Het Boek (4)

Een maand lang heeft het schrijven stilgelegen.

Er waren een aantal zaken die me een tijdlang afleidden (bijlessen, ziekte), en ik geraakte maar niet opnieuw gestart. En ook voelde ik dat er iets ontbrak. Ik moest in het verhaal een cardioloog aan het woord laten, die in volle coronatijd aan het werk was, maar ik hoewel ik video´s had gezien en interviews had gelezen, voelde ik me niet voldoende in die leefwereld zitten om over die man te schrijven, ook al zou ik niet rechtstreeks over zijn werk moeten schrijven. Dus dat waren allemaal zaken die het heropstarten van het werk deden haperen.

Gisteren vroeg mijn dochter me of we naar de papierwinkel konden gaan, want ze had een nieuwe pennenzak nodig. Dus wij naar de papierwinkel. En daar lag een boekje, En primera linea van Gabriel Heras. Een getuigenis van een Madrileens intensivist over zijn werk in het ziekenhuis tijdens de eerste coronagolf. Ik kocht het met het geld dat ik die middag had verdiend met een bijles, begon er diezelfde avond nog in te lezen, en vanmorgen stonden de eerste woorden op papier.

Zo werkt dat dus, schrijven: het is werken, wachten en een beetje magie.

Lieg over Sinterklaas!

Hou u vast aan de takken van de bomen: uw feministje staat hier op het punt een van de meest patriarchale instituten van ons noorderlijk grondgebied te verdedigen.

Ik las namelijk bij Perfect Day for a Picnic dat de schrijfster zich schoorvoetend door Maarten Boudry had laten overtuigen van het idee dat het pedagogisch onverantwoord is om de Sint als externe autoriteit in te roepen, en dat het liegen over zijn bestaan het vertrouwen tussen ouders en kinderen schaadt. Ik kon het artikel zelf niet vinden, maar blijkbaar is ze niet de enige die met tegenzin toegeeft dat mijnheer Boudry ergens wel gelijk heeft.

Zoiets doet mij meteen in mijn pen kruipen, want ik ben een grote fan van de Sint. Alle herinneringen in verband met het Sinterklaasgebeuren behoren tot de mooiste en meest intense van mijn kindertijd. De ontdekking van prachtig uitgestald speelgoed en snoepgoed op 6 december was steeds een apotheose na dagen van voorpret, en telkens ik als kleine believer door Sinterklaas werd aangesproken, voelde ik me gezien, geliefd en uitverkoren.

De vraag is nu: hebben mijn ouders indertijd hun eigen gezag ondermijnd door de controle over de geschenken bij een Spaanse bisschop te leggen? Wie daarvan overtuigd is, overschat mijns inziens schromelijk de draagwijdte van die goedheilige macht. In mijn persoonlijke ervaring als ouder bedraagt die macht geen jaar, maar een week. Één week. Een zevental dagen dat je, met een beetje geluk, tot een dag of tien kan uitrekken. Wanneer dochter het in de week voor Sinterklaas werkelijk te bont maakt, dan roep ik: GE MOET NIET DENKEN DAT SINTERKLAAS KOMT ALS GE U ZO GEDRAAGT! Op korte termijn heeft dat impact -in september moet je zoiets niet proberen. Is dit een pedagogische fout? Wel, dat kan mij eigenlijk weinig schelen. Ik gun mezelf dat ene weekje waarop ik mijn ouderlijke autoriteit niet grotendeels alleen moet dragen. Dat is het kadootje dat ik als ouder krijg van de lieve Sint. Laat ons ook niet vergeten dat elk kind anders is: dat er intensieve en zéér intensieve kinderen bestaan. En dat de ouders van zéér intensieve kinderen af en toe een beetje hulp van hierboven kunnen gebruiken.

