Vlaamse spreekwoorden en zegswijzen

Als je in het buitenland woont, moet je wat extra moeite doen om je moedertaal te onderhouden. Eens kijken of ik de spreekwoorden en zegswijzen nog voldoende beheers…

  • In het land der blinden gaat de zon nooit onder.
  • Wie op eieren loopt, krijgt het met de kippen aan de stok. (Vandaar die knuppel in het hoenderhok.)
  • Beter een vogel in de hand dan een gat.
  • Als het kind met het badwater wordt weggegooid, leiden de rivieren het naar zee.
  • Zoals een tikkende tijdbom thuis tikt, tikt ze nergens.
  • Oost, west, het stinkt hier als de pest.
  • Het gras lijkt altijd groener door een roze bril.
  • Hoge bomen vangen vogels in de lucht.
  • Wie het hart op de tong draagt, kan niet efkes doorbijten.

Jep, ik ben nog helemaal mee.

 

Advertenties

Over praten met een accent

Ik zou graag een filmpje opnemen waarin ik uitleg hoe ik mijn dochter hier in Spanje Nederlands aanleer (als antwoord op een van deze vragen). Maar daar komt een -voor mij- groot probleem bij kijken. Ik wil dat filmpje namelijk opnemen in het Nederlands, maar ik praat geen “mooi” Nederlands. Daarom ben ik bang dat mensen dat filmpje gaan zien en zeggen: hoe kan die haar kind nu Nederlands leren als ze zelf geen Nederlands praat?

Want dit is het bizarre aan de zaak: ik kan alle soorten accenten (Gents, Limburgs, West-Vlaams, Kempisch, Hollands, en -uiteraard- Antwerps). Maar algemeen Nederlands, dat kost mij ongelooflijk veel moeite. Het lukt me wel, maar het klinkt ontzettend artificieel. Ik kan het eigenlijk alleen maar op een natuurlijke manier wanneer ik het zing. Maar om nu een video op te nemen in operastijl, dat lijkt me een beetje ver gaan.

Laten we dit probleem even van een andere kant bekijken met deze vraag: waarom moet ik me schamen voor mijn accent? De prachtige post die CanXatard daar gisteren over schreef, herinnerde me aan een gesprek dat ik ooit had tijdens een personeelsfeest op een school in Oost-Vlaanderen. Een heel lieve mevrouw die daar in het secretariaat werkte, vertelde me dat ze eigenlijk afkomstig was van Limburg. Maar ze praatte perfect algemeen Nederlands. Je kon op geen enkele manier horen dat ze van Limburg was. Dat hadden de nonnen er tijdens haar kindertijd ingedramd, dat ze geen dialect mochten spreken. Ze kon het zelfs niet meer, zei ze.

Dat vond ik doodjammer. Alsof ze van een deel van haar identiteit beroofd was.

Ik weet dat er mensen zijn die daar niet mee akkoord gaan, en ik weet dat er vele argumenten pro algemeen Nederlands zijn. Maar wanneer ik mijn eigen Nederlands aan een onderzoek onderwerp, merk ik dit:

*de basis is onvervalst Antwerps

*er zitten een aantal Oost-Vlaamse woorden in (“vree” bijvoorbeeld)

*ik praat sinds negen jaar met een rollende R, omdat ik dat in het Spaans doe (heeft me een vol jaar gekost om het mezelf aan te leren). Interessant detail: sindsdien gebruik ik ook in het Nederlands geen Franse R meer.

*ik gebruik Astrid Bryangewijs een behoorlijk aantal Engelse en Spaanse woorden, vooral stopwoorden (“bueno”, “mira”, “oye”, “anyway”, “sure”, etc.)

Mijn taal is dus een soort logboek van mijn leven. Ik heb 18 jaar in Antwerpen gewoond, 10 jaar in Gent en 10 jaar in Spanje. En dat zit in mijn taal.

Ik vind dat mooi.

Hetzelfde geldt voor mijn Spaans en Engels. Voor ik naar Belfast vertrok, had ik een perfect Engels accent, op en top Received Pronunciation. Maar in Belfast zijn daar die Ierse klanken bijgekomen, en dat ben ik nooit meer helemaal kwijtgeraakt. En aan mijn Spaans kunnen Spanjaarden niet alleen horen dat ik uit het buitenland kom, maar ook dat ik Spaans heb geleerd in Valencia. In plaats van jammer vind ik dat juist cool. Het laat zien dat taal niet steriel is, maar net heel ontvankelijk. Vruchtbaar.

