Haben wir es nicht gewusst?

De Tweede Wereldoorlog was net voorbij, en nee, de Duitsers wisten niets af van die concentratiekampen.

Welke kampen?

Wir haben es nicht gewusst.

Daar hebben wij altijd lekker smalend over kunnen doen. Een humanitaire ramp in je achtertuin en nergens van weten? Onzin toch. Maar kijk, het gebeurt nu opnieuw, en kennelijk is het toch erg makkelijk om de andere kant op te kijken. Foto´s van verdronken kleuters bij het oud papier te klasseren. Redenen te verzinnen waarom het niet goed zou zijn voor onze samenleving om die mensen hier te ontvangen, hoewel Europese vluchtelingen door de eeuwen heen zowat over de hele wereld terecht konden, als ze al niet ongevraagd van boord gingen om Kolonisten van Catan real-life extended version te spelen.

Wanneer we even de moed opbrengen om niet weg te kijken, zien we dit: met ons belastinggeld worden vluchtelingen weer de zee in geduwd: “In one of the biggest mass expulsions in decades, European countries, supported by EU’s border agency Frontex, has systematically pushed back refugees, including children fleeing from wars, in their thousands, using illegal tactics ranging from assault to brutality during detention or transportation.” Dat kon je gisteren in The Guardian lezen.

’In this context, deaths at sea since the beginning of the pandemic are directly or indirectly linked to the EU approach aimed at closing all doors to Europe and the increasing externalisation of migration control to countries such as Libya.’’

Dat is dus wat er met ons belastinggeld gebeurt. Kinderen die de oorlog ontvluchten, worden met behulp van ons geld naar de verdrinkingsdood geleid. Op de wikipediapagina van Frontex kan je een idee krijgen van hoeveel geld er aan de mannen van Frontex besteed wordt. Dat is de financiële kostprijs van deze waanzin. Dat geld zou ook gebruikt kunnen worden om veilige, goed uitgeruste kampen op te zetten, ik zeg maar iets.

De humane kostprijs is die van stervende kinderen, mannen en vrouwen in de Middellandse Zee. Dat zijn geen mensen die naar hier willen komen omdat ze met een klassebak willen rijden, he. Dat zijn mensen die veilig willen zijn, willen werken, en hun kinderen naar school willen brengen. En die laten we creperen op de Griekse eilanden, of we duwen hen kopje onder in de Middellandse Zee. Diezelfde zee waar iedereen zo graag naar op vakantie wil.

Waarschijnlijk gaat deze post mij lezers kosten, want ontspannend is het niet. Maar ik kan het echt niet meer aanzien. Ik woon op 4 kilometer van de zee, en elke keer als ik ze zie, denk ik aan al die mensen die daar elk jaar in verdrinken, omdat ze teruggeduwd worden door een stel bruten die betaald worden -ik zeg het nog een keer – met ons belastinggeld.

Wat kunnen wij daaraan doen? Hier zijn een paar ideeën:

  • verspreid deze woorden.
  • volg en/of steun projecten en mensen die met vluchtelingen werken. Sommige vluchtelingen hebben zelf een instagramprofiel. Deel informatie erover op sociale media (bijvoorbeeld: Second Tree, The Hope Project, Fenix).
  • bestel het “Now you see me Moria” actieboek in voorverkoop (er is een gebonden en een ongebonden versie voor tentoonstellingen) en zet een tentoonstelling op in je eigen dorp of gebruik het om een raamcampagne op touw te zetten. Je kan het boek vinden op http://www.voordekunst.nl.
  • lees over migratie en denk erover na.
  • praat erover met anderen.
  • vergeet deze mensen niet.

Ik weet dat dit geen aangename dingen zijn om te lezen wanneer je eigenlijk wil ontspannen, dus wil ik jullie heel erg bedanken om het toch gelezen te hebben.

Adoptie

De enige die mij soms als een buitenstaander ziet, ben ik waarschijnlijk zelf.

