Het einde van cash?

Ik ging vanmorgen neerzitten om een blogpost te schrijven over hoe in deze coronacrisis de armen armer worden en de rijken rijker, maar bedacht me dat ik nog naar de buurtwinkel moest om shampoo. (Ik gebruik liefst een shampoo zonder al te veel chemische rommel, en die hebben ze hier niet in de supermarkt.) Dus stapte ik de fiets op, met mondmasker en pet, en trotseerde de plakkende hitte en de brandende zon.

In de buurtwinkel aangekomen koos ik dezelfde shampoo als altijd. Vier euro kost zo´n fles. Dat kwam me goed uit, want ik had een briefje van tien euro bij, en het idee was dat ik dan met het wisselgeld een briefje van vijf zou terugkrijgen. Briefjes van vijf heb ik nodig om wekelijks mijn aandeel te betalen wanneer we met de groep het repetitielokaal huren.

De dame van de buurtwinkel had echter geen wisselgeld. “Iedereen heeft vandaag met briefjes betaald,” zei ze. “Ik heb niets meer over. En bij de bank willen ze me geen kleingeld meer geven. Ik moet naar een bank twee dorpen verder gaan om munten te gaan vragen. Maar ik sta er hier alleen voor, dus ik geraak daar niet altijd.”

Ik knikte, en drukte een donker vermoeden uit dat ik almaar meer bewaarheid zie worden. “Ze maken van deze crisis gebruik om iedereen met de kaart de laten betalen,” zei ik. “Dan hebben ze meer controle over wat er met ons geld gebeurt. Terwijl het helemaal niet bewezen is dat het virus wordt overgedragen via cash geld.”

De mevrouw achter me in de rij mengde zich in het gesprek: “Ze willen dat we alles via onze telefoon betalen! Dat is hoe ze ons willen controleren: via onze telefoons.”

“Ja,” zei de winkeldame, “en voor oude mensen is dat echt een probleem. Die kunnen daar helemaal niet mee overweg.”

Op weg naar huis bedacht ik me: hoe vrij zijn we nog, wanneer langzaam maar zeker het geld uit onze handen getrokken wordt? Op van die listige manieren als de winkels van minder wisselgeld voorzien, en de “prijs” voor het afhalen van cash geld uit machines optrekken? (Ik kon dat vroeger gratis, nu betaal ik daar zo´n twee euro voor -voor het afhalen van mijn eigen geld. Is dat niet crimineel?)

Dat knagend ongemak vond ik zonet degelijk verwoord in dit artikel uit The Guardian:

“Een samenleving zonder cash geld is goedkoper (de verspreiding van bankbriefjes kost elk jaar miljarden) and veiliger (het ondermijnt de zaken van tasjesdieven en drugdealers). En voor millenials met hun smartphone in de aanslag is het vooral veel handiger.

De nadelen? Slecht nieuws voor iedereen die afhangt van cash donaties, van straatmuzikanten over bedelaars tot kerken. Bovendien zullen sommige mensen hun uitgaven niet in de hand kunnen houden, omdat ze niet in staat zijn hun budget te beheren. Zij die in de marges van de samenleving leven, zij die niet formeel in de banksystemen zitten, zouden een soort non-personen kunnen worden.

De banken zijn grote fans van deze overgang naar een cashloze maatschappij, en dat alleen al zou een reden tot bezorgdheid moeten zijn. Een handvol grote spelers, zoals Visa en Mastercard, zullen de volledige betalingsinfrastructuur controleren -tot een of beiden crashen, wat een lamleggen van het gehele financiële systeem tot gevolg kan hebben, ook al is het maar tijdelijk.

En dan zijn er de “Big Brother” implicaties, waarbij elke uitgave geregistreerd wordt en traceerbaar is.” 

Heel concreet: stel je voor dat je eten moet kopen omdat je niets meer in huis hebt. Je hebt een briefje van twintig euro in de hand -geen probleem. The food is yours. Een tweede mogelijkheid: je hebt geen cash geld, maar wel een bankkaart. Je bankkaart wordt geweigerd, om wat voor reden dan ook. Er staat nog voldoende geld op je kaart, maar iets of iemand in het systeem zorgt ervoor dat jij niet aan je geld kan. Wat dan?

