Over parentale burn-out en een pandabeer

België staat helemaal aan de top wat betreft parentale burn-out, zo stond onlangs in de krant. Het is vooral, zo blijkt, de individualistische prestatiecultuur die ouders de das omdoet. Want als je al elke dag het beste van jezelf moet geven in een maatschappij waarin het ieder voor zich is, en je dan ook nog eens de zorg voor anderen op je moet nemen, terwijl corona al een jaar lang de poorten gesloten houdt zodat je nog amper bij die paar mensen geraakt op wie je wel kon rekenen,… Hoe noemen ze dat in het Engels? An accident waiting to happen.

Toen ik een baby had, was ik een kersverse migrantenmoeder met zeer weinig sociale contacten. Ik kende ook nog niet zo goed Spaans. We waren net in een dorp gaan wonen in de buurt van het werk van mijn man, en ik kende daar helemaal niemand. Het was loodzwaar, om verschillende redenen, en ik heb er nadien (na overleg met de echtgenoot uiteraard) heel bewust voor gekozen geen tweede kind te krijgen, gewoonweg omdat ik dat mezelf niet wou aandoen. “Ik kan dit niet nog eens,” zei ik, en ik meende het. Parentale burn-out avant la lettre.

Nu zijn we tien jaar later en is de situatie helemaal anders, want ik heb hier vrienden. Ik weet dat, als ik nu een kind zou krijgen, ik er niet meer bijna helemaal alleen voor zou staan. Als ik zie hoe ouders elkaar ondersteunen, doet het soms pijn te beseffen dat ik het indertijd zonder al die steun heb moeten doen. Dan denk ik: hoeveel minder zou ik afgezien hebben als ik dat had gehad.

Nochtans lijkt het op het eerste gezicht niet veel, die steun. Er is bijvoorbeeld de whatsapp-groep met ouders van de vrienden van mijn dochter. Wanneer iemand niet op tijd aan de schoolpoort geraakt, zet die in de groep: kan iemand mijn zoon/dochter afhalen? En dan is er altijd iemand die antwoordt: ja hoor. Een kind dat ´s middags niet op tijd kan afgehaald worden, kan ook altijd bij iemand blijven eten. Dat lijkt dus misschien niet veel, maar weten dat het kan, maakt een enorm verschil.

Nog zo´n godsgeschenk zijn de ouders van het beste vriendinnetje van mijn dochter. De helft van de tijd zit dat meisje bij ons thuis, de andere helft van de tijd zit mijn dochter in het huis van haar vriendinnetje. We nemen elkaars kinderen mee op uitstap, en wanneer de maatregelen het toelaten, blijven ze bij elkaar slapen.

En dan zijn er de buren. De achterdeuren naar het voetgangersstraatje (de peatonal) staan bijna elke namiddag open, en dan hollen de kinderen, net zoals in Bolderburen, van de ene patio naar de andere. Als de achterdeuren dicht zijn, roepen ze elkaar vanaf het balkon: kom je spelen? Er zitten ook altijd wel een paar ouders op straat een biertje te drinken, wat met elkaar te praten, een beetje toezicht te houden. De honden lopen om de kinderen heen en laten tennisballen neervallen tussen de voeten van de volwassenen in de hoop dat iemand ze zal wegschoppen. Sommige buren slepen een tuintafel de straat op en gaan daar wat zitten telewerken. En wie binnen wil blijven werken, werkt gewoon binnen, met de ramen open.

Een mooi symbool van dat samenleven zijn de sporen die in onze patio achterblijven na zo´n dagje samenspelen: krijttekeningen op de tegels, een verloren sokje in de hangmat, een speelgoedautootje op de tuintafel. Onlangs vond ik op onze sofa de platgeknuffelde pluche pandabeer van een van de buurmeisjes.

Nu is het niet altijd zo idyllisch, hoor. Er zijn bepaalde buren die niet meer met elkaar willen praten wegens onopgeloste conflicten, en ook de kinderen hebben al eens ruzie. Maar dat hoort erbij; we zijn tenslotte allemaal maar mensen.