Zit ik met mijn schoonfamilie aan tafel, dan komt er nog altijd een moment waarop ik denk: ik ga deze taal nooit volledig begrijpen, de culturele referenties nooit vatten, ik ga nooit helemaal mee zijn, want wat ik die eerste achtentwintig jaar gemist heb, valt niet in te halen. Maar dan kijkt mijn schoonmoeder me aan en vraagt: “Hoe gaat het nu met jullie groepje, repeteren jullie nog?” en daarmee trekt ze me meteen weer op het moederschip.

Wanneer ik thuis na een zoomsessie met Belgische en Nederlandse vriendinnen een beetje verloren voor me uit zit te staren, de kilometers tellend tussen mijn heimat en de tierra valenciana, komt Irene aanbellen en zegt: “Ik ga wandelen, kom je mee?” Dan neemt ze me op sleeptouw het dorp door, en kijk, daar zijn Teresa en Cristina ook, en zo lopen we dan met z´n vieren te praten en te lachen, we slaan een pad in dat tussen de boomgaarden loopt, ruiken de sinaasappelbloesems die de avondlucht omtoveren tot een zoet en overvloedig luxeparfum.

Het mooiste geschenk dat je iemand kan geven, is het gevoel erbij te horen.

Ik wens het iedereen toe, migranten en niet-migranten, en vooral mensen zoals ik, die zich er tot het einde der tijden een beetje tegen zullen blijven verzetten, om wat voor reden dan ook.

Waarom ik weiger mijzelf een expat te noemen

Vanmorgen las ik deze post van Loes, waarin ze vertelt hoe iemand reageerde op het feit dat ze zichzelf een migrant had genoemd (wat ze ook daadwerkelijk is, want Loes is als Nederlandse naar België verhuisd), en dit zinnetje brak mijn hart: “Rond het woord migrant hangt zo’n negativiteit, zo wil ik jou helemaal niet zien.

Ik ben ook een migrant. Een super-mega-bevoorrechte migrant. Want ik ben wit en kom uit een rijk land. Het was ontzettend moeilijk om mezelf te verplanten, het heeft jaren geduurd, maar ik heb nooit tegen veel vooroordelen moeten opboksen. Ik word nooit scheef of vies bekeken wanneer ik ergens binnenstap, ik word nooit uitgejouwd op straat. Integendeel, wanneer ik zeg dat ik uit België kom, krijg ik vaak zelfs iets van bewondering te zien in de ogen van mijn Spaanse medemens. Alsof ik van een beschaafdere plek kom (wat niet het geval is). Enkel wanneer ze mij Nederlands horen praten, wordt er wel eens gelachen (¿Qué te pasa en la boca?) maar altijd op een goedhartige manier.

Desondanks was het dus echt wel zwaar, en ik kan me niet voorstellen hoe vele andere migranten bovenop de bagage van verlies en heimwee ook nog eens de last torsen van minachting en afwijzing.

Toen ik hier amper een jaar was, vroeg een Ierse collega me of ik een uurtje op hun dochtertje kon passen, want hun oppas moest wat vroeger weg. Ik zei ja, en tijdens het aflossen maakte ik een praatje met de oppas, een Zuid-Amerikaanse vrouw van in de veertig. “Heb je zelf kinderen?” vroeg ik. “Ja,” zei ze, “maar die zijn in Zuid-Amerika.” En zo leerde ik op mijn 28e hoe de wereld in elkaar zit: dat er mensen zijn die op de kinderen van een ander gaan passen, om eten te kunnen kopen voor hun eigen kinderen -aan de andere kant van de wereld.

Deze mensen worden nooit expats genoemd, hoewel ze zich even goed ex patria bevinden. De term expat wordt voornamelijk gebruikt om rijke, witte migranten te onderscheiden van alle anderen. Als je de term “migrant” een negatieve bijklank wil geven, is het namelijk een flinke hulp wanneer je alle rijke witte migranten uit die groep kan houden.

