Sheldon Cooper en de migraine-vaardigheden

Om met migraine om te gaan, moet je een paar vaardigheden ontwikkelen.

Tijdens de aanval:

Dat is de meest voor de hand liggende: daar liggen en de pijn verdragen. De linkerhelft van je lichaam niet kunnen bewegen. Uren wachten tot de blindheid en de flitsen overgaan. Wachten tot je weer woorden kan vormen. Niet panikeren. Proberen de tijd te vergeten, hoewel je niets kan zien en niets kan denken en geen controle hebt over het verloop.

Na de aanval:

Wanneer het ergste gepaseerd is, ben je natuurlijk nog een paar dagen groggy. En in die fase komen de doemgedachten opzetten. Wanneer komt de volgende aanval? Hoe haal ik mijn werk weer in? Ga ik ooit normaal kunnen leven? Ga ik ooit een job kunnen hebben? En is het normaal dat ik mijn hand nog niet goed voel / gezichten van mensen nog steeds een beetje vreemd zie/ over mijn woorden struikel?

In dit geval helpt het je bezig te houden met de dingen die je alweer kan, hoe weinig het soms ook is, en veel te rusten. En, zoals ik al eerder geschreven heb, depressieve neigingen aan te pakken met dezelfde kalmte als de migraine-aanval.

Vóór de aanval:

Maar ook op migraine-vrije dagen moet je mentaal goed gewapend zijn. Want het kleinste vlekje op je netvlies of een tinteling in je vinger kan de alarmbel doen afgaan. Is dit aura? Ben ik okee of moet ik nu meteen alles afzeggen en naar huis proberen te geraken? Kan ik morgen naar dat verjaardagsfeest of niet? Kan ik morgen die vlucht nemen of niet? Het duurt soms een seconde of tien voor het duidelijk is. En de frequentie kan oplopen tot een keer of zeven per dag.

De Sheldon Cooper vaardigheid:

En dan is er nog een vaardigheid waar ik me bewust van werd toen ik deze video zag: een glimp achter de schermen bij The Big Bang Theory. Chuck Lorre, een van de makers van de serie, vertelt daarin dat er vanuit de fanbasis veel druk was om Sheldon Cooper (*) een relatie te laten beginnen. Hij wou het personage echter niet teveel toegevingen laten doen, omdat het net een van Sheldon´s charmes is dat hij zijn leven onder zijn eigen voorwaarden leeft, hoe sterk die soms ook afwijken van de norm. (**)

En daarom blijft Sheldon meester van zijn eigen plekje op de sofa, hebben hij en zijn vriendin maar één keer seks per jaar, en ondertekenen zijn vrienden in variërende mate van gewilligheid de contracten die dit eccentrieke genie met veel plezier opstelt.

En dat, besefte ik, is een vaardigheid die ook ik nodig heb, de afwijkende hoedanigheid van mijn gezondheidstoestand in acht genomen. Een skill waar in mijn geval nog veel werk aan is. Want hoe kan je je leven inrichten op een manier die volledig ingaat tegen de huidige normen en verwachtingen? Hoe kan ik een ruimte scheppen voor mezelf waarbinnen ik gezond, gelukkig en comfortabel kan leven, wanneer het materiaal dat ik daarvoor nodig heb niet in het bouwpakket zit dat in onze maatschappij wordt uitgereikt?

Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik me niet meer overrompeld, schuldig, zwak, oververmoeid, nutteloos, bang, ziek, afhankelijk, … voel?

Door eraan te werken, natuurlijk, want dat is wat je met vaardigheden doet.

Ik hang een foto van Sheldon aan de muur.

Dat lijkt me alvast een goed begin.

 

 

(*) Voor wie Sheldon niet kent: dit personage is een geniale wetenschapper die duidelijk ergens op het autisme spectrum zit.