Ik weet dat deze coronatijden het extra moeilijk maken om bij elkaar te komen en elkaar te helpen de lasten van het zorgen te dragen. Maar volgens mij zijn de Belgische burn-out cijfers een pre-corona probleem. Zoveel Belgische ouders zaten al op hun tandvlees, en daarom kon corona hen met één vinger over de rand duwen. Landen met een meer collectivistische mentaliteit hadden denk ik iets meer reserve op dat vlak.

Nu weet ik niet goed hoe je dat concreet kan aanpakken, en of je dat wel op korte termijn kan veranderen. Maar zoals altijd denk ik dat het begint met praten. Met blijven zoeken tot je mensen vindt bij wie je niet op een muur botst, maar bij wie de deur openstaat. En met het besef dat we allemaal kwetsbaar zijn en elkaar hard nodig hebben.

De Boekenbeurs en het slechte voorbeeld

Ik las op de nieuwssite van de vrt hoe ze de Boekenbeurs dit jaar hebben aangepakt, en uiteraard heb ik niets tegen het concept van auteurs en illustratoren interviewen en dat online uitzenden, maar hier werd ik ambetant van:

11 dagen lang ontving Tom De Cock 378 auteurs, illustratoren en vertalers. Dat leverde maar liefst 342 interviews op, goed voor 86 uur aan video’s op VRT NU.

11 dagen vol interviews waren enkel mogelijk dankzij de 11 thermossen muntthee met veel suiker. Om zich door 342 interviews heen te slaan, deed Tom een beroep op 22 energy drinks.

Ziedaar, een subtiel staaltje verheerlijking van de hardwerkende martelaar. Want dit is de boodschap: Tom De Cock is elf dagen lang over zijn grenzen gegaan (anders heb je geen “energy drinks” nodig) om belachelijk veel werk te verzetten, en dat horen wij bewonderenswaardig te vinden.

Persoonlijk vind ik het behoorlijk verontrustend dat dit soort boodschappen nog steeds in de Vlaamse media verspreid wordt. Hebben ze in Vlaanderen nog niet genoeg burn-outs te verwerken? En voelen zij die daaraan tenonder gaan zich nog niet schuldig genoeg? Ik vraag het mij maar af, he.

Een gezonde reactie op bovenstaande informatie lijkt mij: waarom hebben ze dat werk niet gewoon door twee of drie mensen laten doen? Dan waren al die energie-drankjes niet nodig geweest, hadden meer mensen werk gehad, en had mijnheer De Cock het wat rustiger aan kunnen doen.

Want dit is niet stoer. Dit is gewoon dom.

Corona Chronicles: day 63

Vandaag heel kort, want het was een regenachtige dag waarover niets anders te zeggen valt dan dat het precies weer april was: man de hele dag gaan werken, dochter teveel voor tv. Hond uitlaten, handwerken, ruziën, bijleggen, knutselen, eten, bedtijdverhaaltje, blog. Dat was het. En morgen weer hetzelfde.

Ondertussen heb ik in de krant gelezen dat ze in Valencia capital het plein voor het stadhuis aan het heraanleggen zijn. Het wordt nu grotendeels verkeersvrij. Van de nood een deugd maken, slim vind ik dat. Dit is het moment om straten open te breken en zebrapaden te schilderen!

Zouden ze dat in Vlaanderen al doorhebben? Stel u voor, dat ze nu alle wegenwerken grondig aanpakken, zodat er in het post-coronatijdperk geen wegomleggingen meer zijn.

Of misschien toch beter niet. Want wat als iedereen straks uit zijn kot kruipt en terechtkomt in een Vlaanderen vrij van wegomleggingen… De mensen zouden volledig gedesoriënteerd geraken.

Laten we het niet nog erger maken dan het al is.

 

 

 

 

 

Brief van een allochtoon

Mijn man heeft een Spaanse vriend die met zijn Zuid-Koreaanse echtgenote en hun twee jonge kinderen in Wales woont. Op een dag kwam bij hen thuis de conversatie op het onderwerp “nationaliteiten”, naar aanleiding van een activiteit over vlaggen, die hun zoontje op de kleuterschool had gedaan. “Jij bent Spaans-Koreaans,” zeiden zijn ouders hem. “Niet waar!” protesteerde het jongetje. “Ik ben Welsh!”