Daar doe ik dus niet aan mee. Voor mij zijn expats mensen die een tijdje voor hun werk in het buitenland moeten verblijven. En migranten zijn mensen die naar het buitenland verhuisd zijn, met het idee er minstens voor langere tijd te verblijven. Volgens die definitie ben ik een migrant, en zijn de Afrikanen die hier tijdens de fruitoogst komen werken expats. (Zie ook dit artikel in The Guardian.)

Er is weinig dat mij zoveel voldoening schenkt als zwarte fruitplukkers in Spanje in dezelfde categorie onder te kunnen brengen als Europese zakenlui in Tokyo. En Belgen die hun land hebben verlaten in dezelfde groep te zetten als Colombianen in Spanje of Marokkanen in België.

Wie weet raken we zo van die schadelijke negatieve connotatie af.

Kerst in de “peatonal” en een bedenking

Dit is hoe wij kerst gevierd hebben op 24 december.

´s Middags aten we met mijn schoonfamilie buiten op het terras. We waren met exact 6 volwassenen en 1 kind. Alle nootjes en chips gingen in aparte kommetjes om speekseloverdracht tijdens te graaien te voorkomen, een ingreep waar sommigen wat lacherig over deden. Nadien zaten we nog even in het late winterzonnetje, en namen we een familiefoto waar alleen de tweeling (mijn man en zijn broer) scherp op stonden –it´s a twin thing.

Bij het vallen van de avond kwamen de buren bij elkaar in het voetgangersstraatje (peatonal) achter onze huizen. Ze sleepten tafels en stoelen aan, bonbons en rum kwamen boven, en er doken ook twee gitaren op. Een buurman van een paar straten verder passeerde -iemand die ik op een wandeling met de hond wel eens in de beslotenheid van zijn woonkamer een Guns N´ Roses solo had horen spelen, maar nog nooit had horen zingen. Die buurman nam een gitaar vast, en bleek me dat dus een echte muzikant te zijn, het soort dat kan spelen en zingen tegelijkertijd, met een fantastische stem die de hele buurt vult. We zongen Soldadito Marinero en Nothing Else Matters, en toen zette hij zijn mondmasker weer op, wenste ons een vrolijke kerst, en vervolgde zijn weg.

Toen bleven we over met de kern van de buren, nog steeds op veilige afstand van elkaar, maar dat was meer dan genoeg. Onze buurman de muziekleraar en ik namen de gitaren, de anderen schraapten de kelen. We speelden en we zongen. En we eindigden zoals we bijna altijd eindigen: met Nino Bravo. Al partir, un beso y una flor, un te quiero, una caricia, y un adiós. Wat in feite het lied is van een emigrant die het geluk gaat zoeken aan de overkant van het grote water, en van zijn geliefde een kus en een bloem meeneemt, een ik hou van je, een liefkozing, en een vaarwel. Dat is lichte bagage voor zo´n lange reis, zingt Bravo. En ik denk aan al die mensen, gestrand op onze onbarmhartige kusten, in flinterdunne tentjes. Ik denk aan de mensen die hen daar niet willen, ik denk aan de politici die niets ondernemen, en ik denk aan de mensen die hen voedsel en kleren opsturen, die de tentenkampen van elektriciteit voorzien, die workshops opzetten en geïmproviseerde klasjes, die een ziekenhuisvrachtwagen inrichten er ermee van Nederland naar Griekenland rijden, aan gepensioneerde artsen en verplegers die daar de handen uit de mouwen steken met een minimum aan middelen ter beschikking. En ik denk: kerst is iets wat je elke dag in je draagt, of niet.

Laat ons hopen dat het besmettelijk is.

De Orde van de Pad: achter de schermen

Een paar mensen vroegen me, na het lezen van dit kortverhaal, of die Antonio echt bestaat, en hoe het zit met dat paddengif/medicijn. Dus zal ik hier even wat meer uitleg geven over hoe ik tot dat kortverhaal gekomen ben.

