Maart: How To be An Antiracist (Ibram X Kendi)

(Over het waarom van deze reeks, lees: “Een Afrikaans jaar“.)

Vroeger was er op tv dit spotje voor Heinz ketchup, waarbij een koppel aangeeft dat ze maar één soort ketchup kennen, namelijk de tomatenketchup van Heinz. Als kind begreep ik die spot niet, want ik dacht oprecht dat er maar één soort was. Ik herinner me nog steeds het moment waarop ik in de supermarkt opeens ketchup van andere merken ontdekte.

Dat gevoel van een blikveld dat opengetrokken wordt, kreeg ik tijdens het lezen van dit boek. Wij denken misschien dat we weten wat racisme is, maar er is zo ontzettend veel kennis en nuance die wij over dit onderwerp missen. Alleen al de titels van de hoofdstukken laten zien dat er meer is dan WHITE en BLACK:

DEFINITIONS – DUELING CONSCIOUSNESS – POWER – BIOLOGY – ETHNICITY – BODY – CULTURE – BEHAVIOUR – COLOR – WHITE – BLACK – CLASS – SPACE – GENDER – SEXUALITY – FAILURE – SUCCESS – SURVIVAL

Elk hoofdstuk behandelt een aspect van racisme en wordt gelinkt aan een fase in het levensverhaal van de schrijver, waarbij op chronologische wijze zijn eigen bewustwordingsproces wordt verhaald. Op die manier koppelt Kendu de theorie aan de praktijk, wat voor een goede afwisseling zorgt tussen abstracte diepgang en concrete inleving.

Er staan zoveel nuttige inzichten in dat ik maar bleef onderlijnen. Maar het basisinzicht is dit:

“My research kept pointing me to the same answer: The source of racist ideas was not ignorance and hate, but self-interest.”

Kendu beschrijft doorheen het boek hoe beleidsmakers vanuit eigenbelang (en dat begon dus met de slavenhandel) een racistisch bestuur opzetten, en dan racistische ideeën verspreidden om dat beleid goed te praten. Die racistische ideeën werden uit onwetendheid opgepikt, en zo ontstond haat, waardoor racistische regelgevingen die ongelijkheid in de hand werkten niet op de korrel werden genomen.

Nog een aantal inzichten die dit boek me bracht:

*er is geen biologische basis voor een onderverdeling van mensen in rassen, dus rassen bestaan niet. Maar racisme bestaat wel. Racisme betekent dat er mensen zijn die geloven dat er verschillende rassen bestaan, en dat sommigen inferieur zijn aan anderen. Daarom helpt het niet te zeggen dat je “kleurenblind” bent, want daarmee pak je racisme niet aan. Want ook al zijn rassen niet echt, de gevolgen van racisme zijn wel echt.

*als je racisme wil aanpakken, helpt het ook niet dat je zegt dat je niet racistisch bent. Een opmerking, idee of beleidsvoorstel is ofwel racistisch (zorgt voor ongelijkheid tussen de zogenaamde rassen) of antiracistisch (zorgt voor gelijkheid tussen de zogenaamde rassen). Je moet dus een keuze maken: voor of tegen.

*Ieder van ons zegt wel eens racistische dingen, maar dat maakt ons nog geen racist. We moeten leren wat racisme precies inhoudt en altijd blijven nadenken over wat de antiracistische optie is. Maar als we vervallen in neutraliteit of passiviteit werken we racisme in de hand.

*Alles begint bij beleid. Als we racisme de wereld uit willen helpen, volstaat het niet te blijven roepen dat Wit en Zwart gelijk zijn. Zolang het beleid niet nauwkeurig onder de loep genomen wordt, zal racisme blijven bestaan.

*Je kan geen antiracist zijn zonder feminist te zijn, en vice versa. Je kan geen antiracist zijn zonder te ijveren voor gelijke rechten voor de LGBTQ-gemeenschap, en vice versa. Je kan geen antiracist zijn zonder bezorgd te zijn over de opwarming van het klimaat, en vice versa. Alles is met elkaar verbonden.

Kortom, dit is een boek dat je toekomstige discussies over onderwerpen van maatschappelijk belang diepgang en nuance kan geven. Ik kan geen redenen bedenken om het niet te lezen.

Januari: The Underground Railroad (Colson Whitehead)

Ja mannekes, dit boek…

Ik wilde het aanvankelijk niet lezen, uit angst dat ik er teveel van overstuur zou raken (wat ook gebeurd is), maar ik ben blij dat ik het toch gelezen heb.

Whitehead katapulteert je genadeloos vanaf de eerste bladzijden in de horror die de geschiedenis uitmaakt van elke Amerikaan met Afrikaanse roots -een nachtmerrie waarvoor onze Europese voorvaderen verantwoordelijk waren. Dat alleen al was voor mij voldoende reden om de rit aan te vatten en uit te zitten.