Daaraan moest ik denken toen ik gisteren in De Standaard online deze kop las: “Blikvanger Leuven krijgt met Mohamed Ridouani allochtone burgemeester“. Ridouani een allochtoon? De man is in Kessel-Lo geboren en heeft zijn hele leven in Leuven gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij is Leuvenser dan al die Vlamingen die in Leuven zijn blijven hangen na hun studies. Daar klopte volgens mij iets niet, en daarom nam ik het woordenboek erbij.

In Van Dale zag ik de dubbelzinnigheid waarmee wij het woord allochtoon gebruiken bevestigd:

  • allochtoon (bijvoeglijk naamwoord): van elders alfkomstig (tegenstelling: autochtoon)
  • allochtoon (de; m, v; meervoud: allochtonen): iemand die van elders afkomstig is (tegenstelling autochtoon). Het CBS definieert een allochtoon als iemand van wie miniumaal één van de ouders in het buitenland geboren is.

En daar zit het hem. Het woord allochtoon wordt dus gebruikt voor zowel mensen die letterlijk van ergens anders afkomstig zijn, als voor de kinderen van mensen die van elders afkomstig zijn. Dus die kinderen worden in dezelfde categorie geschaard als mensen die werkelijk van elders afkomstig zijn, ook al zijn ze zelf niet van elders afkomstig

Dit lijkt gevit, maar ik vind dit een zeer belangrijke kink in de kabel.

Een paar maanden geleden noemde iemand me (voor de grap weliswaar, maar toch) een guiri. Dat is het woord waarmee hier naar toeristen verwezen wordt, voornamelijk die met een roodverbrand gezicht. Ik voelde mij echt gekwetst. Ik dacht: ik woon hier verdorie al tien jaar, heb twee talen bijgeleerd, steek mijn kind in het weekend na 22u in bed, en nog hoor ik er niet bij.

En nu denk ik: als zo´n opmerking bij mij al zo hard binnenkomt, hoe moet iemand die in België geboren en getogen is zich dan voelen wanneer ze het etiket “van elders afkomstig” opgekleefd krijgen? Om weer te verwijzen naar het zoontje uit het Spaans-Koreaanse gezin uit de inleiding: dat jongetje wilde volgens mij met alle geweld Welsh genoemd worden omdat hij zich even Welsh voelde als zijn klasgenootjes. En daarin had hij, volgens mij, gelijk.

Nog een ander voorbeeld. Mijn dochter is het kind van een Spaanse vader en een Belgische moeder. Ze is geboren in Spanje. Maar volgens bovenstaande definitie is zij hier dus een allochtoon. Moest ze ooit naar België emigreren, dan is zij daar ook een allochtoon. Waar zij ook woont, zij zal dus altijd een woord opgekleefd kunnen krijgen dat betekent: van elders afkomstig. Voor mij klinkt dat alsof ze nergens echt thuishoort. En dat klopt langs geen kanten. En daarom is dit geen gevit, want je ergens thuisvoelen is een basisbehoefte.

Daarmee wil ik niet beweren dat er geen verschillen zijn tussen kinderen van migranten en kinderen van niet-migranten. Als je thuiscultuur verschilt van de heersende cultuur in de samenleving, dan zal dat vast een invloed hebben die je niet (of minder) terugvindt in gezinnen waar de thuiscultuur dezelfde is als die buitenshuis. Maar daar het woord allochtoon en autochtoon voor gebruiken, dat vind ik zeer riskant. Die woorden hebben immers behoorlijk wat lading, en verdelen mensen onder in twee kampen (zie dat woord in de Van Dale: tegenstelling). Bij De Morgen hebben ze het volgens mij wat dat betreft veel beter aangepakt, wanneer ze over Pierre Kompany schrijven: “Vader Kompany wordt eerste burgemeester van Afrikaanse origine.