 

(**) “I didn´t want to miss out on an opportunity to have a character living life on his own terms. And that´s what´s wonderful about these characters, and particularly Jim´s character: he´s living life on his own terms.”  16:15 – 16:35

 

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (2)

Ze had de luiertas vergeten en daar aanvankelijk tamelijk nerveus over. Tina is altijd goed geweest in dingen in de hand houden: reisschema´s, beroepsklassen, en sinds drie maanden: luiertassen. En nu stond ze daar met man en baby in Gent, en de wagen onder het Zuid geparkeerd. En de luiertas in Oudegem. Dat vond ze niet leuk, maar ze haalde diep adem en zei: “We wagen het erop.”

En we trokken de stad in.

Dat ging zo vlot dat Tina en haar man Tim besloten om mij en Elena nog even te vergezellen op restaurant ook. Dus we doken een Italiaan in (misschien toch herschrijven, die zin) en daarmee schreven we baby´s eerste restaurantbezoek op haar palmares, terwijl Tim en Tina honderduit over hun huwelijksreis/wereldreis praatten en Elena helemaal zelf haar favoriete maaltijd bestelde: spaghetti zonder saus en alleen maar kaas.

Een uurtje later stapten we naar buiten, opgewekt omdat de baby het zo flink volgehouden had. Op een half uurtje zouden ze thuis zijn, nu kon er niks meer misgaan. Maar verder dan twee meter kwamen we niet, want de straat naar het Zuid was afgesloten.

Bomalarm.

Toen zag ik de paniek opkomen in de ogen van mijn vriendin. En ik zag ook hoe moedig ze zichzelf kalm probeerde te houden. We maakten snel een plan. Eerst: luiers vinden. Dat kon nog best tricky worden, want het was ondertussen al bijna zeven uur ´s avonds. We besloten naar Sint Jacobs te gaan om te zien of de supermarkt nog open was, en indien dat niet het geval was een nachtwinkel te zoeken. Dan zouden we terug naar het Zuid gaan om te kijken of het bomalarm al opgeheven was.

De supermarkt was gelukkig nog open, en we sloegen behalve pampers ook een voorraadje eten en drinken in. Daarna gingen we met onze kinderen en boodschappen weer naar het Zuid, waar de mannen die aan de politielinten de wacht hielden ons nog steeds niet konden vertellen of er al schot in de zaak was (ook deze uitdrukking herzien). De baby begon echter hongerig te worden, dus stelde ik voor dat we allemaal naar de Airbnb (*) zouden gaan waar Elena en ik verbleven.

Toen we daar aankwamen en aan onze gastheer de situatie uitlegden, werden mijn vrienden met open armen ontvangen. Hij nodigde hen uit in zijn woonkamer, waar Tina haar baby kon voeden (**). Ondertussen ging ik Elena douchen. Tim zou terug naar het Zuid gaan om de auto op te halen zodra het alarm opgeheven werd, en Tina´s ouders werden op de hoogte gebracht en beloofden hen te komen ophalen indien het te lang zou duren.

Na de douche klom Elena voor mij de houten trap op naar onze slaapkamer op de bovenste verdieping. Tina lag in het grote bed, met haar arm om haar slapende dochtertje heen. Elena ging voorzichtig aan de andere kant van het baby´tje liggen, en ik legde me naast haar. Over de hoofdjes van onze dochters keken Tina en ik elkaar aan. De laatste keer dat we samen in hetzelfde bed hadden gelegen, was tijdens de Gentse Feesten van 2008 geweest. We waren toen in de vroege uurtjes van het Zuid naar mijn appartementje in Ledeberg gewandeld, en zij was toen knal tegen een verkeersbord aangelopen. We moeten nog altijd lachen als we dat oprakelen.

En nu lagen we hier: twee jonge mama´s, als een cocon om onze dochters, in dat grote bed.

En we waren zo gelukkig.

De mooiste momenten kan je niet plannen. Daar zit je opeens middenin.

Al wat je dan hoeft te doen, is heel erg dankbaar zijn.

 

(*) Ik heb de link naar de Airbnb erbij gezet omdat we daar zo´n fijn verblijf hebben gehad. Ik word hier niet voor vergoed ofzo, het is puur uit dankbaarheid.

(**) Eigenlijk was deze episode ook één lange, mooie advertentie voor borstvoeding. Want die kan je niet vergeten, die heb je altijd bij.

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.