Natuurlijk is het wel de bedoeling dat je verstaanbaar praat. En ik weet ook wel dat er nog een verschil is tussen dialecten en accenten. De lengte die deze blogpost onderhand heeft bereikt, weerhoudt mij er echter van daar ook nog op in te gaan. Liever zou ik hier afsluiten met dit citaat van Amy Chua:

“Do you know what a foreign accent is? It´s a sign of bravery.”

 

 

 

 

 

Een halfafgewerkte, visuele liefdesverklaring aan het Vlaams en het Nederlands

Ondanks het feit dat mijn eigen Nederlands een nogal hoog Astrid Bryan gehalte heeft, ben ik een groot liefhebber van mijn moedertaal. Ik las dan ook met veel plezier Loes´ Ode aan het Nederlandsch. Ze eindigt die post met: Er zijn nog zoveel meer mooie woorden, zoals rompslomp en dartelen en dwaallicht, vergeet-me-nietje en doodstil. Wat zijn joufavorieten?

Het antwoord op die vraag was ik al een paar jaar eerder beginnen formuleren, op een vel van een tekenblok. Bij deze:

woorden

(En nu zie ik juist dat vergeet-mij-nietje er daar ook tussenstaat 🙂 )

 

 

 

Op vriendelijke wijze mensen weren in minder dan vijf woorden.

Ik vind het niet tof als er mensen aan mijn voordeur komen om mij iets aan te smeren. Als ik thuis ben, wil ik met rust gelaten worden. Gisteren zat ik op de wc toen de getuigen van Jehova langskwamen; daarstraks stond ik op het punt een onwillige printer door het raam te smijten toen er iemand kwam aanbellen om te vragen of ik een alarmsysteem wou kopen. Gelukkig heb ik doorheen de jaren geleerd hoe ik deze onderbrekingen zo snel mogelijk kan afhandelen. Slechts één zinnetje heb ik daarvoor nodig.

In het geval van Jehova-getuigen, bijbelgroepen of een ander soort religieuze passanten, kijk ik hen liefdevol aan en zeg: “Soy budista.” Dat werkt echt schitterend. (*) Ze kijken dan meestal even een beetje verward, komen daarna verbazend snel en geheel op eigen kracht tot de conclusie dat er niets aan te doen valt, en vervolgen waardig hun weg.

In het geval van daarjuist, met de man die alarmsystemen verkocht, trok ik tamelijk verwilderd de voordeur open: mijn haar naar alle kanten en een blik in mijn ogen waarin de woestheid brandde van mijn recente confrontatie met een weerbarstig wifi-systeem. (Als er iets is wat mij binnen de twee minuten tegen het plafond kan doen gaan, dan zijn het computers. Ik heb een engelengeduld met mechanische apparaten, maar onwillige electronica: o wee.) Dat hielp wel, denk ik. Terwijl hij me vroeg of ik een alarmsysteem voor ons huis wou overwegen, zag ik hem al denken: dit wil een inbreker ´s nachts niet tegenkomen. Toen ik daar nog eens “¡Tenemos un perro!” (wij hebben een hond) bovenop gooide, had ook hij geen enkel duwtje in de rug meer nodig om meteen naar de volgende voordeur te trekken.

In alle andere gevallen waar ik niet meteen iets concreets kan verzinnen (mensen van verzekeringsmaatschappijen, boekenclubs, banken, etc.), gebruik ik dit ene zinnetje: “I´m so sorry, my Spanish is very bad.” (**) De dapperen onder hen proberen dan nog even weerstand te bieden met een paar woorden Engels, maar tot hiertoe heeft iedereen het binnen de tien seconden opgegeven.

Et voilà. Zo regelt men dat.

 

(*) Ik heb mezelf er wel van moeten overtuigen dat het geoorloofd is dit te verkondigen, omdat ik wel iets van boeddhisme afweet en een Boeddha in mijn badkamer heb staan. Maar hoe het op mijn karma gaat wegen, weet ik niet.