En betalen met je telefoon, nog zoiets. Ik heb de app van de bank op mijn telefoon verwijderd. Ik vond het zo´n eng idee dat ik met een ding rondliep waarop een code van vier (of vijf?) cijfers het enige was wat de toegang tot al mijn spaargeld in de weg stond. Via mijn bankkaart kan je tenminste niet aan mijn spaarrekening, maar via zo´n app kan je aan alles. En weet ik veel waar hackers tegenwoordig toe in staat zijn.

De cashloze maatschappij: ik zie ze niet graag komen.

 

 

 

 

 

Het Boek (2)

(Voor wie gemist heeft over welk boek het gaat: dat kan je hier lezen.)

Ik heb altijd graag gepuzzeld, en op de één of andere manier komt het puzzelen terug in alles wat ik graag doe.

Bij handwerken hou ik van het zoeken naar de juiste materialen en kleuren, het uitdenken van welk kado geschikt zou zijn voor welke persoon. Zingen is ook een puzzelen: welke toon, welke klankkleur, welk volume past precies op welk moment? En schrijven, ah schrijven! Elk verhaal is een multi-dimensionele puzzel: elk woord, elke zin, elk karakter en elke wending moet juist zitten om tot een harmonisch geheel te komen. Het is een continu zoeken naar de juiste stukjes, en terwijl je eraan voortwerkt, krijg je langzamerhand de hele tekening te zien.

Om letterlijk een beter zicht te krijgen op het verschijnen van die tekening, ben ik vorige maand naar de papelería gefietst en heb daar een groot blad papier gekocht. Daarop heb ik in de hoogte vijf kolommen getekend: één voor de data (van 28 februari 2020 tot en met 26 april 2020), drie voor de hoofdpersonages (Amadou, Yasmín en Joaquín), en een laatste waar ik situación general (*) boven heb geschreven. Op bepaalde vakjes in dat schema heb ik opgeschreven wie wat doet, of wat er op dat moment gebeurt, en daarna heb ik het in de logeerkamer aan de muur gehangen. “Tout objectif sans plan n´est qu´un souhait,” zei Antoine de Saint-Exupéry. Alleen al van naar mijn plan te kijken word ik vrolijk.

Met twee Vlaamse vriendinnen heb ik afgesproken dat ik hen elke zondag een hoofdstuk doormail, en voorlopig lukt dat. Daarnet heb ik hoofdstuk acht doorgestuurd. En aangezien ik inschat dat dit verhaal zo´n dertig hoofdstukken nodig heeft, denk ik dat ik nu ongeveer in een kwart van het boek zit. Vooraleer jullie de indruk krijgen dat ik elke avond massaal veel pagina´s bij elkaar zit te schrijven: het gaat hier om zéér korte hoofdstukken. Maar enerzijds lijkt dat voor dit verhaal wel te werken, en anderzijds hou ik mezelf voor dat ik eerst het verhaal moet rondkrijgen, en dat ik het dan nadien nog altijd kan uitbreiden. Ik zou wel graag aan een hoger tempo werken, maar voorlopig laat de thuissituatie dat niet toe.

Dus kijk, zo ver staan we al.

 

(*) Ik schrijf soms in het Spaans, soms in het Nederlands, soms in het Engels. Een systeem zit daar niet in; ik schrijf gewoon het eerste wat in me opkomt. In mijn agenda en op mijn boodschappenlijstjes staat ook alles door elkaar. Eigenlijk is dat wel grappig, maar ik moet er wel op letten dat niet te doen wanneer ik praat. (Het doembeeld van mezelf als 80-jarig oudje dat in het rusthuis de Crazy Lady genoemd wordt omdat ze een soort zelfgebrouwen taaltje spreekt dat niemand begrijpt, houdt me voorlopig in toom.)

Music, please

Ik las deze challenge bij Le Petit Requin, en omdat het twee zaken combineert die ik erg leuk vind (muziek en associatief denken), ga ik lekker meedoen. Het zijn bovendien ook allemaal nummers die ik zelf graag hoor. Ik heb hier en daar wel wat buiten de lijntjes gekleurd, maar daar dient deze blog voor, nietwaar?