Over pillen, therapie en de supermarkt

Ik ga nu al vier jaar naar dezelfde supermarkt, en telkens ik afreken, moet ik doorheen dezelfde conversatie:

Kassier(ster): “Hebt u een klantenkaart?”

Ik: “nee.”

Kassier(ster): “Wilt u een klantenkaart?”

Ik: “Nee, dank u.”

Af en toe komt er variatie op het thema door een kassierster die een beetje blijft aandringen, of door mezelf, wanneer ik de nood voel nog maar eens uit te leggen dat de hippiekronkels die achter het weigeren van een klantenkaart schuilgaan eigenlijk niet zo vreemd zijn (dat ik het geen gezellig idee vindt dat er aan de hand van mijn aankopen kan uitgerekend worden wanneer ik mijn maandstonden heb, om maar iets te noemen -al is dat niet het voorbeeld dat ik dan geef).

Wanneer ik naar de psychiater moet (waar ik sinds de crash van vorig jaar om de zoveel maanden verwacht wordt voor een sessie van 10 minuten (*)) voltrekt zich ongeveer hetzelfde ritueel:

Psychiater: “Wil je nog steeds geen medicatie?”

Ik: “Nee.”

Psychiater: “Het is natuurlijk je eigen keuze, maar er zijn medicijnen die je echt goed kunnen helpen.”

Ik: “Dat weet ik wel, maar toch, nee. Sorry.”

Psychiater: “Je hoeft je niet te verontschuldigen, voor mij moet je het niet doen. Maar ben je er zeker van? Deze medicijnen worden heel grondig getest. Ik vind het gewoon jammer voor jou dat je waarschijnlijk beter af zou zijn moest je ze nemen, en dat je het toch niet wil proberen. Zou je het toch niet overwegen?”

Ik: “Nee. Echt niet. Nee.”

Er zijn drie redenen waarom ik weiger psychofarmaca te nemen, al besef ik dat ze mijn leven op bepaalde vlakken wel gemakkelijker zouden kunnen maken. Dit zijn die redenen:

  1. Ik vertrouw ze niet.
  2. Ik heb er slechte ervaringen mee (dat was meer dan tien jaar geleden, maar toch).
  3. Het is nooit duidelijk geweest of ze drempelverlagend werkten voor migraine-aanvallen, maar aangezien het om chemische producten gaat, is de kans erg groot. En alles wat maar de geringste kans geeft op aura-migraine, mijd ik als de pest (**).

Moest ik alleen die eerste twee redenen op mijn lijstje hebben staan, dan slikte ik waarschijnlijk al lang mijn dagelijkse dosis. Want zo heroïsch-principieel ben ik nu ook weer niet, daar maak ik mij geen illusies over. Maar die migraines zijn zo´n efficiënt afschrikmiddel dat ik me met weinig anders zal drogeren dan met paracetamol en ibuprofen. Al is het niet makkelijk koppig te blijven weigeren, en paradoxaal genoeg kom ik daardoor altijd tamelijk depressief buiten bij de psychiater.

Nu is dit geen blogpost over wat er beter is, medicatie of therapie. Dit is een post over hoe makkelijk het is aan medicatie te geraken, terwijl het bere-moeilijk is om therapie te krijgen. Want dat is dus wat ik wil proberen: therapie. Lees even mee hoe die queeste tot hiertoe verlopen is:

Tijdens mijn eerste sessie met toffe psychiater 1 vroeg ik om therapeutische hulp, en hij had me op de lijst gezet voor een afspraak met de psycholoog.

Ze zouden bellen.

Ze belden niet.

Na 3 maanden vroeg ik aan de balie waarom ik niet opgebeld was, en toen zeiden ze me dat psychiater 1 (die toen reeds vervangen was door psychiater 2) stelselmatig alle patiënten naar de psycholoog verwezen had, en dat ze sinds zijn vervanging alleen de “zware gevallen” een afspraak bij de psycholoog gegeven hadden. Ik was dus gewoon van de lijst gehaald.

Psychiater 2 zorgde ervoor dat ik weer op de lijst terecht kwam.