De gruwel die beschreven wordt, is jammer genoeg niet fictief; de schrijver heeft zich gebaseerd op historische bronnen. Dat geeft het boek een impact die je hele referentiekader aan het wankelen brengt, maar daarover zal ik misschien later een aparte blogpost schrijven. Eerst de boekbespreking.

Het is echt een Goed Boek -veel meer dan enkel een rondleiding door het martelmuseum van de slavernij. De taal is uitgekiend en efficiënt (zoals ik het graag heb), het hoofdpersonage zowel krachtig als kwetsbaar, de opbouw strak en logisch. Het verhaal leest als een trein. En dat brengt ons bij het thema: de ondergrondse spoorweg.

De term “underground railroad” is een Amerikaans begrip dat verwijst naar een netwerk van geheime routes en onderduikadressen, waarlangs weggelopen slaven uit het zuiden konden ontsnappen naar het noorden. Toen Whitehead als kleine jongen over de “underground railroad” hoorde, stelde hij die zich aanvankelijk voor als een echte ondergrondse spoorweg. En dat idee heeft hij voor het boek gebruikt: zijn heldin Cora ontsnapt uit een katoenplantage in Georgia, en komt via deze fictieve spoorlijn via opeenvolgende stations in verschillende staten terecht. Elk van die staten staat symbool voor een bepaalde fase in de Grote Oorlog tussen zwart en wit. Dat spectrum maakt van dit boek de perfecte inleiding tot het drama van de slavernij. Bovendien fungeert het als canvas voor een uitgebreide reeks personages (de weggelopen slaaf, de blanke die zijn leven riskeert om zwarten te helpen, de slavenvanger, de hoogopgeleide mulat, de blanke arts die op zwarten experimenteert,… ) die het verhaal extra diepgang geven.

Ik wilde schrijvers met Afrikaanse roots lezen om meer over racisme te weten te komen. Wel, een meer beklijvend compendium had ik me niet kunnen wensen. Het fantastische element in combinatie met de zware, historische achtergrond, met daarbovenop de beklijvende saus van het kat-en-muisspel tussen runaway en slavenvanger werkt perfect. Bovendien voel je dat dit boek lijnen uitwerpt naar zowel het verleden, het heden als de toekomst. Maar je moet er wel de horror bijnemen, dus ik zou het niet aanraden aan lezers die er wakker van liggen wanneer er iemand in een boek levend verbrand wordt.

Om in schoonheid te eindigen, wil ik Elijah Lander, een van de nevenpersonages in het boek te citeren. Als zoon van een blanke vader en Afrikaanse moeder zegt hij: “I´m what the botanists call a hybrid. (..) A mixture of two different families. In flowers, such a concoction pleases the eye. When that amalgamation takes its shape in flesh and blood, some take great offense. In this room we recognize it for what it is -a new beauty come into the world, and it is in bloom all around us.”

November: White Teeth (Zadie Smith)

(Over het waarom van deze reeks, lees: Een Afrikaans jaar. Maar ik denk dat ik om de twee maanden ga posten. Een boek per maand lukt me kennelijk niet, omdat ik ondertussen ook nog in een aantal non-fictie boeken bezig ben.)

Dit boek was op zijn minst een unieke leeservaring. Ik heb immers nooit eerder meer dan 500 bladzijden lang zitten denken “wat vind ik nu eigenlijk van dit boek?” Zadie Smith heeft me namelijk heel erg heen en weer geslingerd. Maar uiteindelijk, na weken van wikken en wegen, denk ik dat ik er de vinger op kan leggen. En die conclusie krijgen jullie hier.

Dat Zadie Smith talent heeft, staat vast. Ze was 25 jaar toen ze dit boek schreef, en dat besef doet geregeld je mond openzakken. Welke 25-jarige schrijft bijvoorbeeld zaken als dit:

“People who live on solid ground, underneath safe skies, know nothing of this; they are like the English POWs in Dresden who continued to pour tea and dress for dinner, even as the alarms went off, even as the city became a towering ball of fire. Born of a green and pleasant land, a temperate land, the English have a basic inability to conceive of disaster, even when it is man-made. It is different for the people of Bangladesh, formerly East Pakistan, formerly India, formerly Bengal. They live under the invisible finger of random disaster, of flood and cyclone, hurricane and mud-slide.” (p 210-211)

Ze schrijft over joden en Jamaicanen, Britten en Bengali´s, moslims en getuigen van Jehova. Ze schrijft over de Tweede Wereldoorlog, de Indiase Onafhankelijkheidsoorlog, en Hollywoodiaanse gangsterfilms. Over afro-kapperszaken en genetische manipulatie. En nergens komt ze over als een twintiger die nog te weinig ervaring heeft met de wereld om te weten waarover ze schrijft. Dat is ontzettend knap.