Name a songtitel with…

something to wear:Head Over Heels” (ABBA)

something to drink: “Walk On Water” (Milk Inc.)

a place: “Walking In Memphis” (Marc Cohn)

a food: “Hot Stuff” (Donna Summer)

an animal: “Human” (The Killers)

a number: “A Thousand Years” (Christina Perri)

a colour: “Lithium Sunset” (Sting)

a girl´s name: “Jolene” (Dolly Parton)

a boy´s name: “Michel” (Anouk)

a profession: “The Scientist” (Coldplay) (Ik heb hier ook even “Bad Girls” van Donna Summer overwogen)

a day of the week: “Get Down, Saturday Night” (Oliver Cheatham)

 

Een fijne week gewenst, allemaal!

 

 

 

 

Juli: If Beale Street Could Talk (James Baldwin)

(Over het waarom van deze reeks, lees: een Afrikaans jaar.)

Dit boek heb ik niet bewust uitgezocht; het stond me in het rek van de boekenwinkel op te wachten. En aangezien het perfect in dit project en mijn budget paste, nam ik het mee.

Al vanaf de eerste bladzijden bleek wat voor een kado het was. Als het Engels je een beetje ligt, raad ik je aan het in de orginele versie te lezen. Het is namelijk geschreven in de ik-persoon en in het Amerikaans dat gepraat werd in het New York van de jaren ´70. Ik heb heelder pagina´s hardop gelezen, gewoon omdat het zo lekker bekte.

Het is met deze reeks niet direct mijn bedoeling enkel te lezen over het onrecht dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap werd aangedaan. Maar zwarten die onterecht in de gevangenis terecht komen: hoe meer je leest, hoe duidelijker het wordt dat dat al decennialang (eeuwenlang?) een geïnstitutionaliseerde vorm van repressie is. Terwijl ik in deze roman las over de 19-jarige zwangere Tish, wiens vriend Fonny onterecht in de gevangenis zit voor verkrachting, las ik simultaan in Ibram X Kendu´s How To Be An Antiracist hoe verschillende Amerikaanse presidenten onder het mom van een war on drugs ervoor zorgden dat de gevangenissen volledig legaal met niet-gewelddadige zwarte druggebruikers gevuld konden worden, die daar even lange straffen moesten uitzitten als hun gewelddadige blanke medegevangenen. Terwijl blanken vaker drugs verhandelen dan zwarten en Latino´s, en de cijfers voor druggebruik in alle groepen vrijwel hetzelfde zijn.

In het geval van Fonny waren er zelfs geen drugs in het spel; hij was gewoon voor zijn vriendin opgekomen en had agent Bell tegengesproken:

The same passion which saved Fonny, got him into trouble, and put him in jail. For, you see he had found his centre, his own centre, inside him: and it showed. He wasn´t anybody´s nigger. And that´s a crime, in this fucking free country. You´re supposed to be somebody´s nigger. And if you´re nobody´s nigger, you´re a bad nigger: and that´s what the cops decided when Fonny moved downtown. (*)

Terwijl je leest over de racistische, rancuneuze blanke agent Bell, die Fonny oppakt voor een verkrachting die hij niet gepleegd kan hebben, kan je je afvragen: is dit niet overdreven? Zo erg kan het in werkelijkheid toch niet geweest zijn? Maar dan denk je aan wat er bijvoorbeeld met The Central Park Five of George Floyd gebeurd is, en dan weet je dat dit niet uit de lucht gegrepen is.

Maar dit is geen racistisch “blanken zijn slecht, zwarten zijn goed”-boek. Baldwin toont bijvoorbeeld hoe Fonny´s eigen moeder weigert hem te helpen, terwijl zijn blanke advocaat dat wel doet. Wat hij wil aankaarten, is de manier waarop het beleid racisme aanwakkert en gerechtigheid onmogelijk maakt. Of, zoals hij het zelf zegt: “It is certain, in any case, that ignorance, allied with power, is the most ferocious enemy justice can have.” Heel erg actueel dus, jammer genoeg.

Ik wil ook nog vermelden hoe zwaar ik onder de indruk was van zijn  inlevingsvermogen. Dit is een mannelijke schrijver die in de huid van een zwangere tiener kruipt, en de geloofwaardigheid op geen enkel moment aan het wankelen brengt. Of zijn beschrijving van hoe vrouwen vriendschappen tussen mannen ervaren:

I had never seen him with other men. I had never seen the love and respect that men can have for each other.