Drie maanden later werd ik gebeld en kreeg een afspraak voor over twee maanden. Een maandag om 9 uur ´s morgens. Toen ik die maandag aankwam, zeiden ze dat ik een afspraak had om 13u, en dat er iemand anders een afspraak had om 9u. Ik zei: “Nee, ze hebben mij heel duidelijk gezegd dat het om 9u was.” Om 13u kon ik niet, want dan moest ik werken. Dus pech, weer geen afspraak.

Ze zouden me bellen. Ik miste het telefoontje. Ben dan maar weer langs de balie gegaan.

Balie-mevrouw: “Ik heb je keivaak gebeld. Je hebt een afspraak op 12 april.”

Ik: “Op 12 april ben ik in België. Dat ligt al vast sinds november.”

Balie-mevrouw: “Tja, dan zal ik je een andere afspraak moeten geven. Ik zal je bellen.”

Ik: “Kunt u dat niet gewoon nu doen?”

Balie-mevrouw: “Nee. Ik zal je bellen.”

Op zo´n momenten is het toch moeilijk om daar geen samenzwering van de farmaceutische industrie achter te zoeken. Maar dan kan je nog paranoïde genoemd worden op de koop toe, en daar zijn dan weer andere pillen voor.

 

 

(*) Dit is niet de psychiater die ik tijdens de eerste sessie had en die me zoveel hoop en moed gaf. Die was de tweede keer dat ik ging al vervangen door iemand anders.

 

(**) Voor wie dit kleinzerig zou vinden: ik kan best wel tegen een stootje, hoor. Maar met de hand op het hart: ik zou liever weer een bevalling zonder epidurale ondergaan dan een aanval van aura-migraine.

 

 

 

“Twee sterren” krijgt een tweede ster, en ik moet efkes bekomen

De Tip van de Week op azertyfactor werd deze keer uitgekozen door Ad van den Kieboom, die redacteur is bij Uitgeverij De Geus en onder andere Annelies Verbeke begeleidt. Om maar te zeggen: niet van de minsten. Ook bij hem viel het kortverhaal “Twee sterren” in de smaak, en dit zijn de lovende woorden die hij erover schreef (en die ik in het groot boven mijn werktafel ga hangen -zodra ik een werktafel heb – naast het papier met daarop in blokletters Kath, doe nu eens eindelijk vóórt):

“De tekst van Kathleen heeft alles in zich wat een verhaal boeiend maakt. Ondanks de beperkte omvang van de tekst weet ze de vier personages niet alleen zichtbaar te maken voor de lezer, ze is zelfs in staat om binnen het korte tijdsbestek het beeld nog te draaien. Omdat ze haar informatie goed doseert, houdt ze de aandacht van de lezer tot de laatste zin vast.  Door haar sobere stijl en de mooie balans tussen informatie en spanning, wordt het verhaal nooit sentimenteel of voorspelbaar. Kortom: hier hebben we met een schrijfster te maken die begrijpt hoe je de lezer moet verleiden en ook de vaardigheid bezit om emotie om te zetten in woorden.”

Waw…

Ik kan dan misschien wel goed emoties omzetten in woorden, maar de impact van deze bespreking op mijn hart en ziel overbrengen, dat lukt me vooralsnog niet. Wat het dichtst in de buurt komt, is die waw en de drie puntjes der sprakeloosheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloggers en hoe lief ze zijn

Een paar dagen geleden kregen we post uit Zwitserland. Ik wist wel dat er misschien een kaartje onderweg was, maar het pakje waar de postbode mee kwam aanbellen, heeft me zeer blij verrast. Dit zat erin:

Deze lieve attentie komt van Le Petit Requin, een medeblogster die ik nog nooit in levende lijve ontmoet heb, maar wiens blog ik geregeld lees en naar wiens commentaren op de mijne ik altijd uitkijk. En ik ga dit mooie voorval even gebruiken om het te hebben over dat juweel in blogland waarvan ik niet vermoedde dat het er was toen ik hier begon te schrijven, namelijk de band tussen bloggers. (Een andere titel voor deze post was “Band of Bloggers”, naar Band of Brothers, maar bovenstaande is zachter en daarom gepaster.)