Het begon met een video van Miscelánea Mexicana, getiteld “El profeta del sapo”, die een (hippie) vriend me vorig jaar doorstuurde. Daarin zie je hoe dokter Octavio Rettig´s nachts in de Mexicaanse woestijn op zoek gaat naar Coloradopadden, en hun klieren uitknijpt. Met de slijmerige opbrengst daarvan brouwt hij een drug/medicijn en met dat goedje brengt hij drugsverslaafden weer op het juiste pad (pun not intended). Niet dat ik er hier reclame voor wil maken, en het is ook maar de vraag in hoeverre dit allemaal risicoloos is, maar soit. Voor wie Spaans wil oefenen, zal ik onderaan de video zetten.

Risicoloos of niet, het was wel impressionant om te zien hoe zij die de drug kregen toegediend een overweldigend gevoel van eenheid en grenzeloze liefde ervaarden. En aangezien ik die video zag rond de tijd dat de extreem-rechtse partij Vox weer meer in het nieuws kwam, was de link al snel gelegd: wat zou er gebeuren als je extreem-rechtse politici die drug toediende? Zouden die nadien nog steeds in staat zijn hun gedachtegoed te verdedigen? Kan je bijvoorbeeld, na het ervaren van totale liefde en verbondenheid, nog steeds blijven beweren dat vluchtelingen die in de Middellanse Zee verdrinken niet gered mogen worden?

En wat als er een groep activisten het op zich zou nemen om bepaalde politici te gaan “bekeren” -op een wel heel onorthodoxe manier? Hoe zouden ze te werk gaan? Wat zouden de gevolgen zijn? Heiligt het doel de middelen?

Dat zijn een aantal van de vragen die ik met dit kortverhaal wou oproepen.

Ter voorbereiding heb ik ook een toespraak van één van de kopstukken van Vox bekeken, en daarop is de eerste paragraaf gebaseerd. Nu ja, ik heb de helft bekeken, want na vijftien minuten kon ik het niet meer aan. Dat gedachtegoed is immers niet gemaakt met het welzijn van geëmigreerde vrouwen in het achterhoofd. Een beetje paddenmedicijn zou die man vast geen kwaad doen, denk ik stiekem.

 

 

 

L’histoire se répète

Uit een boek dat ik onlangs op een Belgische zolder tegenkwam.

Zoek de gelijkenissen met het begin van de eenentwintigste eeuw.

“Tussen 1871 en 1911 verlieten ongeveer 28 miljoen mensen Europa. Ze trokken naar Australië, Nieuw-Zeeland, Brazilië, Argentinië, Canada en Amerika.

Vele Europese bedrijven vestigden een kleine handelspost in buitenlandse havens.  Nederlandse en Duitse boeren verkochten hun boerderij en kochten land van de Amerikaanse spoorwegmaatschappijen. Veel emigranten raakten enthousiast door een boek van de Amerikaanse journalist James Brisbin uit 1881, waarin hij beschreef hoe je snel rijk kon worden als veeboer in Amerika.

Engelse boeren gingen naar Australië of Nieuw-Zeeland, op zoek naar sappige weiden; mijnwerkers uit Wales trokken naar Pennsylvania, waar ze meer geld konden verdienen. Italiaanse boeren gingen als ongeschoold arbeider werken bij de Amerikaanse spoorwegen. Ook werden vaak Poolse mannen aangenomen voor werk aan de spoorweg. Ze reisden meestal in groepjes van tien en hadden een oud vrouwtje bij zich dat voor ze waste en kookte.

Andere emigranten waren mislukkelingen die opnieuw wilden beginnen: zakenlieden die al hun geld hadden verloren, verarmde adel en misdadigers die voor de politie op de vlucht waren. Sommige arbeiders die op de zwarte lijst waren gekomen vanwege vakbondsactiviteiten, kregen van hun vakbond een kaartje voor de overtocht. Ierse boeren vluchtten weg van de armoede en honger, Slowaken ontvluchtten de politieke onderdrukking in Hongarije. Uit Rusland kwamen joden “bij wie de onderdrukking van het gezicht te lezen viel”.