I´ve had time since to think about it. I think that the first time a woman sees this -though I was not yet a woman- she sees it, first of all, only because she loves the man: she could not possibly see it otherwise. It can be a very great revelation. And, in this fucked-up time and place, many women, perhaps most women, feel, in this warmth and energy, a threat. They think that they feel locked out.

The truth is that they sense themselves in the presence, so to speak, of a language which they cannot decipher and therefore cannot manipulate, and, however they make a thing about it, so far from being locked out, are appalled by the apprehension that they are, in fact, forever locked in. Only a man can see in the face of a woman the girl she was. It is a secret which can be revealed only to a particular man, and, then, only at his insistence.

But men have no secrets, except from women, and never grow up in the way that women do. It is very much harder, and it takes much longer, for a man to grow up, and he could never do it at all without women. This is a mystery which can terrify and immobilize a woman, and it is always the key to her deepest distress. She must watch and guide, but he must lead, and he will always appear to be giving far more of his real attention to his comrades than he is giving to her. But that noisy, outward openness of men with each other enables them to deal with the silence and secrecy of women, that silence and secrecy which contains the truth of a man, and releases it. (**)

James Baldwin verbleef een groot deel van zijn leven in Frankrijk, van waaruit hij de Civil Rights Movement en de Gay Liberation Movement in de Verenigde Staten steunde. Hij was lange tijd bevriend met Marlon Brando, en ontving in zijn huis in Saint-Paul-de-Vence kunstenaars als Nina Simone, Josephine Baker, Miles Davis en Ray Charles, met wie hij lange, diepgaande gesprekken had.

Wie schrijft, weet dat schrijvers vooral goed luisteren, en dat hun schrijven niet alleen een weergave is van wat ze denken, maar ook van wat ze gehoord hebben. Ik vind het een mooi en niet-ondenkbaar idee dat in de boeken van Baldwin vele stemmen uit het verleden doorklinken. Stemmen waar ik graag naar luister.

 

(*) James Baldwin, If Beale Street Could Talk, p 33

(**) James Baldwin, If Beale Street Could Talk, p 51- 52

 

PS: De verfilming van dit boek sleepte in 2018 drie Golden Globe nominaties en drie Oscar nominaties in de wacht. Regina King won daarbij een Oscar voor Best Supporting Actress.

 

 

 

 

 

Waarom we net nu plannen moeten maken

Sinds het najaar van 2019 was ik aan het aftellen naar mijn volgende België-reis: op 8 april 2020 zou ik vertrekken. In de eerste week van maart, toen we begonnen te voelen dat er iets op til was, verkondigde ik nog stellig tegenover de man van de groentenwinkel dat ik naar mi tierra zou reizen, sí o sí. Een paar dagen later werd het duidelijk dat het no zou worden.

En nu vertel ik aan iedereen dat we in december gaan, en indien mogelijk tot halverwege januari blijven. Dat lijkt tamelijk onzinnig, want niemand weet wat er ons dit najaar nog staat te wachten, laat staan dat we weten hoe de situatie er deze winter zal uitzien. Maar toch wil ik in mijn agenda december voor België reserveren. En vandaag heb ik op de website van de bbc gelezen waarom dat een goed idee is.

Plannen is namelijk een vorm van proactive coping. Dat betekent dat je de onzekerheid die je in het nu ervaart, wegneemt door op een actieve manier met de toekomst bezig te zijn. Of je plannen dan ook daadwerkelijk uitgevoerd kunnen worden, doet er eigenlijk minder toe; het gaat erom dat je door iets te ondernemen minder stress ervaart in het heden. Plannen geeft je het gevoel dat je toch nog een beetje controle hebt.

Een tweede positief effect van plannen is dat het de cognitieve rommel in ons hoofd opruimt. Ons brein houdt namelijk niet van losse eindjes: wanneer we een taak niet kunnen afmaken, blijven onze hersenen ermee bezig (dat heet het Zeigarnik-effect) (*). Om de mentale druk van onafgewerkte taken te kunnen loslaten, volstaat het te plannen wanneer je ze onder handen zal nemen. Op die manier geef je je brein het signaal dat het dat item voorlopig even mag laten rusten.

Dus, corona of niet: wij blijven lekker onze agenda gebruiken. Yeah.

 

(*) Zegt nu nog eens dat ge hier niks leert.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De wereld redden zonder iets te moeten doen

Dit is echt het allersimpelste wat je kan doen om de klimaatverandering tegen te gaan: overschakelen van Google op Ecosia.