Zullen we de woorden autochtoon en allochtoon dus maar gewoon daar laten waar ze thuishoren, namelijk in geschiedkundige studies over kolonialisme enzo, en wanneer we het hebben over de interessante en uitdagende diversiteit van onze 21e eeuwse samenleving de woorden afkomst en migratie gebruiken? Of beter nog: het coole Engelse woord “roots” gebruiken. Want de uitdrukkingen “afkomstig van” en “van … afkomst” kunnen ook nog voor verwarring zorgen.

Yeah. De truc met de wortels.

 

 

 

 

Verkiezingen

Aangezien de papieren om te stemmen vanuit het buitenland er dit jaar niet geraakt zijn, was ik op zoek naar een andere manier om mijn bijdrage te leveren.(*)

Ik had daarom hard zitten schrijven aan een gans pamflet waarover ik naderhand niet tevreden was. Gelukkig las ik vandaag deze blogpost van Tifosa die mij honderd keer waardevoller lijkt dan wat ik op papier had gekregen, en die ik hier graag met jullie deel.

En er is nog iets wat ik wil delen.

Ik weet dat er veel (en vaak terecht) gesakkerd wordt over politici, en dat mensen zich door het partijensysteem makkelijk in kampen verschansen.

Dat maakt het vaak moeilijk om over politiek te praten: er wordt je meteen een etiket opgeplakt en van daar gaat het meestal bergaf. Zelf ben ik gelukkig tamelijk immuun voor het onderverdelen van mensen volgens de partij waarop ze stemmen. Alle kleuren passen uiteindelijk in de regenboog (behalve zwart en wit).

Ook geloof ik niet dat alle politici zakkenvullers en mooipraters zijn. Mijn vader heeft indertijd zes jaar als schepen gewerkt in de gemeenteraad van ons dorp (voor de teloorgegane Volksunie), en in die periode heb ik gezien wat voor belachelijke spelletjes er onder politici gespeeld worden (niet door mijn vader uiteraard), maar leerde ik ook mensen kennen voor wie het vak van politicus een roeping was en die zich ondanks alle tegenkanting bleven inzetten.

Ik weet dat het heel gewaagd is om je en plein public achter een bepaalde kandidaat te zetten, maar ik ga het toch doen. En onderaan zal ik anderen aanraden hetzelfde te doen. Want als we de politieke arena aan de roepers en de schreeuwers overlaten, verandert er niks.

Hierbij dus twee mensen waar ik het volste vertrouwen in heb.

Bram Van Braeckevelt komt in Gent op voor Groen. Ik ken hem ongeveer 15 jaar, van toen we nog allebei in Gent woonden, waar hij aan een master Europese Studies bezig was. Zolang ik hem ken is hij al met politiek bezig, en met thema´s die ook mij na aan het hart liggen. Hij is open, gedreven, en heeft zeer veel ervaring.

Maarten Verbiest is mijn broer. Hij komt in Leuven op voor de sp.a. Hij heeft eerst sociaal werk (optie maatschappelijke advisering) gestudeerd en nadien sociologie. Ik sta er altijd van versteld hoe uitgebreid zijn kennis is op het vlak van maatschappelijke thema´s en hoeveel inzicht hij heeft. Voor ik mij ergens een mening over vorm, ga ik vaak eerst even bij hem te rade.

Voor wie niet in Leuven of Gent woont, of zich niet comfortabel voelt onder de hier aangegeven kleuren: ga op zoek! Zoek naar die mensen die echt je stem waard zijn. Ik ben ervan overtuigd dat er in (bijna) elke partij en in elke stad of dorp zo wel iemand te vinden is. Het internet staat ter uwer beschikking.

Als jullie zelf een goede kandidaat kennen, mag je die hieronder gerust in de commentaarsectie vermelden, net zoals ik hier in deze post gedaan heb. Dat is democratie, lieve mensen! 

 

PS: Bram en Maarten weten niet dat ik hen in deze post vermeld heb. Ze hebben het me niet gevraagd, en ik heb het hen ook niet verteld.

(*) Dat mysterie is ondertussen door expat-collega Darling Doormat opgehelder in de commentaarsectie. Merci, dear Darling!