Ik was al jarenlang het stijgende Big brother-gehalte van facebook beu en daarom op zoek naar een alternatief om de band met het thuisland aangespannen te houden. Bovendien wou ik actief met mijn moedertaal bezig blijven, want dat bleek wel nodig (de alarmbel ging af toen ik vijf minuten nodig had om op het woord “regenworm” te komen). Daarom ben ik beginnen bloggen, en het bleek de juiste keuze. Het was een afgebakender, overzichtelijker terrein, waar je nog een beetje achter de schermen kon werken. Ik wist dat ik geen tiende van de facebookvolgers zou bereiken, maar daar zat ik niet zo mee in. Wat ik postte, leek me meer de moeite waard omdat ik meer tijd aan de redactie ervan besteedde terwijl op facebook die tijd vooral opging aan bodemloos naar beneden scrollen langs foto´s van wereldnieuws en restaurantmaaltijden.

Maar dat had ik allemaal wel voorzien.

Wat ik niet had voorspeld, was dat ik hier onbekenden zou tegenkomen in wiens leven ik daadwerkelijk geïnteresseerd zou raken, en wiens opmerkingen me het gevoel zouden geven dat zij dat ook waren in mij. Dat ik zou uitkijken naar de lente in iemands tuin, zou meesnuisteren tussen iemands oude foto´s, of meetuinieren op een berg in Frankrijk, om maar een paar voorbeelden te geven. Dat er achter de blogs door ook gemaild en ontmoet zou worden, en dat die mails en ontmoetingen hartverwarmend zouden zijn. Dat blogcommentaren van beautiful strangers me het gevoel zouden geven dat er een thuis bestaat die eerder taalgebonden dan plaatsgebonden is.

Dat mijn dochter het verhaal van Beertje Paddington zou leren kennen omdat er een lieve landgenote uit Zwitserland aan ons dacht.

Hoe mooi is dat?

 

 

 

Toeval

Ik las deze leuke blogpost over toevalligheden, en meteen kwam me voor de geest wat me een aantal jaar geleden is overkomen op mijn verjaardag. Ik heb de notities weer opgezocht. Het is echt gebeurd.

 

Het is 25 juli 2014, de dag van mijn 34e verjaardag.

Ik zit achter de computer wanneer de telefoon begint te rinkelen (we hadden toen nog een vaste lijn). Wanneer ik opneem, wenst er een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn me een gelukkige verjaardag. Ik bedank haar, maar kan haar stem niet thuisbrengen. Ze doet me aan Alfonso´s grootmoeder denken, maar die is het niet.

Wanneer ik haar vraag wie ze is, zegt ze: ¨”Ik ben het, tante María uit Águila!” Maar ik ken helemaal geen tante María in Águila. Dus vraag ik haar wie ze belt.

“Rosa,” zegt ze. “Ik bel Rosa om haar te feliciteren met haar verjaardag. Wie ben jij dan?” En zo komen we erachter dat ze het foute nummer gedraaid heeft.

“Nou,” besluit tante María, “alleszins een gelukkige verjaardag vanuit Águila!”

En die verjaardag kon niet meer stuk.

 

 

Een opbeurende post over depressie

Na twee posts over migraine, vond ik het tijd voor nog eens een positieve post. Dat die dan over depressie gaat, lijkt een contradictio in terminis, maar voor beschrijvingen van platgetreden paden komen jullie hier niet lezen, toch? Dus doen we een opbeurende tekst over depressie, waar ik eigenlijk bij terecht kwam dankzij die posts over migraine, maar dat leg ik zodadelijk uit. (En volgende week doen we een enthousiast stukje over kinderarbeid ofzo.)

Op mijn achttiende ben ik steil naar beneden gekeild, daar maak ik al lang geen geheim meer van. (Ik snap trouwens niet waarom er over depressie een taboe zou moeten hangen. Iedereen die hersenen heeft, kan depressief worden. Ik vind het dus ook niet speciaal “moedig” om hierover te schrijven, alleszins niet moediger dan schrijven over teenschimmel of aambeien.)