Een tweede pluim op Smiths hoed is haar schrijfstijl: die is om van te smullen. Zinnen als “In cupboards and neglected drawers and in grimy frames were the secrets that had been hoarded for so long, as if secrets were going out of fashion.” (p399) Dat lees ik graag.

En ze is ook echt grappig. Het absolute hoogtepunt vond ik wat dat betreft de naam die ze verzon voor een extremistisch ingestelde moslimbeweging:

“I am from the Kilburn branch of the Keepers of the Eternal and Victorious Islamic Nation,” said Hifan proudly. Irie inhaled. “Keepers of the Eternal and Victorious Islamic Nation,” repeated Millat, impressed. “That´s a wicked name. It´s got a wicked kung-fu kick-arse sound to it.”

Irie frowned. “KEVIN?”

“We are aware,” said Hifan solemny, (…) “that we have an acronym problem.” (p295)

Dus tot daartoe alles dik in orde. Maar wat bleef er dan hoofdstuk na hoofdstuk knagen?

Ten eerste kon ik de karikaturale manier waarop de personages neergezet werden moeilijk rijmen met de vaak zware thematiek (migratie, ontworteling). Dat haalde voor mij vaak het verhaal onderuit. Zo wordt een tweeling uit elkaar gehaald -één van de jongens wordt weer naar Bangladesh gestuurd, terwijl de andere in Engeland blijft. Op zich een rijke voedingsbodem voor een diepgaand verhaal, maar het voornaamste wat Smith ermee doet, is er een pointe voor een grap van maken: de jongen die in Engeland blijft, groeit op tot toegewijde moslim; de jongen die naar Bangladesh gestuurd wordt, ontpopt zich daar tot een fanaat van de westerse wetenschap.

En daar zit hem, naar mijn aanvoelen, de zwakte: het gebrek aan diepgang en verhaal. Op vrijwel elke pagina zijn weliswaar interessante observaties te vinden, maar het verhaal zelf gaat eigenlijk nergens naartoe, en de personages breken op geen enkel moment door het karikaturale. Er zijn ongeveer tien hoofdpersonages, en geen van hen maakt ook maar iets van een proces door. Sommige personages komen ook pas erg laat in het boek opdagen -we zijn al drie kwart ver wanneer het Brits-joodse echtpaar Chalfen hun opwachting maakt. Alweer een stel hilarische, en zeer slim uitgetekende personages, dat wel. Maar opnieuw: karikaturen.

En toen viel mijn frank, toen ik die geweldige beschrijving van Joyce Chalfen las, de westerse middle class dame, die denkt dat de minderheden gered moeten worden en die achter alles een childhood trauma vermoedt: dit boek is een inventaris. Een beeldend lijstje van alle zotte figuren die Zadie Smith is tegengekomen tijdens haar jeugd in Engeland. Een parodie op de Britse populatie. Jamaicaanse grootjes, Indiase kelners, migrantenkinderen tussen twee culturen, kleurloze Britten, dierenrechtenactivisten. (Die laatsten maken pas in het allerlaatste deel hun opwachting. Dat bracht me ook weer uit de lezersbalans: ben je aan het graviteren naar de plot, en dan wordt er opeens een stel nieuwe personages in je schoot gedropt die je pagina´s lang bezighouden.)

Ik heb het gevoel dat Smith in haar jeugdig enthousiasme één ding vergeten heeft: keuzes maken. Uit dit boek kan je makkelijk een boek of vijf destilleren: een parodie op multicultureel Groot-Brittannië, een migrantenepos, een wetenschap versus religie roman, een gescheiden tweelingen-verhaal, een familiegeschiedenis. En je zal vast een paar van die genres kunnen mixen, maar allemaal? Het bewijs dat die opzet niet geslaagd is, ligt voor mij in de plot. Daar wordt duidelijk naartoe gewerkt: in de laatste hoofdstukken zijn alle personages op weg naar hetzelfde event. Maar de ontrafeling van de plot was voor mij niet de “surprising denouement” die de flaptekst beloofde. Ik vond het zelfs een bijzonder zwakke plot. Ik zag er de zin niet van in. Er kan waarschijnlijk vanalles achter gezocht en gevonden worden, want als je je eenmaal aan het interpreteren zet, dan zal je in een verhaal als dit, met zoveel thema´s en karakters, altijd wel een stel verbindingen kunnen maken (zoals de manier waarop de schrijfster in bijna elk hoofdstuk naar tanden verwijst -associaties die op den duur meer op een circustruukje gaan lijken dan dat ze echt een betekenis hebben.) (En als ik veel woorden cursief zet, dan is dat omdat ik dat van Zadie Smith zelf geleerd heb.)

Enfin, ik begrijp waarom sommige mensen dit een fantastisch boek vinden, en ik begrijp ook waarom anderen in dit boek geen twintig bladzijden ver geraken. Als je iets grappigs, intelligents en entertainends wil, dan is dit vast een goed boek voor jou. Als je een verhaal met diepgang wil lezen, en iets dat vooruit gaat, dan zou ik er niet aan beginnen.

