Corona Chronicles: day 61

Vandaag ben ik voor het eerst in die twee maanden weer naar de groentenwinkel van Paco gegaan. Die is onlangs weer geopend, na gedurende de hele lock down gesloten te zijn geweest (om een voor mij onbekende reden).

Laat me eerst iets vertellen over Paco, want afgaand op zijn naam denk ik dat jullie je hem verkeerd gaan voorstellen -als een brede, donkere middle-aged Spanjaard met kolenschophanden en een stoppelbaard, bijvoorbeeld. Maar Paco is een vinnige jongeman van een jaar of dertig. Hij heeft kort, bruin haar, en is ongeveer even groot als ik (dat is dus niet erg groot).

Daar stond hij achter de toonbank, met een mondmasker voor zijn gezicht. Dat het pijn deed achter zijn oren, vertelde hij aan de klant die hij op dat moment bediende. En toen dacht ik aan iets wat ik op Instagram gezien had: ear savers. Ik vertelde hem er niets over, deed mijn inkopen, fietste naar huis. Daar zocht ik het patroon op, en zette me aan het haken. Binnen de kortste keren had ik het gewenste lapje in handen. Daarna nam ik de doos met knopen die ik van mijn grootmoeder geërfd heb, en zocht twee exemplaren uit die mooi bij het groen van het lapje pasten. Twintig minuten voor sluitingstijd stond ik weer in de winkel.

“Probeer dit eens,” zei ik tegen Paco, en liet hem zien hoe hij de salva orejas achteraan het mondmasker kon vasthaken, met de rekkers om de knopen, zodat de achterkant van zijn oorschelpen vrij bleef.

“Nu doet het geen pijn meer!” zei hij blij.

En ik voelde me de held van de dag.

 

 

 

 

 

 

 

Corona Chronicles: day 15

De groentenwinkel waar ik normaal gezien inkopen doe, is gesloten. “Tancat“(*) hangt er aan de deur, zonder verdere uitleg. Dus fiets ik tegenwoordig naar het groentenwinkeltje van Maricarmen, aan de andere kant van het dorp.

Het regende vandaag, wat ik altijd fantastisch vind (Belgisch weer, het thuisgevoel), en in deze tijden van corona nog meer. Want Valencianen zijn met geen stokken door het regenweer te jagen. Toen ik dus vanmorgen door het dorp fietste, leek het een heel gewone dag. Niks geen crisis.

Dat de twee klanten voor mij op twee meter van elkaar stonden, bracht me weer tot de realiteit, evenals het mondmaskertje dat Maricarmen droeg. Maar wat een leuk mondmaskertje was dat! Handgemaakt, met een hip, groen bloemenmotief dat mooi bij haar groene vest paste, en eigenlijk bij het hele interieur van de winkel. Dus toen het mijn beurt was, rolde voor het eerst in mijn leven deze zin uit mijn mond: “¡Qué mascarilla más chula!“(**)

Maricarmen bedankte me voor het compliment, en vertelde me dat een mevrouwtje uit de straat dat masker speciaal voor haar genaaid had. Vier exemplaren had onze groentenvrouw gekregen: twee voor zichzelf en twee voor haar zoon. Omdat ik op dat moment de enige klant in de winkel was, ging ze meteen een van die andere maskertjes halen (een blauw-wit gestreept) en toonde me hoe ingenieus het in elkaar gezet was: het bestond uit twee stoflagen met daartussen ruimte voor een filter. Als filter, zo legde ze me uit,  kon je gewoon een papieren zakdoekje gebruiken. Weer dook ze de kamer achter de winkel in en kwam terug met een pakje papieren zakdoekjes. Ik kreeg de volledige demonstratie.

“Ik heb aan die mevrouw voorgesteld om ervoor te betalen, natuurlijk,” vertelde Maricarmen. “Maar daar wou ze niks van weten. Dus heb ik haar dit gegeven.” Ze trok de koelkast open waarin de kazen bewaard worden, en haalde er een stevig exemplaar uit. “Dit is de favoriete kaas van haar vader.”

Toen kwam er een volgende klant aan, en brak ze haar uitleg af. Ik laadde mijn boodschappen in, kreeg nog een krop sla kado, en fietste weer naar huis.

Op de terugweg zag ik de Protección Civil een voedselpakket aan huis afleveren bij een oud vrouwtje.

Ja, alles komt goed.

Want we zorgen voor elkaar.

 

 

 

(*) “gesloten” in het Valenciaans.

(**) “Wat een tof mondmaskertje, zeg!”