De emigranten kwamen in een vreemde, vijandige omgeving terecht. Toen Engelse boeren in Wisconsin kerstliederen zongen op kerstavond, raakten andere emigranten in paniek -ze dachten Indiaanse strijdkreten te horen. De nieuwkomers, die helemaal onderaan moesten beginnen en werden uitgescholden voor “spaghettivreter” of “pinda”, zochten steun bij elkaar. Hun nationalistische trots werd vaak nog sterker dan toen ze nog in hun vaderland woonden. Amerikaanse Ieren spaarden hun geld op en stuurden het naar Ierland om de strijd tegen de Engelsen te steunen.

De meeste emigranten waren enthousiast, intelligent (ook al hadden ze vaak niet veel opleiding) en pasten zich gemakkelijk aan. Het waren harde werkers en hun kinderen profiteerden daarvan. Vaak lieten ze familieleden op hun kosten overkomen of stuurden ze geld naar huis om een bejaard familielid te helpen. De brief die ze meestuurden ging dan het hele dorp rond en zo kregen anderen ook zin om naar de Nieuwe Wereld te gaan. ”

(Uit “Zo was het tijdens de Industriële Revolutie”, uitgeverij De Hoeve, 1993)

En dan stond er ook nog een foto onder van migranten op het dek van een stoomboot, met volgend onderschrift:

“De migranten wacht eerst nog een gevaarlijke overtocht op het tussendek (de goedkoopste slaapplaats) van een oud schip. Het verhaal gaat dat de kapitein soms passagiers overboord gooit als ze niet opnieuw het geld voor de overtocht betalen. Hele gezinnen gaan soms dood door honger of ziekte.”

 

 

Het geheim van de vampierenfee

Ik schrijf hier niet vaak over mijn dochter, omdat ik haar liever van het internet wil houden, maar onderstaande anekdote kan vast geen kwaad. Het gaat over lezen.

Als ouder wil je niet liever dan dat je kind verslingerd raakt aan boeken. Want lezen is voor alles goed: mentale, culturele en psychologische ontwikkeling, uitbreiding van hun woordenschat, schoolcijfers, etcetera. Bovendien verbruikt een lezend kind geen electriciteit en is het, zolang het niet hardop leest, nog stil ook.

De grote uitdaging is een boek te vinden dat je kind uit zichzelf wil lezen, want motivatie is alles. Wat een zegening is het dan ook wanneer je kind zijn zinnen zet op een Reeks. Zo hoef je als ouder niet na elk boek opnieuw naar iets interessants op zoek, maar haal je gewoon het volgende boek uit de Reeks.

Daarom staan er overal ter wereld boekenkasten vol met Karl May, Babysitters Club en Harry Potter.

Mijn zevenjarige heeft geheel op eigen kracht een reeksje gevonden dat ze leuk vindt. Ik zat er zelfs een beetje verbaasd naar te kijken hoe gedreven ze zich door het eerste roze-grijze boekje van Isadora Moon las. (*) Aan de tekeningen te zien, ging het over een soort vampierenmeisje met een toverstaf, die avonturen beleeft met haar sprekende pop en roze draak.

Zodra dochterlief het eerste boekje uit had, kocht ik haar als beloning meteen een tweede. Dat had ze binnen de drie dagen ook al uit, dus stond ik binnen de kortste keren weer in de boekenwinkel.

Nu is er tegenwoordig een ganse markt aan meisjesboeken. Dus ergens vroeg ik me af: waarom Isadora Moon? Wat maakt dat ze net die boekjes zo graag leest?