September: Letter To My Daughter (Maya Angelou)

(Jaa, september. Blogpost die ik maar niet afgewerkt kreeg.)

(Over het waarom van deze reeks, lees “Een Afrikaans jaar“.)

Maya Angelou had geen dochter; ze had een zoon. Maar, zo schrijft ze in de inleiding, dit boek draagt ze op aan haar duizenden dochters over de hele wereld, ongeacht hun huidskleur of religieuze strekking. In 28 korte brieven vertelt ze over de levenservaringen die het meeste impact hebben gehad op haar morele en emotionele ontwikkeling.

Sommige verhalen zijn pakkend, andere zijn grappig, allemaal dragen ze wijsheid in zich. Het is trouwens niet alleen aan te raden literatuur voor dochters; zonen zullen hier evengoed iets aan hebben. Want elk verhaal stemt tot nadenken, of je het nu met haar eens bent of niet, en dat alleen al lijkt me waardevol.

Een van mijn favoriete stukjes is Porgy and Bess, waarin ze beschrijft hoe ze, na een Europese tour met een musicalgezelschap, terugkeert naar Amerika, en daar een inzinking krijgt. Ze zoekt hulp bij haar stemcoach, Frederick Wilkerson. Die brengt haar een yellow pad en een pen, en draagt haar op haar zegeningen neer te schrijven. Wanneer ze zegt dat ze daar geen zin in heeft, dat ze voelt dat ze gek aan het worden is, zegt hij: denk aan alle mensen die doof zijn. Die symfonieën noch het gehuil van hun eigen baby´s kunnen horen. Schrijf op: ik kan horen -dank u, God. En nu denk je aan iedereen die niet kan zien. En aan iedereen die niet kan lezen…

Tegen de tijd dat ze de hele pagina volgeschreven heeft, is de waanzin verdwenen.

Dit zijn de laatste paragrafen van dat verhaal, tevens een gepaste afsluiter voor deze post:

That incident took place over fifty years ago. I have written some twenty-five books, maybe fifty articles, poems, plays and speeches all using ballpoint pens and writing on yellow pads.

When I decide to write anything, I get caught up in my insecurity despite the prior accolades. I think, uh, uh, now they will know I am a charlatan that I really cannot write and write really well. I am almost undone, then I pull out a yellow pad and as I approach the clean page, I think of how blessed I am.

The ship of my life may or may not be sailing on calm and amiable seas. The challenging days of my existence may or may not be bright and promising. Stormy or sunny days, glorious or lonely nights, I maintain an attitude of gratitude. If I insist on being pessimistic, there is always tomorrow. Today I am blessed.

Augustus: Dear Ijeawele (Chimamanda Ngozi Adichie)

(Over het waarom van deze reeks, lees: een Afrikaans jaar.)

Eigenlijk was ik begonnen in The Autograph Man van Zadie Smith, maar na een 70-tal pagina´s gaf ik mezelf de toestemming om het op te geven. Want het begon een karwei te worden: de spitsvondige schrijfstijl had teveel gewicht, het verhaal te weinig vaart. Het vroeg om een soort geduld dat ik alleen maar kan opbrengen voor 19-eeuwse schrijvers. Waarmee ik Zadie Smith niet wil afschrijven; ik wil nog steeds White Teeth lezen. Maar als ik na een 70-tal pagina´s niet helemaal mee ben met een boek, leg ik het weg. Het leven is te kort en er zijn te veel andere, interessante boeken om iets te zitten lezen waar je eigenlijk geen zin in hebt.

Toen had ik wel een plan B nodig voor de maand augustus, en dat was snel gevonden: het allerdunste boekje in de kast. Tien op vijftien centimeter, 61 pagina´s, een groot lettertype. Iets wat je heel makkelijk en snel uitgelezen krijgt. Bovendien dacht ik tijdens het lezen de hele tijd: “juist, zo is het! Goed dat dit eens gezegd wordt!” Lekker efficiënt dus. Daar hou ik van.

Het boekje is eigenlijk de uitgave een lange brief die de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie aan haar vriendin Ijeawele schreef. Die laatste had haar gevraagd: hoe voed ik mijn kind op tot feministe? Daarop schreef Chimamanda vijftien suggesties neer (mooi detail: suggesties, geen regels).

Er staan dingen in die misschien vanzelfsprekend klinken, maar die, als je er dieper op doordenkt, nog steeds niet vanzelfsprekend zijn. Zoals:

Your feminist premise should be: I matter. I matter equally. Not “if only”. Not “as long as”. I matter equally. Full stop.

Ik denk dat veel vrouwen en meisjes daar nog steeds heel erg mee worstelen. Dat we denken dat we pas meetellen als we mooi genoeg zijn/ hard genoeg ons best doen. En dat we zelfs dan nog vooral heel dankbaar moeten zijn voor wat ons toegeworpen wordt, in plaats van het te zien als ons recht.