 

(**) Stout, stout, stout. Ik weet het.

 

 

 

 

Stap 3: Russisch leren

Even ter opfrissing: mijn Plan is een soort handleiding schrijven voor Spaanse ouders om hun kinderen te helpen Engels te leren. Want het volgen van de vuistregel “zet uw kinderen voor Engelstalige tv-programma´s” is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Probeer maar eens een kind van zes te verplichten tv te kijken in een taal die hij of zij niet begrijpt. Lang duurt dat meestal niet.

Er zijn evenwel een aantal trucs om kinderen aan een taal te laten wennen, en die probeer ik dus op papier te krijgen. Maar om de proef op de som te nemen, wou ik die eerst eens toepassen met een taal die ik zelf niet kan. Ik krijg namelijk vaak te horen: “Jamaar, natuurlijk dat uw dochter Engels kan, want gij kunt dat zelf ook”.

Dus ging ik op zoek naar een nieuwe taal waarvoor ik zowel mezelf als mijn dochter kon motiveren. Russisch leek de uitgelezen kandidaat, want Elena heeft een Russisch vriendinnetje, wier moeder steeds Russisch met haar spreekt. Het is een zeer beweeglijk kind, waardoor we alvast één woordje hadden opgepikt: сюда (suda) betekent “hier!”

Ik stipte de zomervakantie aan als uitgelezen periode voor dit experiment. Maar om twee redenen liep het een beetje mis:

  1. de methode is tamelijk intensief voor de ouder (enfin, niet zo intensief, maar toch iets meer dan je kind afzetten aan de taalacademie en een uurtje later weer ophalen)
  2. deze native Belgian blijkt elk jaar slechter en slechter tegen de hitte van de Spaanse zomer te kunnen (opwarming van de aarde enzo, aaargh, wat gaan wij hier doen over 20 jaar?) en functioneerde bijgevolg drie maanden lang op survival mode

Na twee weken liep alles dus in het slop, en uiteindelijk kwam er niets van. Of: bijna niets.

Want onlangs, tijdens een zeer hectisch logeerpartijtje dat mijn HSP-zenuwen zwaar op de proef stelde, zat het Russische vriendinnetje in haar pyama naast mijn dochter, en vroeg of ze voor het slapengaan even met haar moeder kon bellen. Ik gaf haar de telefoon, en tijdens het onverstaanbare gesprek zag ik in de ogen van mijn dochter opeens lichtjes van herkenning. Haar vriendinnetje had хорошо (chorosjo) gezegd, wat “goed” betekent.

Xорошо, mama!” herhaalde mijn dochter vrolijk. “Xорошо!”

Ik weet dat het niet veel is, maar de helse hitte van de voorbije zomer en al het geaccumuleerde slaapgebrek van de laatste jaren indachtig, besloot ik met dit ene woord de missie als volbracht te beschouwen.

Bovendien een mooi woord om stap 3 mee te besluiten.

хорошо

 

 

 

 

 

Het Organische Zwemmen

In het boekje dat ik aan het schrijven ben, probeer ik iets uit te leggen over taalverwerving, gebaseerd op mijn eigen ervaringen als leerkracht, migrant en ouder. Een van de bedenkingen die ik daarbij had, was of ik wel zomaar strategieën mocht afleiden uit de leerervaringen van mijn dochter en ervan uitgaan dat die voor alle kinderen zouden werken. Ik besef wel dat elk kind anders is, en dat mijn dochter veel aanleg heeft voor taal.

Is het dan wel eerlijk dat ik andere ouders ga vertellen dat ze voor een stimulerende leeromgeving moeten zorgen, en daarna gewoon aan de kant mogen gaan staan supporteren? (Enfin, het is niet alleen dat natuurlijk, maar daar gaat wel een van de hoofdstukken over.)

Mijn twijfels daaromtrent werden deze zomer weggenomen aan de rand van het zwembad.