Er zijn verschillende redenen waarom het toen zo slecht met me ging, maar daar wil ik niet over uitwijden. Wel wil ik twee zaken duidelijk maken: dat ik schrijf over 18 jaar ervaring met depressie, en dat ik uiteindelijk geleerd heb ermee om te gaan zonder medicatie. En dat is opbeurend nieuws –toch?

Voor alle duidelijkheid: depressie is geen lolletje. Je gedachten en gevoelens donderen een bodemloze put in, waar het leven van alle zin wordt ontdaan en je volledig doordrongen raakt van de overtuiging dat jouw bestaan compleet nutteloos is, en maar het best meteen aan zijn einde kan komen. Er is geen hoop. Er is geen licht. Je valt en blijft vallen. Dit om de leken onder u een kleine inkijk te geven in de duistere wereld van de depressieveling.

Ik ben nooit meer zo depressief geworden als tijdens die eerste jaren, tussen mijn achttiende en pakweg vijfentwintigste. Daarna bleven de aanvallen bij wijlen terugkomen, en langzaamaan begon ik in te zien dat dat is wat het waren: aanvallen. Ik was geen depressief persoon, ik was geen zwakkeling of psychologisch gestoord individu. Ik was niet gek. Ik had gewoon last van aanvallen van depressie. Net zoals ik aanvallen kreeg van migraine. Dat inzicht kwam er doordat ik overeenkomsten begon te ontdekken tussen depressie en migraine. De belangrijkste was dit: het ging in beide gevallen om een interne verstoring die aan mijn bewuste controle ontsnapte, en die ik als het ware moest “uitzitten”. Nadien kwam dan het evenwicht terug, en was ik weer okee.

De reden waarom dat inzicht zo lang op zich liet wachten, is naar mijn vermoeden te wijten aan het feit dat een aanval van depressie je gedachten en gevoelens verstoort. En wij zijn erg gehecht aan onze gedachten en gevoelens. Wij vereenzelvigen ons ermee. We hebben de neiging onze gedachten en gevoelens voor waar aan te nemen eenvoudigweg omdat we ze denken en voelen. Diep vanbinnen geloven wij dat wij onze gedachten en gevoelens zijn.

En dat, heb ik ondertussen geleerd, is niet helemaal waar. Wanneer ik nu een aanval van depressie krijg, kan ik afstand nemen. Ik bekijk mijn gedachten als een objectieve waarnemer, en hoe sterk ik ook van die negatieve overtuigingen doordrongen ben, hoe correct ze ook aanvoelen: ik weet dat ze niet juist zijn, maar verdraaid door de depressie. De laatste jaren is het zelfs alsof ik de hormoonspiegels voel kantelen. De foute kant op. En daarna weer de juiste kant op. En dan klaart het plots op vanbinnen en is de aanval voorbij.

En net als migraine hebben depressies een waarschuwingsfunctie: dat je beter voor jezelf moet zorgen, beter je grenzen bewaken, jezelf niet mag overladen. En net als bij migraine geldt dat je je niet mag laten meeslepen, dat er geen reden is tot paniek. It sucks, big time, maar daarna gaat het weer over. Proberen rustig te blijven en wachten tot de storm weer gaat liggen. Want de storm gaat weer liggen. En dat is toch wel opbeurend, niet?

 

 

 

Guide to the Spanish: Meanwhile, The Women

 

Nu over de hele wereld protestmarsen aan de gang zijn die de inauguratie van Trump (terecht) zien als een slag in het gezicht van vrouwen en van iedereen die om het welzijn van vrouwen geeft, lijkt de tijd gekomen om die ene, korte post op deze blog te zetten.

In 2016 kwamen er 53 vrouwen om het leven door partnergeweld. Dat is één moord per week. En voor u zich over dit hoge cijfer zou verbazen: 2016 kende het láágste aantal moorden door partnergeweld in de afgelopen tien jaar. Dus ge moet niet vragen.

Voor januari 2017 staat deze droeve teller al op vier:

 

Ik zou hier nog een hele analyse onder kunnen typen, maar daar heb ik voor het moment geen tijd voor, dat komt misschien nog. Morgen zet ik alleszins mijn roze muts op, en ik hoop dat zeer veel vrouwen én mannen dat ook zullen doen, desnoods alleen maar in gedachten, maar met gedachten begint alles.