Ten tweede: is het fout kinderen duidelijk te maken dat je een beetje je best moet doen om een kado te verdienen? Ik vind van niet. Natuurlijk weten we dat het in de wereld der volwassenen soms de bullebakken zijn die met de grootste kado´s gaan lopen. Maar die wetenschap wringt, het voelt aan als onrecht. Misschien net omdat we met het tegenovergestelde idee zijn opgevoed: wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is, de roe. En wat er precies begrepen dient te worden onder “zoet” en “stout”, dat vul je als ouder toch gewoon zelf in?

Dat het een oudere man moet zijn die bepaalt wie wel kadootjes krijgt en wie niet, daar wringt natuurlijk het schoentje. Maar daar passen we al jaar en dag een mouw aan door onze kinderen zonder onderscheid allemaal van kadootjes te voorzien. En er is nóg een achterpoortje: de Sint bestaat namelijk niet echt (surpraaais), dus kan je hem als ouder precies zo inkleuren als je zelf wil. In de leefwereld van mijn dochter is Sinterklaas nooit een autoritair, controlerend personage geweest, maar eerder een vrijgevig geriatrisch figuur, die in het openbaar wel eens streng wil overkomen, maar dat is slechts voor de show, dat snapt dochterlief ook wel. En onlangs hebben we samen die schitterende, op-en-top-feministische Disneyfilm Noelle gezien, wat al die jaren Sinterklazerij ruim gecompenseerd heeft, lijkt mij.

En dan de hamvraag: mag je liegen tegen je kinderen?

Ten eerste hoort liegen bij opvoeden, al moet je goed weten wat voor leugens je vertelt en hoe je ze inkleedt. Maar liegen moet je. Hoe kan je je kroost anders beschermen tegen de harde realiteit, het drama van de naakte feiten? Kinderen moet je langzaam aan de ruwe werkelijkheid van de wereld laten wennen, en dan kan je soms niet anders dan er een leugentje bijhalen. Nu kan er geargumenteerd worden dat er minder noodzaak is te liegen over de Sint dan over ziekte, dood, misbruik, en waarom tante Lola niet meer met nonkel Marc praat. Dus waarom erover liegen? Omwille van de magie, beste mensen. ´s Avonds in je bed met gespitste oren liggen luisteren naar vermeende hoefslagen, is een magische bezigheid. In de supermarkt Sinterklaas Superstar tegenkomen is een magische ontmoeting. Je kan ervoor kiezen niet tegen je kinderen te “liegen” omtrent het bestaan van de Sint, maar daarmee ontzeg je je kroost ook een aantal magische ervaringen tijdens een ontwikkelingsfase waarin magie net een belangrijke plaats inneemt.

Rest mij nog een korte aanval op het argument der schending van het vertrouwen. Ik heb in mijn bescheiden 39 jaar honderden manieren gezien waarop ouders het vertrouwen van hun kinderen (soms onherstelbaar) beschadigden, vele daarvan sociaal aanvaard of zelfs aangemoedigd door staat en omstaanders. De leugen omtrent het bestaan van de Sint was daar nooit één van. Zalig zij de adolescent die zijn of haar ouders enkel dát te verwijten heeft: de verhalen omtrent een vriendelijke, vrijgevige bejaarde die op een schimmel over de daken reed.

Ik heb het daarnet even gecheckt bij mijn achtjarige, of ze zich bedrogen voelde door het feit dat ik haar “voorgelogen” had over het bestaan van Sinterklaas. “Nee,” zei ze, zonder verpinken. “Maar het was wel leuker toen ik nog geloofde dat hij bestond.” Waarmee ik opgelucht mijn betoog over de waarde van magische herinneringen kon onderschrijven.

Net toen ik op het punt stond haar kamer te verlaten, riep ze me terug. “Maar er is wel één ding waarover je niet had mogen liegen, mama.”

Gealarmeerd draaide ik me om. “En dat is?”

“Jij en papa hebben altijd gezegd dat de aarde rond is.”

“En de aarde is niet…?”

Toen viel mijn frank, en ik zei: “Sorry, je hebt gelijk. De aarde is niet perfect rond. Ze is afgeplat aan de polen.”

Dochterlief knikte ernstig, maar gelukkig zag ik in haar ogen dat ze het me al vergeven had.