 

Lievegem

Voor ik naar Spanje vertrok, heb ik op een blauwe maandag een tijdje in Waarschoot gewoond. Inderdaad, Waarschoot, of all places. Een plek met zo mogelijk nog minder inwoners dan Rafelbunyol, (maar desondanks een eigen wikipedia-pagina in het Spaans -ge moet het toch maar kunnen).

Het is een dorpje op fietsafstand van Eeklo, dat bovenmaats veel cafés en kapperszaken telt, en door de bewoners liefdevol “Worschuet” genoemd wordt, als ik het mij goed herinner. Ik kwam er terecht door toedoen van het ex-lief, die werk had in Lovendegem. In Waarschoot vonden we een betaalbaar huurappartementje, op de Oostmoer, boven de Aveve, en van daaruit vertrokken we elke dag naar ons werk: hij in Lovendegem, ik op een school in Zomergem.

En nu lees ik in de krant dat Waarschoot, Lovendegem en Zomergem gaan fuseren tot Lievegem. Gaat de naam Waarschoot dan nog gebruikt worden? Gaat dat over een paar jaar nog bestaan? Zei ik het niet, dat je als ex-pat nooit meer echt terugkan naar de plek die je hebt achtergelaten?

Wat een vreemd gevoel.

En Lievegem… Het is een schattige, nobele poging, maar ik weet het niet.

Ik heb precies meer een voorkeur voor Ex-lievegem.

 

 

 

 

 

Beknopte kroniek van een spirituele evolutie

In deze post ben ik een belangrijk boek vergeten te vermelden, en dat wil ik hierbij rechtzetten. Maar in plaats van het er gewoon bij te plakken, ga ik er een volledige nieuwe blogpost aan wijden.

Om het in zijn context te plaatsen, moet ik het echter eerst over iets anders hebben. Namelijk over religie. En een lied.

Religie dus.

In de jaren ´80 in Vlaanderen betekende dat op school van die liedjes zingen over hoe de wereld een toverbal is, en dat je elkaar 490 maal moet vergeven. Mijn moeder wou ons ook een beetje vaker in de mis krijgen dan alleen met kerst en pasen, en motiveerde ons daartoe door ons in te schrijven als misdienaars. Want een eucharistieviering wordt toch iets interessanter wanneer je af en toe van je stoel mag komen en met belletjes mag rinkelen enzo.

Dat had allemaal wel zijn charme, maar een diep katholiek geloof is daar niet uit voortgekomen. Later heb ik Jezus als historisch figuur wel leren appreciëren om zijn revolutionaire ideeën, maar dan eerder als een soort pacifistische Che Guevara.

Toen ik een jaar of zeventien was, kwam het boeddhisme op mijn pad. Ik las Lama Surya Das en de autobiografie van de Dalai Lama, bezocht het boeddhistisch centrum in Schoten, maakte mijn eindejaarsopdracht voor godsdienst over de Boeddha. Het was zo´n kleurrijke, rustgevende, vriendelijke wereld. Achteraf gezien denk ik dat ik vooral van die boeddhistische leer veel meegenomen heb. Maar ik had teveel moeite met bepaalde theoretische en transcendente aspecten om mezelf in volle overtuiging een boeddhist te durven noemen.

Toen trouwde ik, en werd zwanger, en daarna moeder, en daarmee zakte ik met mijn beide voeten in het zuigende moeras van onze ware natuur. Dat dierlijke, dat vergankelijke, dat volle leven en die lonkende dood. Die jaren en ervaringen toonden me iets waar ik in religieuze filosofieën zeer weinig over terugvond (*). Waar ik me toen wel in kon vinden, waren boeken geschreven door psychologen en primatologen, die me uitlegden waar we vandaan kwamen, waarom we seks hadden en met wie, hoe we het beste voor onze kinderen konden zorgen en waarom. Ons lijf, het leven en het doorgeven. Dat was zo belangrijk, zo basic. Voor het spirituele was er in die tijd erg weinig plaats. Alles draaide om zorgen, slaapgebrek overleven en die oerliefde voelen. Het was ploeteren, leven en doorgaan, en voor andere dingen was er gewoonweg geen energie.