Bij de aankoop van het derde exemplaar, werd er een tip van de sluier opgelicht. Ik las voor het eerst de volledige tekst op de achterflap, en daar werd uitgelegd hoe het nu eigenlijk zit met de kleine Isadora. Ze is namelijk half vampier en half fee. Want haar vader is een vampier en haar moeder een fee. Ik las het en legde onwillekeurig mijn hand op mijn hart. Dat had mijn dochter dus in die boekjes herkend: het half-half zijn, het hebben van twee verschillende ouders uit twee verschillende werelden, die ze allebei op een of andere manier in zich draagt. En waardoor ze soms niet goed weet waar ze precies thuishoort, omdat er op elke plek wel iets is wat haar anders maakt.

Anders, maar uniek.

Mijn lieve, kleine vampierenfee.

 

(*) Voor de mensen die zich nu afvragen in welke taal ze die leest (want die mensen zijn er 😉 ), het is de Spaanse vertaling.

Brief van een allochtoon

Mijn man heeft een Spaanse vriend die met zijn Zuid-Koreaanse echtgenote en hun twee jonge kinderen in Wales woont. Op een dag kwam bij hen thuis de conversatie op het onderwerp “nationaliteiten”, naar aanleiding van een activiteit over vlaggen, die hun zoontje op de kleuterschool had gedaan. “Jij bent Spaans-Koreaans,” zeiden zijn ouders hem. “Niet waar!” protesteerde het jongetje. “Ik ben Welsh!”

Daaraan moest ik denken toen ik gisteren in De Standaard online deze kop las: “Blikvanger Leuven krijgt met Mohamed Ridouani allochtone burgemeester“. Ridouani een allochtoon? De man is in Kessel-Lo geboren en heeft zijn hele leven in Leuven gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij is Leuvenser dan al die Vlamingen die in Leuven zijn blijven hangen na hun studies. Daar klopte volgens mij iets niet, en daarom nam ik het woordenboek erbij.

In Van Dale zag ik de dubbelzinnigheid waarmee wij het woord allochtoon gebruiken bevestigd:

  • allochtoon (bijvoeglijk naamwoord): van elders alfkomstig (tegenstelling: autochtoon)
  • allochtoon (de; m, v; meervoud: allochtonen): iemand die van elders afkomstig is (tegenstelling autochtoon). Het CBS definieert een allochtoon als iemand van wie miniumaal één van de ouders in het buitenland geboren is.

En daar zit het hem. Het woord allochtoon wordt dus gebruikt voor zowel mensen die letterlijk van ergens anders afkomstig zijn, als voor de kinderen van mensen die van elders afkomstig zijn. Dus die kinderen worden in dezelfde categorie geschaard als mensen die werkelijk van elders afkomstig zijn, ook al zijn ze zelf niet van elders afkomstig

Dit lijkt gevit, maar ik vind dit een zeer belangrijke kink in de kabel.

Een paar maanden geleden noemde iemand me (voor de grap weliswaar, maar toch) een guiri. Dat is het woord waarmee hier naar toeristen verwezen wordt, voornamelijk die met een roodverbrand gezicht. Ik voelde mij echt gekwetst. Ik dacht: ik woon hier verdorie al tien jaar, heb twee talen bijgeleerd, steek mijn kind in het weekend na 22u in bed, en nog hoor ik er niet bij.

En nu denk ik: als zo´n opmerking bij mij al zo hard binnenkomt, hoe moet iemand die in België geboren en getogen is zich dan voelen wanneer ze het etiket “van elders afkomstig” opgekleefd krijgen? Om weer te verwijzen naar het zoontje uit het Spaans-Koreaanse gezin uit de inleiding: dat jongetje wilde volgens mij met alle geweld Welsh genoemd worden omdat hij zich even Welsh voelde als zijn klasgenootjes. En daarin had hij, volgens mij, gelijk.

Nog een ander voorbeeld. Mijn dochter is het kind van een Spaanse vader en een Belgische moeder. Ze is geboren in Spanje. Maar volgens bovenstaande definitie is zij hier dus een allochtoon. Moest ze ooit naar België emigreren, dan is zij daar ook een allochtoon. Waar zij ook woont, zij zal dus altijd een woord opgekleefd kunnen krijgen dat betekent: van elders afkomstig. Voor mij klinkt dat alsof ze nergens echt thuishoort. En dat klopt langs geen kanten. En daarom is dit geen gevit, want je ergens thuisvoelen is een basisbehoefte.