Praktische tips staan er ook in:

And please reject the language of help. Chudi is not “helping” you by caring for his child. He is doing what he should. When we say fathers are “helping”, we are suggesting that child care is a mother´s territory, into which fathers valiantly venture. It is not.

Of deze, ook lekker concreet:

Teach her that if you criticize X in women but do not criticize X in men, then you do not have a problem with X, you have a problem with women. For X please insert words like anger, ambition, loudness, stubbornness, coldness, ruthlessness.

Ook de manier waarop ze klaar en duidelijk zogenaamd feminisme dat eigenlijk geen feminisme is, onderuit haalt, maakt dit boekje de al zo kleine moeite van het lezen waard:

Teach her, too, to question the idea of women as a special species. I once heard an American politician, in his bid to show his support for women, speak of how women should be “revered” and “championed” -a sentiment that is all too common. Tell Chizalum that women actually don´t need to be championed and revered; they just need to be treated as equal human beings.

Met dat idee van vrouwen als een “bijzonder” geslacht dat een soort “verering” moet oproepen, heb ik het ook altijd moeilijk gehad. Want dat zet vrouwen weer in een aparte categorie, terwijl het net de bedoeling is dat we allemaal samenwerken, en ieders kwaliteiten geapprecieerd worden, zowel die van mannen als vrouwen, als zij die hun gender anders definiëren. Het was voor mij een opluchting te lezen dat ik niet de enige ben die er zo over denkt.

En zo kan ik nog wel even doorgaan -eigenlijk zou ik gemakkelijk een bespreking kunnen schrijven die veel langer is dan 61 bladzijden, want dit riep zoveel bij me op. Het is dus waarschijnlijk veel efficiënter als jullie gewoon het boekje zelf lezen 🙂

Beknopte kroniek van een spirituele evolutie

In deze post ben ik een belangrijk boek vergeten te vermelden, en dat wil ik hierbij rechtzetten. Maar in plaats van het er gewoon bij te plakken, ga ik er een volledige nieuwe blogpost aan wijden.

Om het in zijn context te plaatsen, moet ik het echter eerst over iets anders hebben. Namelijk over religie. En een lied.

Religie dus.

In de jaren ´80 in Vlaanderen betekende dat op school van die liedjes zingen over hoe de wereld een toverbal is, en dat je elkaar 490 maal moet vergeven. Mijn moeder wou ons ook een beetje vaker in de mis krijgen dan alleen met kerst en pasen, en motiveerde ons daartoe door ons in te schrijven als misdienaars. Want een eucharistieviering wordt toch iets interessanter wanneer je af en toe van je stoel mag komen en met belletjes mag rinkelen enzo.

Dat had allemaal wel zijn charme, maar een diep katholiek geloof is daar niet uit voortgekomen. Later heb ik Jezus als historisch figuur wel leren appreciëren om zijn revolutionaire ideeën, maar dan eerder als een soort pacifistische Che Guevara.

Toen ik een jaar of zeventien was, kwam het boeddhisme op mijn pad. Ik las Lama Surya Das en de autobiografie van de Dalai Lama, bezocht het boeddhistisch centrum in Schoten, maakte mijn eindejaarsopdracht voor godsdienst over de Boeddha. Het was zo´n kleurrijke, rustgevende, vriendelijke wereld. Achteraf gezien denk ik dat ik vooral van die boeddhistische leer veel meegenomen heb. Maar ik had teveel moeite met bepaalde theoretische en transcendente aspecten om mezelf in volle overtuiging een boeddhist te durven noemen.

Toen trouwde ik, en werd zwanger, en daarna moeder, en daarmee zakte ik met mijn beide voeten in het zuigende moeras van onze ware natuur. Dat dierlijke, dat vergankelijke, dat volle leven en die lonkende dood. Die jaren en ervaringen toonden me iets waar ik in religieuze filosofieën zeer weinig over terugvond (*). Waar ik me toen wel in kon vinden, waren boeken geschreven door psychologen en primatologen, die me uitlegden waar we vandaan kwamen, waarom we seks hadden en met wie, hoe we het beste voor onze kinderen konden zorgen en waarom. Ons lijf, het leven en het doorgeven. Dat was zo belangrijk, zo basic. Voor het spirituele was er in die tijd erg weinig plaats. Alles draaide om zorgen, slaapgebrek overleven en die oerliefde voelen. Het was ploeteren, leven en doorgaan, en voor andere dingen was er gewoonweg geen energie.

Ergens rond die tijd kwam me per toeval “Imagine” van John Lennon weer ter ore, en dacht ik: kijk, dat is alle religie die een mens nodig heeft. Als iedereen dat lied als leidraad zou gebruiken, dan zou het rap in orde komen met de wereld. Het was een soort spirituele simplificatie die me als jonge, overwerkte, back-to-basics moeder erg goed uitkwam –en waar ik eigenlijk nog altijd achter sta.