Ergens rond die tijd kwam me per toeval “Imagine” van John Lennon weer ter ore, en dacht ik: kijk, dat is alle religie die een mens nodig heeft. Als iedereen dat lied als leidraad zou gebruiken, dan zou het rap in orde komen met de wereld. Het was een soort spirituele simplificatie die me als jonge, overwerkte, back-to-basics moeder erg goed uitkwam –en waar ik eigenlijk nog altijd achter sta.

Maar toen kwam er een boekje op mijn pad dat me zodanig raakte, dat ik toch weer aarzelend begon na te denken over die spirituele krachten, die boven het moeras zweven en ons uit het drijfzand houden. En dat was The Prophet (De profeet) van Kahlil Gibran, een Libanees-Amerikaanse schrijver en dichter. Het is een boekje dat in de hippiebeweging van de jaren ´60 veel weerklank vond, en waaruit nog steeds geciteerd wordt.

En dat doe ik nu ook. Ik lees er soms zelfs hardop uit voor. Want het klinkt zo mooi, als je het hoort, het biedt zoveel troost en schoonheid. En het raakt je ergens in je ziel.

Een lichtje boven het moeras.

Sindsdien noem ik mezelf een Gibran-Lennonist, als ik mezelf iets moet noemen op dat vlak. Als er zo nog zijn, mogen ze zich hierbij bekend maken. Kunnen we eens een reünie houden: voorlezen uit “The Prophet” en met de gitaar erbij “Imagine” zingen. Hm. Dat zou nog best eens gezellig kunnen worden.

 

(*) Ik weet wel dat Siddharta Gautama zo geschokt was door ziekte, verval en de dood toen hij die uiteindelijk onder ogen kreeg, maar uiteindelijk was dat toch altijd een tamelijk… ik weet het niet… mannelijke kijk op de zaak. Waardevol, uiteraard, maar toch een beetje eenzijdig.

 

 

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (2)

Ze had de luiertas vergeten en was daar aanvankelijk tamelijk nerveus over. Tina is altijd goed geweest in dingen in de hand houden: reisschema´s, beroepsklassen, en sinds drie maanden: luiertassen. En nu stond ze daar met man en baby in Gent, en de wagen onder het Zuid geparkeerd. En de luiertas in Oudegem. Dat vond ze niet leuk, maar ze haalde diep adem en zei: “We wagen het erop.”

En dus trokken we de stad in, mijn hartsvriendin en ik. Zij in het gezelschap van haar man Tim en hun kersverse baby; ik met Elena, die een paar dagen later in de kleuterklas wilde verhalen zou vertellen over haar uitstapje met mama naar België.

Dat overleven zonder luiertas ging zo vlot dat Tina en Tim besloten om mij en Elena nog even te vergezellen op restaurant ook. Dus we doken een Italiaan in (misschien toch herschrijven, die zin) en daarmee schreven we baby´s eerste restaurantbezoek op haar palmares, terwijl Tim en Tina honderduit over hun huwelijksreis/wereldreis praatten en Elena helemaal zelf haar favoriete maaltijd bestelde: spaghetti zonder saus en met alleen maar kaas.

Een uurtje later stapten we naar buiten, opgewekt omdat de baby het zo flink volgehouden had. Op een half uurtje zouden ze thuis zijn, nu kon er niks meer misgaan. Maar verder dan twee meter kwamen we niet, want de straat naar het Zuid was afgesloten.

Bomalarm.

Ik zag de paniek opkomen in Tina´s ogen. En ik zag ook hoe moedig ze zichzelf kalm probeerde te houden. We maakten snel een plan. Eerst: luiers vinden. Dat kon nog best tricky worden, want het was ondertussen al bijna zeven uur ´s avonds. We besloten naar Sint Jacobs te gaan om te zien of de supermarkt nog open was, en indien dat niet het geval was een nachtwinkel te zoeken. Dan zouden we terug naar het Zuid gaan om te kijken of het bomalarm al opgeheven was.