 

 

 

Ontrouw (Of: less is more)

Ik las bij Odile Schmidt over een schrijfwedstrijd met als thema “Verboden vruchten”. Ideaal, dacht ik, want daar had ik een paar jaar geleden al eens een kortverhaal over geschreven. Bleek echter dat de limiet 500 woorden was, en mijn verhaal er meer dan 700 telde. Snoeien dus. Maar tijdens het snoeien zag ik dat er heel wat schortte aan de tekst. Het is dus een nuttige knipbeurt geweest. Om het helemaal op punt te krijgen, zou ik er best toch weer wat aan toevoegen, maar voor een blog lijkt de 500-woorden versie me wel lang genoeg. Dus voor wie zin heeft, hier is het kortverhaal:

Ontrouw

Van buitenaf had het een goed idee geleken. De handgeschilderde letters “Café Au Jolicoeur” op het vensterglas hadden hem het gevoel gegeven dat ze hem wenkten. Maar zodra Marcel het café binnenstapte, kwam het schuldgevoel aanrollen als een vloedgolf. Hij durfde toen echter niet op zijn voetstappen terugkeren en nam aarzelend plaats op een barkruk aan de toog.

Het café was licht en ruim. Aan een tafeltje bij het raam zaten twee jonge vrouwen samenzweerderig te praten over een onderwerp dat hen af en toe ondeugend deed giechelen. Studentes, vermoedde Marcel, ofwel oud-studiegenoten die kwamen bijkletsen. In hun ogen kon hij zien hoe opwindend het leven kon zijn, en dat sleur voor hen voorlopig slechts een woord was, geen gevoel.

Wat verderop aan de toog zat een vrouw met lange, rode krullen. Ze was elegant gekleed en zat te lezen in een boek dat ze met één hand op de toog opengeslagen hield. Ze droeg geen nagellak en voor zover Marcel kon zien ook geen lippenstift, hoewel hij dat om de een of andere reden van een vrouw als zij net verwachtte. Misschien droeg ze al genoeg rood in haar haren, bestond er een quotum voor dat soort dingen. Marcel glimlachte even. Zaken waar hij nog nooit over nagedacht had. Hij moest toegeven dat het hem plezierde er eens over na te denken. Maar het welbehagen opgewekt door deze observatie kon zijn ongemak niet verjagen.

“Wat zal het zijn?”

Hij keek betrapt op, recht in het gezicht van de barman. Het was een jonge kerel met perfect getrimde bakkebaarden.

“Een pintje,” mompelde Marcel.

En toen zag hij opeens zichzelf, in de spiegel achter de toog. Zijn gezicht rood van schaamte, zijn blik geschokt door de plotse confrontatie. Bewust een fout maken is één ding, maar jezelf ook nog eens recht in de ogen kijken terwijl je ermee bezig bent, is nog heel iets anders.

Marcel wachtte niet op het bier. Hij gooide een stuk van twee euro op de toog, en liep snel het café uit.

De daaropvolgende avond ging hij zoals vanouds naar café Den Toren. De weg naar zijn plek aan de toog werd door de eeuwige rookwalmen aan het zicht onttrokken -wat niet deerde want hij kon het traject blindelings afleggen. Zodra hij zich op zijn vertrouwde kruk had genesteld, stond er al een pint voor hem klaar. Langzaam keek hij op.

Raymond stond vlak voor hem, de dikke armen over elkaar geslagen, zodat de zeemeermin op zijn rechterarm onder de walvis op zijn linker doorzwom. Marcel prees zich gelukkig dat de tapkast tussen hen in stond.

“We hebben u gemist, gisteren,” zei Raymond vanonder zijn snor, op een toon die allerminst de gevoelswaarde van zijn woorden onderschreef.

“Ziek, moest thuisblijven,” prevelde Marcel.

“Jaja,” gromde de barman. “Ziek.”

Marcel zette het glas aan zijn lippen en liet het lauwe bier in zijn mond stromen. Met zijn ellebogen steunend op de toog probeerde hij het biljartspel van Ronny en André te volgen.

Het lukte hem van geen kanten.