Zwembaden zijn hier onmisbaar om de hete Spaanse zomer door te komen. Er is het openluchtzwembad hier in het dorp, waar iedereen ´s namiddags samenkomt, en er is het zwembad van de xalet van de grootouders, waar we bijna elk weekend heengaan. We hebben ons een tijdje afgevraagd of we onze dochter op zwemles zouden sturen, aangezien ze zoveel tijd in en rond zwembaden spendeert; sommige van haar vriendjes gaan al naar de zwemles vanaf dat ze baby´s waren. Maar ik zag mijn kleine peutertje in het plonsbadje van het openluchtzwembad (toen schreef ik dit) en besloot te wachten. Ze was daar namelijk aan het experimenteren geslagen met onderwaterzwemmen en ik dacht: laten we eens kijken hoe ver ze zelf geraakt.

Een belangrijke opmerking hierbij is dat mijn dochter op fysiek vlak geen wonderkind is. Ze leerde relatief laat stappen, is geen held op de fiets en haar vriendinnetjes rolschaatsen haar met gemak van de baan. Hier kon ik dus mijn theorie testen of het volstond haar de juiste leeromgeving aan te bieden en haar voor de rest haar gang te laten gaan. (En ik weet dat dit allemaal niet wetenschappelijk verantwoord is, maar dit is maar een blogpost he, geen thesis.)

En kijk: nu zijn we drie jaar verder en ons kind kan zwemmen. Ze trekt geen baantjes natuurlijk, en haar zwemlesvriendjes doen het beter, maar ze duikt en zwemt in het diepe en trekt volledig haar plan. Er moet wel binnen de drie meter iets zijn om zich aan vast te houden.

Dit weekend zwom ze gewoon onder mijn benen door, en daarna nog eens, met een sierlijke schroefbeweging. Ik vond het fantastisch.

“Allez jong, gij zwemt beter dan ik!” heb ik geroepen.

Want supporteren is ook belangrijk natuurlijk.

Maar ook dat gaat geheel vanzelf.

 

 

 

 

 

Parlem Valencià (1)

Goed, u weet wat Spaans is en waar het gesproken wordt. U hebt ook van Catalonië en het Catalaans gehoord, en sommigen onder u hebben op vakantie aldaar misschien ondervonden dat het niet de beste plek is om uw avondschool-Spaans te oefenen omdat men er op sommige plaatsen nog liever Engels praat of doodvalt dan u in het Spaans te woord te staan.

Maar hoe het op taalkundig vlak in Valencia zit, is heel wat minder bekend. Ik zal het eerlijk toegeven: toen ik hier aankwam, wist ik niet eens dat er zoiets als Valenciaans bestond (te wijten aan mijn belabberde voorbereiding en Alfonso´s gebrekkige informatie-overdracht).

Maar het bestaat dus wel degelijk. De Valenciaanse gemeenschap heeft zijn eigen taal. Voor sommigen is het gewoon een Catalaans dialect, maar er zijn er evengoed die beweren dat het net andersom is omdat het Koninkrijk Valencia er éérst was (13e eeuw), dus als je nog iets aan je dag wilt hebben, breng je dat soort discussies liever niet op tafel.

Om Belgen een idee te geven van de verschillen geef ik meestal dit voorbeeld: het verschil tussen Spaans en Catalaans is zoals het verschil tussen Duits en Nederlands. En het verschil tussen Catalaans en Valenciaans is zoals het verschil tussen (Hollands) Nederlands en Vlaams. Dus als je Spaans spreekt en een paar woorden Valenciaans kent, kan je wel wat Jean-Marie Pfaff Valenciaans uit je mouw schudden.

De mentaliteit is hier wel volslagen anders dan in Catalonië. Iedereen in Valencia kan Spaans, maar niet iedereen kan Valenciaans (en wie Valenciaans kan, is perfect tweetalig). Buitenlanders worden sowieso in het Spaans aangesproken en als je Valenciaans wil leren, moet je mensen echt pushen opdat ze het met je praten, want na twee zinnen schakelen ze weer over op Spaans, omdat ze het je niet moeilijk willen maken. Soms lijkt het alsof ze zich ervoor schamen dat ze een andere taal spreken. Dat heeft naar het schijnt vooral te maken met hoe het Valenciaans behandeld werd tijdens de dictatuur.

Maar ze vinden het wel schitterend wanneer je de moeite doet om het te leren. Wat een lonende bezigheid is, want het is echt een leuke taal, ze klinkt veel grappiger dan Spaans. maar daarover volgende keer meer.

cornflakes