De supermarkt was gelukkig nog open, en we sloegen behalve pampers ook een voorraadje eten en drinken in. Daarna gingen we met onze kinderen en boodschappen weer naar het Zuid, waar de mannen die aan de politielinten de wacht hielden ons nog steeds niet konden vertellen of er al schot in de zaak was (ook deze uitdrukking herzien). De baby begon echter hongerig te worden, dus stelde ik voor dat we allemaal naar de Airbnb (*) zouden gaan waar Elena en ik verbleven.

Toen we daar aankwamen en aan onze gastheer de situatie uitlegden, werden mijn vrienden met open armen ontvangen. Hij nodigde hen uit in zijn woonkamer, waar Tina haar baby kon voeden (**). Ondertussen ging ik Elena douchen. Tim zou terug naar het Zuid gaan om de auto op te halen zodra het alarm opgeheven werd, en Tina´s ouders werden op de hoogte gebracht en beloofden hen te komen ophalen indien het te lang zou duren.

Na de douche klom Elena voor mij de houten trap op naar onze slaapkamer op de bovenste verdieping. Tina lag in het grote bed, met haar arm om haar slapende dochtertje heen. Elena ging voorzichtig aan de andere kant van het baby´tje liggen, en ik legde me naast haar. Over de hoofdjes van onze dochters keken Tina en ik elkaar aan. De laatste keer dat we samen in hetzelfde bed hadden gelegen, was tijdens de Gentse Feesten van 2008 geweest. We waren toen in de vroege uurtjes van het Zuid naar mijn appartementje in Ledeberg gewandeld, en zij was toen knal tegen een verkeersbord aangelopen. We moeten nog altijd lachen als we dat oprakelen.

En nu lagen we hier: twee jonge mama´s, als een cocon om onze dochters, in dat grote bed.

En we waren zo gelukkig.

De mooiste momenten kan je niet plannen. Daar zit je opeens middenin.

Al wat je dan hoeft te doen, is heel erg dankbaar zijn.

 

(*) Ik heb de link naar de Airbnb erbij gezet omdat we daar zo´n fijn verblijf hebben gehad. Ik word hier niet voor vergoed ofzo, het is puur uit dankbaarheid.

(**) Eigenlijk was deze episode ook één lange, mooie advertentie voor borstvoeding. Want die kan je niet vergeten, die heb je altijd bij.

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.

Basiscompetenties voor politici

In de lerarenopleiding werden wij geteisterd door een groot blad papier. Op dat blad papier stond alles wat wij zogezegd moesten kunnen om een goede leraar te zijn. Dit werden basiscompetenties genoemd en het waren er belachelijk veel -meer dan 100 (u kan dat hier checken). (Enkel de basiscompetenties, dus wie weet hoeveel competenties een leraar in totaal dient te hebben. En dan heb ik het nog niet eens over de attitudes gehad.)

Sindsdien heb ik mij regelmatig afgevraagd, vooral na uitspraken van Bart De Wever, wetsvoorstellen zoals het M-decreet, of de recente “onleefbaar werk” voorstellen van Kris Peeters, waarom er geen lijst met basiscompetenties voor politici bestaat. Ik denk dat dit een zeer nuttig instrument zou zijn dat ons veel leed zou kunnen besparen.

Veel moeite moet daar niet voor gedaan worden; ik kan u uit de losse pols zo een paar basiscompetenties aanbieden die klakkeloos van de lerarenopleiding overgenomen zijn, en waarvan ik denk dat sommige politici daar nog behoorlijk veel werk aan hebben. Bijvoorbeeld:

De politicus kan:

-met de hulp van collega’s de heterogeniteit en de diversiteit van de samenleving onderkennen.

– doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de burgers en met de kenmerken en de diversiteit van de samenleving;

– voor burgers met specifieke behoeften, in overleg met collega’s, in het kader van de handelingsplanning, doelen selecteren die aansluiten bij de vastgestelde beginsituatie.

– het regeringsakkoord vertalen in zinvolle wetten die aansluiten bij de motivatie, de beginsituatie, de talige diversiteit en de capaciteiten van de burgers;

-een positieve interactie met de burgers opbouwen en een positieve relatie tussen de burgers stimuleren;

… en zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

´t Is maar een gedacht he.