen the love and respect that men can have for each other.

I´ve had time since to think about it. I think that the first time a woman sees this -though I was not yet a woman- she sees it, first of all, only because she loves the man: she could not possibly see it otherwise. It can be a very great revelation. And, in this fucked-up time and place, many women, perhaps most women, feel, in this warmth and energy, a threat. They think that they feel locked out.

The truth is that they sense themselves in the presence, so to speak, of a language which they cannot decipher and therefore cannot manipulate, and, however they make a thing about it, so far from being locked out, are appalled by the apprehension that they are, in fact, forever locked in. Only a man can see in the face of a woman the girl she was. It is a secret which can be revealed only to a particular man, and, then, only at his insistence.

But men have no secrets, except from women, and never grow up in the way that women do. It is very much harder, and it takes much longer, for a man to grow up, and he could never do it at all without women. This is a mystery which can terrify and immobilize a woman, and it is always the key to her deepest distress. She must watch and guide, but he must lead, and he will always appear to be giving far more of his real attention to his comrades than he is giving to her. But that noisy, outward openness of men with each other enables them to deal with the silence and secrecy of women, that silence and secrecy which contains the truth of a man, and releases it. (**)

James Baldwin verbleef een groot deel van zijn leven in Frankrijk, van waaruit hij de Civil Rights Movement en de Gay Liberation Movement in de Verenigde Staten steunde. Hij was lange tijd bevriend met Marlon Brando, en ontving in zijn huis in Saint-Paul-de-Vence kunstenaars als Nina Simone, Josephine Baker, Miles Davis en Ray Charles, met wie hij lange, diepgaande gesprekken had.

Wie schrijft, weet dat schrijvers vooral goed luisteren, en dat hun schrijven niet alleen een weergave is van wat ze denken, maar ook van wat ze gehoord hebben. Ik vind het een mooi en niet-ondenkbaar idee dat in de boeken van Baldwin vele stemmen uit het verleden doorklinken. Stemmen waar ik graag naar luister.

 

(*) James Baldwin, If Beale Street Could Talk, p 33

(**) James Baldwin, If Beale Street Could Talk, p 51- 52

 

PS: De verfilming van dit boek sleepte in 2018 drie Golden Globe nominaties en drie Oscar nominaties in de wacht. Regina King won daarbij een Oscar voor Best Supporting Actress.

 

 

 

 

 

Een Afrikaans jaar

Om de microfoon te testen voor een repetitie zing ik gewoonlijk het eerste wat in me opkomt. Soms is dat een beetje scatten, afgelopen donerdag was dat I come from Alabama with a banjo on my knee.

Met een blik vol irritatie hoorde onze bassist het even aan, en zei toen: “Kathleen, please, don´t sing that song.”

Ik begreep niet goed waarom hij dat zei, maar omdat ik vermoedde dat het met zijn Jamaicaanse roots te maken had, schakelde ik snel over op J´aime la vie. Dat leek me alleszins een veilige keuze.

Na de repetitie vroeg ik de bassist waarom hij een probleem had met Oh Susanna.

It´s a confederate song,” zei hij.

Ik antwoordde dat het me oprecht speet, en dat ik er geen idee van had. Dat we die liedjes zo vaak horen in een onschuldige context. Hij zei daarop dat hij dat wel begreep, en dat ik me er niets van moest aantrekken, dat hij sowieso in een knorrige bui was.

Een paar dagen later keken mijn man ik de vierdelige televisieserie When They See Us  (van Ava DuVernay) uit. Dat is een Netflix serie over The Central Park Five: vijf jongens die in 1989 vals beschuldigd werden van de verkrachting en mishandeling van een blanke, vrouwelijke jogger. De tieners werden, ondanks gebrek aan bewijs, alle vijf veroordeeld. Je kan al raden dat het niet om blanke jongens ging. In 2002 legde de ware dader een bekentenis af, maar toen was het kwaad al lang geschied.

De laatste aflevering was zo gruwelijk en hartverscheurend dat ik die nacht amper de slaap kon vatten. En het spookt nog steeds door mijn hoofd.

Sinds de moord op George Floyd blijven deze vragen zich herhalen: waarom weten wij zo weinig over racisme? En waarom weten wij zo weinig over wat aan de basis ligt van dat racisme, namelijk de kolonisatie van Afrika en de slavenhandel? De waanzin en gruwel daarvan staan op geen enkele manier in verhouding met de aandacht die eraan besteed wordt. Hebben jullie daar ooit over geleerd op school? Ik alvast niet, terwijl ik toch naar een “goede” school ging. Of het moet zo weinig geweest zijn dat ik het me niet meer kan herinneren.

Dus hier zitten we nu, met z´n allen te staren naar de naschokken van dat immense onrecht. Sommigen besmeuren beelden van Leopold II, anderen gaan de straat op met BLM-slogans, en ik denk: wat kan ik doen, behalve Sandra Kim zingen in plaats van Oh Susanna?

Wel, dit is wat ik ga doen. In 2018 heb ik een jaar lang elke maand een film bekeken van een vrouwelijke regisseur, omdat die enorm ondervertegenwoordigd zijn in de filmindustrie. Dit jaar wil ik elke maand een boek lezen van een Afrikaanse schrijver, of een schrijver met Afrikaanse roots -wat eigenlijk geen goede beschrijving is, want we hebben uiteindelijk allemaal Afrikaanse roots. (Onze bassist zei dat ik gewoon moest schrijven “zwarte schrijvers”, maar ik heb het heel moeilijk met de woorden “zwart” en “wit” in deze context. Dat gaat tegen mijn gevoel voor kleur in, want de meeste “zwarten” zijn bruin. Antwoord van de bassist: “I know I´m not really black and you´re not really white, but that´s just how we call it: I´m black and you´re white. I don´t have a problem with that.” Dus ik heb de toestemming van een “zwarte” om het te hebben over “zwarte” schrijvers, maar ik ga het toch niet doen. Niet omdat ik politiek correct wil zijn, maar gewoon omdat mijn gevoel voor kleurschakeringen dat soort vocabulaire niet wil aannemen. Maar soit, jullie weten wel wat ik bedoel.)

Je kan je daarbij afvragen of dat wel verschil zal maken, die twaalf boeken lezen. Maar ik geloof dat het altijd een verschil maakt wanneer je je aandacht richt op iets. Gisteren ging ik naar de boekenwinkel en vroeg daar of ze een boek hadden van Mohamed Mbougar Sarr. Ze vertelden me dat ze nog nooit van die schrijver hadden gehoord -maar nu dus wel.

Wat je doet, hoe klein ook, maakt altijd een verschil.