Waarom?

Ecosia plant bomen en Google niet.

En het werkt: afgelopen donderdag haalden ze de kaap van 100 miljoen bomen, waarmee ze dagelijk 1771 ton CO2 uit de lucht halen.

Hoe meer gebruikers, hoe meer inkomsten ze van adverteerders krijgen. Dus: in plaats op te zoeken op Google, zoek je gewoon dingen op met Ecosia.

Ik wil er hierbij ook voor pleiten niet meer het woord “googlen” te gebruiken, maar in plaats daarvan te zeggen: “Dat ga ik even opzoeken op het internet”. Zodat we onze taal ook meteen zuiveren van die gratis reclame voor Google.

Spread the word, people!

 

 

 

 

 

Een Afrikaans jaar

Om de microfoon te testen voor een repetitie zing ik gewoonlijk het eerste wat in me opkomt. Soms is dat een beetje scatten, afgelopen donerdag was dat I come from Alabama with a banjo on my knee.

Met een blik vol irritatie hoorde onze bassist het even aan, en zei toen: “Kathleen, please, don´t sing that song.”

Ik begreep niet goed waarom hij dat zei, maar omdat ik vermoedde dat het met zijn Jamaicaanse roots te maken had, schakelde ik snel over op J´aime la vie. Dat leek me alleszins een veilige keuze.

Na de repetitie vroeg ik de bassist waarom hij een probleem had met Oh Susanna.

It´s a confederate song,” zei hij.

Ik antwoordde dat het me oprecht speet, en dat ik er geen idee van had. Dat we die liedjes zo vaak horen in een onschuldige context. Hij zei daarop dat hij dat wel begreep, en dat ik me er niets van moest aantrekken, dat hij sowieso in een knorrige bui was.

Een paar dagen later keken mijn man ik de vierdelige televisieserie When They See Us  (van Ava DuVernay) uit. Dat is een Netflix serie over The Central Park Five: vijf jongens die in 1989 vals beschuldigd werden van de verkrachting en mishandeling van een blanke, vrouwelijke jogger. De tieners werden, ondanks gebrek aan bewijs, alle vijf veroordeeld. Je kan al raden dat het niet om blanke jongens ging. In 2002 legde de ware dader een bekentenis af, maar toen was het kwaad al lang geschied.

De laatste aflevering was zo gruwelijk en hartverscheurend dat ik die nacht amper de slaap kon vatten. En het spookt nog steeds door mijn hoofd.

Sinds de moord op George Floyd blijven deze vragen zich herhalen: waarom weten wij zo weinig over racisme? En waarom weten wij zo weinig over wat aan de basis ligt van dat racisme, namelijk de kolonisatie van Afrika en de slavenhandel? De waanzin en gruwel daarvan staan op geen enkele manier in verhouding met de aandacht die eraan besteed wordt. Hebben jullie daar ooit over geleerd op school? Ik alvast niet, terwijl ik toch naar een “goede” school ging. Of het moet zo weinig geweest zijn dat ik het me niet meer kan herinneren.

Dus hier zitten we nu, met z´n allen te staren naar de naschokken van dat immense onrecht. Sommigen besmeuren beelden van Leopold II, anderen gaan de straat op met BLM-slogans, en ik denk: wat kan ik doen, behalve Sandra Kim zingen in plaats van Oh Susanna?

Wel, dit is wat ik ga doen. In 2018 heb ik een jaar lang elke maand een film bekeken van een vrouwelijke regisseur, omdat die enorm ondervertegenwoordigd zijn in de filmindustrie. Dit jaar wil ik elke maand een boek lezen van een Afrikaanse schrijver, of een schrijver met Afrikaanse roots -wat eigenlijk geen goede beschrijving is, want we hebben uiteindelijk allemaal Afrikaanse roots. (Onze bassist zei dat ik gewoon moest schrijven “zwarte schrijvers”, maar ik heb het heel moeilijk met de woorden “zwart” en “wit” in deze context. Dat gaat tegen mijn gevoel voor kleur in, want de meeste “zwarten” zijn bruin. Antwoord van de bassist: “I know I´m not really black and you´re not really white, but that´s just how we call it: I´m black and you´re white. I don´t have a problem with that.” Dus ik heb de toestemming van een “zwarte” om het te hebben over “zwarte” schrijvers, maar ik ga het toch niet doen. Niet omdat ik politiek correct wil zijn, maar gewoon omdat mijn gevoel voor kleurschakeringen dat soort vocabulaire niet wil aannemen. Maar soit, jullie weten wel wat ik bedoel.)