Daarmee wil ik niet beweren dat er geen verschillen zijn tussen kinderen van migranten en kinderen van niet-migranten. Als je thuiscultuur verschilt van de heersende cultuur in de samenleving, dan zal dat vast een invloed hebben die je niet (of minder) terugvindt in gezinnen waar de thuiscultuur dezelfde is als die buitenshuis. Maar daar het woord allochtoon en autochtoon voor gebruiken, dat vind ik zeer riskant. Die woorden hebben immers behoorlijk wat lading, en verdelen mensen onder in twee kampen (zie dat woord in de Van Dale: tegenstelling). Bij De Morgen hebben ze het volgens mij wat dat betreft veel beter aangepakt, wanneer ze over Pierre Kompany schrijven: “Vader Kompany wordt eerste burgemeester van Afrikaanse origine.

Zullen we de woorden autochtoon en allochtoon dus maar gewoon daar laten waar ze thuishoren, namelijk in geschiedkundige studies over kolonialisme enzo, en wanneer we het hebben over de interessante en uitdagende diversiteit van onze 21e eeuwse samenleving de woorden afkomst en migratie gebruiken? Of beter nog: het coole Engelse woord “roots” gebruiken. Want de uitdrukkingen “afkomstig van” en “van … afkomst” kunnen ook nog voor verwarring zorgen.

Yeah. De truc met de wortels.

 

 

 

 

Aquarius (2)

 

En deze heb ik speciaal voor jullie vertaald. Het is een video van José Mujica, voormalig president van Uruguay, en één van die mensen die je weer wat hoop geven in de politiek.

 

Vrienden,

verbazend is de geschiedenis.

Zowel op sociaal als politiek vlak ploegt Europa zich momenteel door enorme moeilijkheden, waarbij het op spectaculaire wijze meewerkt aan de verdwijningen van duizenden en duizenden mensen die trachten te emigreren, en wij kunnen dit niet vatten.

Dit is zeer pijnlijk, want uiteindelijk kan de menselijke geschiedenis niet begrepen worden zonder rekening te houden met de zowel positieve als negatieve invloed die migratorische fenomenen hebben gehad.

Zonder ver terug te gaan in de tijd kunnen we verwijzen naar het arme Mexico van 1939, dat in één jaar tijd bijna een miljoen immigranten vanuit de Spaanse Republiek ontving.

Elk Latijns-Amerikaans land heeft op een bepaald moment duizenden migranten ontvangen, voornamelijk uit Europa. Wij hier aan de Río de la Plata: tientallen boten, volgeladen met arme gringos, zoals wij ze noemden, arme immigranten die bijgedragen hebben aan de opbouw van onze cultuur, onze taal, onze materiële toekomst. In mijn kleine land kwamen er soms 40.000 aan per jaar. In de Republiek Argentinië in sommige jaren meer dan 200.000.

Hoe kunnen wij begrijpen dat het moderne, rijke Europa zo´n gigantische weerstand vertoont om mensen te integreren die trachten te ontsnappen aan de schaarste, aan de oorlog in Syrië, en aan wat er gebeurt in Afrika?

Bovendien is het net Europa dat een stille maar kolossale schuld heeft dankzij de rekeningen die het opende maar die nooit betaald werden: de Europese kolonisatie van Afrika en het Brits imperialisme over vrijwel de hele wereld.

Deze en andere hallucinante elementen doen het vermoeden rijzen dat naargelang de rijkdom in een samenleving stijgt, ook het egoïsme toeneemt. En dat het toenemen van de rijkdom gepaard gaat met een geleidelijke afname in waarden. Zou dat mogelijk zijn, die schijnbare tegenstelling? Het is alleszins iets waarover we zouden moeten nadenken.