Maar toen kwam er een boekje op mijn pad dat me zodanig raakte, dat ik toch weer aarzelend begon na te denken over die spirituele krachten, die boven het moeras zweven en ons uit het drijfzand houden. En dat was The Prophet (De profeet) van Kahlil Gibran, een Libanees-Amerikaanse schrijver en dichter. Het is een boekje dat in de hippiebeweging van de jaren ´60 veel weerklank vond, en waaruit nog steeds geciteerd wordt.

En dat doe ik nu ook. Ik lees er soms zelfs hardop uit voor. Want het klinkt zo mooi, als je het hoort, het biedt zoveel troost en schoonheid. En het raakt je ergens in je ziel.

Een lichtje boven het moeras.

Sindsdien noem ik mezelf een Gibran-Lennonist, als ik mezelf iets moet noemen op dat vlak. Als er zo nog zijn, mogen ze zich hierbij bekend maken. Kunnen we eens een reünie houden: voorlezen uit “The Prophet” en met de gitaar erbij “Imagine” zingen. Hm. Dat zou nog best eens gezellig kunnen worden.

 

(*) Ik weet wel dat Siddharta Gautama zo geschokt was door ziekte, verval en de dood toen hij die uiteindelijk onder ogen kreeg, maar uiteindelijk was dat toch altijd een tamelijk… ik weet het niet… mannelijke kijk op de zaak. Waardevol, uiteraard, maar toch een beetje eenzijdig.

 

 

 

De liefde voor (bepaalde) boeken

Ik ben een dierenvriend, maar dat wil niet zeggen dat ik per definitie van alle dieren hou.

“Ik begrijp het niet,” zei de moeder van een ex-lief ooit, verwijzend naar mijn koele behandeling van haar schoothondje. “Ik dacht dat Kathleen zo´n dierenvriend was?” Maar het is met dieren zoals met mensen: sommige karakters botsen, anderen klikken samen als Maagdenburgse bollen.

En met boeken gaat het net zo: ik ben pro boeken en général, maar er zijn er die ik zonder pardon in de papiercontainer gooi, omdat ik vermoed dat ze in een tweede leven als schoolschrift een waardevoller bestaan zullen leiden. Maar er zijn evengoed boeken waar ik verliefd op word, en die liefde manifesteert zich op de volgende manieren:

  • Ik schrijf of onderlijn erin met potlood
  • Ik neem het boek mee in mijn handtas om het buitenshuis voort te kunnen lezen, zodat er ezelsoren aan komen
  • Ik besteed aandacht aan de keuze van de bladwijzer
  • Ik ga op zoek naar andere boeken van dezelfde schrijver/schrijfster

Over het algemeen ben ik geen fan van veel spullen bijhouden, maar deze boeken hou ik bij, of koop ik aan als ik ze gelezen heb maar zelf nog niet heb. Boeken die me…

  • …hebben doen huilen (één traan volstaat)
  • … iets bijgeleerd hebben waardoor ik het leven iets beter begrijp
  • … iets bijgeleerd hebben waardoor mijn leven iets vlotter verloopt

 

Omdat ik gezien heb dat er hier onder de lezers ook een paar boekenfans zitten, dacht ik van eens een lijstje met mijn all time favourites te grabbel te gooien (en daarmee te maskeren dat Het Plan in een zeer trage fase zit, maar zoals jullie weten ligt dat aan de zomer en het feit dat het schooljaar hier VEEL TE LAAT begint).

Hier gaan we:

Fictie:

  • Minoes (Annie M G Schmidt)
  • De Gebroeders Leeuwenhart (Astrid Lindgren)
  • Kruistocht in Spijkerbroek (Thea Beckman)
  • Matilda (Roald Dahl)
  • Winnie-the-Pooh (Alan A. Milne)
  • The Woman Who Walked Into Doors (Roddy Doyle)
  • The God of Small Things (Arundhati Roy)
  • Life of Pi (Yann Martel)
  • Never Let Me Go (Kazuo Ishiguro)
  • Far From The Madding Crowd (Thomas Hardy)

Non fictie:

  • The Tending Instinct (Het knuffelinstinct) (Shelley Taylor)
  • The Age of Empathy (Een tijd voor empathie) (Frans De Waal)
  • Awakening The Buddha Within (De Ontwakende Boeddha) (Lama Surya Das)
  • Emotional Intelligence (Daniel Goleman)
  • The Highly Sensitive Person (Hoogsensitieve Personen) (Elaine N. Aron)
  • The Migraine Brain (Carolyn Bernstein)
  • The Macho Paradox (Jackson Katz)
  • Neurosis and Human Growth (Karen Horney)

Wat mij eraan doet denken: waarom krijgen we op de middelbare school geen leeslijst non-fictie voorgelegd? Hoe waardevol zou het zijn als elke tiener reeds een paar boeken over psychologie achter de kiezen had alvorens aan het (z)ware leven te beginnen?