Je kan je daarbij afvragen of dat wel verschil zal maken, die twaalf boeken lezen. Maar ik geloof dat het altijd een verschil maakt wanneer je je aandacht richt op iets. Gisteren ging ik naar de boekenwinkel en vroeg daar of ze een boek hadden van Mohamed Mbougar Sarr. Ze vertelden me dat ze nog nooit van die schrijver hadden gehoord -maar nu dus wel.

Wat je doet, hoe klein ook, maakt altijd een verschil.

 

 

 

Kippenvel

Vandaag waren we uitgenodigd om bij de buren te komen eten. Dat gaat er altijd heel gemoedelijk aan toe: de buur die zijn barbecue het eerst aansteekt, nodigt via de whatsapp-groep de anderen uit, en dan komt iedereen die zin heeft aanlopen. De ene brengt een salade mee, de andere een pot amandelen, een derde (meestal mijn echtgenoot) draagt de gin-tonic aan. De kinderen spelen samen in het zwembad.

Ja, wij hebben heel veel geluk met onze buren.

Ik was wat later gekomen, omdat ik van de afwezigheid van man en kind geprofiteerd had om nog wat te schrijven. Toen ik uiteindelijk de vrolijke bende vervoegde, vroeg een van mijn buurvrouwen waar ik mee bezig was geweest.

“Ik was aan het schrijven,” zei ik.

“Wat ben je aan het schrijven?” vroeg ze geïnteresseerd, en omdat ik voorlopig vooral de hoop koester dat ik de Nederlandstalige versie van het verhaal afkrijg, en een Spaanse vertaling niet meteen in het verschiet ligt, besloot ik haar het verhaal te vertellen. Want ik wilde graag horen wat ze ervan zou vinden.

Dus begon ik te vertellen, goed beseffend dat mijn stuntelige Spaans het verhaal geen recht deed. Maar ze luisterde zo aandachtig dat ik er moed van kreeg, en toen ik aan het einde gekomen was, pakte ze mijn arm vast en zei: “Wat mooi! Ik heb er kippenvel van gekregen!” En toen zei ze bovendien dat het haar aan Love Actually deed denken, wat een film is die geschreven werd door Richard Curtis. Wat vanaf het begin mijn referentie was.

Hoe mooi is dat?

Ja, ik moet dit echt afkrijgen.

 

 

Het Boek (1)

Ondertussen ben ik beginnen schrijven: de eerste drie hoofdstukken staan op de computer.

Dat lijkt veel, maar het zijn geen lange hoofdstukken. Het wordt ook geen dik boek. Maar ik geloof niet dat je een bepaald aantal woorden of bladzijden moet halen om het bestaansrecht van een verhaal te rechtvaardigen. Ik vind dat je een verhaal moet vertellen zoals het verteld dient te worden, van begin tot einde. Je schrijft wat nodig is; de hoeveelheid inkt die daarbij komt kijken, is een bijkomstigheid.

Schrijven is eng. Ik moet echt iets overwinnen wanneer ik me aan het schrijven zet, want ik wil zo graag dat het verhaal goed verteld wordt, dat ik de juiste woorden en zinnen vind, de juiste beelden en beschrijvingen. Vaak zit tijdens het typen de faalangst op mijn schoot. De angst dat je iets waar je de vorige dag heel tevreden over was, de volgende dag zal herlezen en dat het dan verschrikkelijk amateuristisch zal overkomen.

Maar schrijven is ook heerlijk. De personages komen naar je toe, je ziet hen steeds scherper voor je geestesoog, je leert hen kennen en ze vertellen je hun verhalen. Je kijkt in hun hart en in hun hoofd, en jij mag dat vertellen. Je ziet ook hoe hun verhalen zich verweven. Dat is een heel mooi proces.

En dan is er al het werk dat geen schrijfwerk is, maar minstens even boeiend. Voor ik het wist zat ik te lezen over homoseksualiteit in Senegal, het leven van San Ramón Nonato, communautaire radiozenders in Madrid, en de Spaanse burgeroorlog.

Ja, ik hoop echt dat ik dit voor elkaar krijg.