En nog een vraag: hoe zit dat bij jullie?

Wat zijn jullie favorieten?

 

 

 

 

 

Waarom we middenin een sprookje stokten

Begrijp me niet verkeerd: ik ben een geweldige fan van Annie M. G. Schmidt.

Ik vermoed dat zo´n tachtig procent van mijn dochter´s kennis van het Nederlands te danken is aan haar verhalen. Jip en Janneke hebben we drie keer van voor naar achter en terug gelezen, Pluk van de Petteflet twee keer integraal en daarna geregeld het verzoeknummer “Grote mensen spelen”, en ook met Otje hebben we veel plezier gehad.

Bovendien is Minoes, het boek over de kat die in een juffrouw verandert, mijn favoriete boek aller tijden. Ik las het voor het eerst toen ik zes was, heb er mijn eigen kat naar genoemd, en toen de film uitkwam en niemand mee wou, ben ik hem helemaal in mijn eentje gaan zien. Het was het eerste boek dat ik aan Elena voorlas toen ze nog een baby was. Ze verstond er natuurlijk niks van, maar lag naast mij gefascineerd naar de pagina´s te kijken terwijl ik mij amuseerde met de dialecten die ik de verschillende katten gaf.

Kortom: Annie M. G. Schmidt neemt een belangrijke, welverdiende plaats in mijn literair geheugen in.

Maar halverwege “Allemaal sprookjes” ging het mis. In het verhaal “Het luciferdoosje” maakten we kennis met Gijsbert, een aanvankelijk sympathiek uitziende jongeman die op het sterfbed van zijn vader de eigenaar werd van een bijzonder luciferdoosje. Alles wat hij zag, kon hij in dit doosje laten verdwijnen via het simpele bevel “D´r in!” en het later weer tevoorschijn toveren met de iets minder voor de hand liggende uiting “Psssst!”

Dat Gijsbert zich op deze manier een gans huis toeëigende, konden we hem nog vergeven, want blijkbaar was het een kantoorgebouw en waren de werknemers bijzonder uitgelaten toen ze merkten dat hun werkplek verdwenen was. Gijsbert zette zijn illegaal verworven vastgoed op een mooi plekje aan de rivier en ging naar de markt om daar eten te gaan stelen van nietsvermoedende marktkramers. Toen hij bij de drogist een zakje drop ging halen, werd hij op slag verliefd op het meisje dat achter de toonbank stond. Ongetwijfeld aangemoedigd door de instant-behoeftebevrediging van de laatste dagen, vroeg hij haar meteen of ze met hem wilde trouwen. Liesje (want dat was haar naam) zei echter “nee”. En daarop deed Gijsbert iets heel stouts. Hij deed het doosje open en zei: “D´r in.”

Hier begon ik het moeilijk te krijgen. En deelde dat ook luidop mee aan mijn dochter: het meisje had nee gezegd, en daar had die jongen naar moeten luisteren. Met een bedenkelijke frons las ik verder, maar het kwam niet meer goed:

Daar ging Liesje naar binnen en hij nam haar mee naar zijn huis, opende het doosje en zei: ´Pssst.´

Ze kwam er woedend uit en riep: ´Laat me gaan of ik roep de politie´.

´Kom nou, wat onaardig van je,´(*) zei Gijsbert. ´Kijk eens wat een mooi uitzicht we hier hebben. En er zijn zeven schrijfmachines in dit huis.´

´Dat verandert de zaak,´zei Liesje. ´Ik ben dol op schrijfmachines. Mag ik op allemaal tikken?´(**)

´Net zoveel als je wilt,´zei Gijsbert. ´Wanneer je tenminste klaar bent met het huishouden,´voegde hij er haastig aan toe.

Say whaaaat?

Hier volgde een kort pedagogisch gesprek over rolpatronen, waarop mijn dochter zelf concludeerde dat ze liever een ander sprookje wou horen. Trots op mijn dochter. En opgelucht dat ik haar het vervolg (“Liesje veegde de vloer, poetste zijn schoenen en ging toen zitten tikken”) kon besparen.

Mijn waardering voor Annie M.G. Schmidt is hier ongeschonden doorgekomen. Ik weet dat het meer met de tijdsgeest dan met de schrijfster te maken heeft. Maar dit komt uit een boek dat heruitgegeven werd in 2012. Beetje op onze hoede blijven dus. De machismo-meter nog niet uit het stopcontact trekken.

 

 

(*) Aja, want meisjes moeten altijd aardig zijn, ook al zijn ze net gekidnapt.

(**) Als je maar spullen kan aanbieden zal een vrouw wel voor je vallen, nietwaar?

 

 

 

 

 

Tip van de Week!

 

Uw toegewijde is op azertyfactor door Karel Sergen uitgekozen tot Tip van de Week met het kortverhaal De Vlucht (een verhaal dat ook al eens door Marnix Peeters getipt was, by the way). En wat heeft hij daar mooie dingen over gezegd, ik zit hier nog te blozen… En ik ga nu eens even niet te bescheiden zijn om dat hieronder te herhalen:

“Wat Suzan als personage in dit flitsverhaal interessant maakt is dat ze in haar bruidsjurk het vliegtuig neemt naar Bangkok. Nog interessanter is dat ze geen geliefde bij zich heeft. Ik hou van bizarre personages en bizarre situaties, precies omdat ze in een verhaal neerzetten wat we ons durven verbeelden maar nooit zelf realiseren. Goede literatuur verbreedt grenzen op een manier dat het aannemelijk wordt. Daarvoor heb je wel de juiste tekening van het personage nodig en een precieze, intrigerende sfeerschepping. Daar is Kathleen in geslaagd. 

Een voorbeeld: we worden zo door Suzan op sleeptouw genomen dat we ons niet gaan afvragen waarom die man daar nu niet bij is, wat die of wat zij de dag voordien (was het wel de dag voordien?) hebben uitgespookt. Geen platte nieuwsgierigheid maar haar nieuwe beleving houdt ons aan het lezen. En de apotheose, een soort imaginaire zweeftocht van de bruid in het gangpad van het vliegtuig, luid toegejuicht door het publiek, voelt zalig aan. Het personage ervaart een bevrijding door wat het zelf heeft gekozen én door de omstandigheden waarin zij terecht komt.

De hilarische toiletscène vooraf heeft ook een functie: met veel vestimentaire moeite heeft ze zich ontlast. Ze is nu klaar om alle ballast af te gooien die haar zou hebben belemmerd om van een ware ‘bruidsgang’ te genieten. Een symbolische geladenheid vind je uiteraard ook in de titel ‘De vlucht’, een flauwe vondst als het niet door een sterk verhaal zijn ware betekenis kon krijgen. Kathleen kan schrijven. Ze houdt zich ver van analytisch gezwets of sentimentele tussendoortjes. Het verhaal trekt zich door via theatrale beelden in een stijl die tegelijk nuancerend beschrijvend is én kordaat genoeg om niet verloren te lopen in bloemrijke opsommingen.

Op het einde drinkt Suzan gulzig van het flesje water dat op de stoel ligt van haar afwezige partner. Zo mocht ik ook dit verhaal tot mij nemen, als onzichtbare lezer, omdat het helder en lekker ontwrichtend was voor mijn verbeelding. Waartoe dient literatuur anders?”

 

Hartelijk dank, mijnheer Sergen, u hebt mijn week goed gemaakt 🙂

 

 

 

Een Border Collie Brein in 1847

Ik was eerder per ongeluk een exemplaar van Jane Eyre tegengekomen, en mijn voornemen het te lezen was gepaard gegaan met het mentaal opstropen van de mouwen. Het ging immers om een boek uit 1847. Moeilijke woorden, lange zinswendingen, ellenlange  landschapsbeschrijvingen,… ik was er helemaal klaar voor.

Een totaal overbodige voorbereiding, zo bleek. Het leest vlotter en meer to the point dan de laatste moderne, Nederlandstalige boeken waar ik me doorgeworsteld heb. Maar dat was niet de enige verrassing: ik ben namelijk helemaal mee met de schrijfster, Charlotte Brontë. Ze werd geboren in april 1816, dat is dus tweehonderd jaar geleden. Maar ik heb het gevoel dat we perfect even samen iets zouden kunnen gaan drinken bij de bakker hier op de hoek en dat met haar van gedachten wisselen een pak makkelijker zou gaan dan met een hele hoop van mijn tijdgenoten.

Toegegeven, ik zit nog maar aan hoofdstuk 13, maar ik kon het niet laten er al iets over te schrijven, want ik heb zo het vermoeden dat juffrouw Brontë een Border Collie Brein bezat. Een mooi stukje daarover bijvoorbeeld:

“It is in vain to say human beings ought to be satisfied with tranquillity: they must have action; and they will make it if they cannot find it. Millions are condemned to a stiller doom than mine, and millions are in silent revolt against their lot. Nobody knows how many rebellions besides political rebellions ferment in the masses of life which people earth. Women are supposed to be very calm generally: but women feel just as men feel; they need exercise for their faculties, and a field for their efforts as much as their brothers do; they suffer from too rigid a restraint, too absolute a stagnation, precisely as men would suffer; and it is narrow-minded in their more privileged fellow-creatures to say that they ought to confine themselves to making puddings and knitting stockings, to playing on the piano and embroidering bags. It is thoughtless to condemn them, or laugh at them, if they seek to do more or learn more than custom has pronounced necessary for their sex.”

(Charlotte Brontë, Jane Eyre, p 141)

In 1847, dames en heren. Alstublieft.