Het Plan

Dit is volgens mij een voorwaarde om goed werk te leveren:

  1. er moet vraag zijn naar dat werk (een behoefte)
  2. de persoon die het werk verricht moet er de aangewezen persoon voor zijn

Nu, waar de mensen hier rondom mij zich kennelijk zeer veel zorgen om maken, is hoe ze ervoor kunnen zorgen dat hun kinderen Engels zullen leren. Ziedaar: de behoefte.

Een beheersing van het Engels wordt hier de laatste jaren namelijk als een soort Heilige Graal gezien. Ze hebben dat dan een beetje op zijn Spaans opgelost, namelijk alle leraren verplichten binnen de 4 jaar aan een B2 niveau te geraken, en alle scholen twee,- of drietalig te maken (Spaans-Engels of Spaans-Valenciaans-Engels).

Daarbij werd voor het gemak over het hoofd gezien dat je om een taal te onderwijzen echt wel zeer goed die taal moet beheersen, en dat je zoiets niet op 4 jaar in het avondonderwijs leert. Bijgevolg is het niveau van de meeste leraren Engels hier lichtelijk dramatisch te noemen, en leren vooral de kinderen van rijke ouders goed Engels, want die sturen hun kroost naar dure Engelstalige privéscholen.

De andere ouders zitten met de handen in het haar, want ze kunnen hun kinders niet helpen, omdat hun eigen kennis van het Engels zeer beperkt tot abominabel is. Frustratie alom.

Vele kinderen worden na school dan maar naar taalacademies gestuurd, zoals die waar ik les heb gegeven. Daar komen die kinderen dan doodmoe na een lange schooldag aanstrompelen, en moeten ze weer aan bankjes gaan zitten. En daar gaat het dan weer van one-two-three, en green-yellow-orange.

Mijn eigen dochter gaat natuurlijk niet naar de Engelse les. En geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt haar zelf Engels te onderwijzen. Maar toen er onlangs vrienden uit Wales op bezoek waren met hun vierjarige zoontje, hoorde ik mijn dochter en haar speelkameraadje vlot in het Engels converseren, en toen zij en ik een paar maanden geleden naar huis wandelden, wees ze de velden in en zei: “I know a shortcut.” (Ze was toen vijf.)

Op haar rapport van school staat echter dat ze nog geen Engels spreekt. En toen ik haar werkjes van de les Engels doorbladerde, ging mijn haar rechtop staan. De dagen van de week leren schrijven enzo. WEDNESDAY. In de laatste kleuterklas. I kid you not.

Bovendien is haar uitspraak beter dan die van de juf. (“Mama, de juf zegt KRIISMAS, maar het is Christmas he.”)

Om maar te zeggen dat ze hier van language acquisition geen kaas gegeten hebben.

Mijn dochter is nu zes en perfect viertalig. Ze spreekt en begrijpt Nederlands, Engels, Spaans en Valenciaans. Dat is niet van een leien dakje gegaan. Ik geef haar geen “les”, maar ik steek er wel werk in. Op mijn manier.

Wanneer ik in het park ofzo om raad gevraagd word en een beetje mijn theorieën uit de doeken begin te doen, dan wordt daar altijd zeer enthousiast op gereageerd. Onlangs zei iemand:  je zou dat eens moeten opschrijven. Dus ja, dat gaan we dan maar eens doen.

De bedoeling is dus een tamelijk kort en vlot leesbaar handboekje te schrijven met als titel iets in de aard van “Hoe help ik mijn kind Engels te leren als ik zelf geen Engels kan”, zoiets. Dat moet dus wel in het Spaans geschreven worden, maar dat zou wel moeten lukken. Er zijn hier trouwens voldoende mensen bereid het na te lezen.

En dan gaan we daarmee een paar uitgevers langs, en dan duimen we dat er iets van komt.

Dat is dus het Plan…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vraag aan de lezers: Taart en duidelijkheid

Even tussendoor: een vraagje.

Ik heb onlangs nog eens een kortverhaal geschreven (´t is echt kort hoor, zo´n 500 woorden), maar ik ben er niet helemaal zeker van of de plot wel duidelijk is.

Dus voor wie zin heeft om het eens na te lezen: zou je mij kunnen vertellen of het duidelijk is hoe het “misdrijf” precies gepleegd is, of zou ik beter nog een extra aanwijzing geven?

Het verhaal (“Taart”) kan je hier vinden.

En antwoorden mogen gewoon hieronder als commentaar.

Alvast heel erg bedankt!

Een turbulente Campaigner met een plan

Vooraleer een project op poten te zetten, kan het geen kwaad je zelfkennis wat bij te vijlen, niet? Want inzicht in je sterktes en zwaktes is toch altijd mooi meegenomen. Een interessant hulpmiddel daarvoor vond ik op deze website: www.16personalities.com.

Het zou mooi klinken als ik hier kon zeggen dat dit een onderdeel was van een strategie, maar ik ben bij deze website terechtgekomen op dezelfde manier waarop ik bij 80 procent van mijn informatie terechtkom: via puur toeval. Maar zoals zo vaak blijkt het dan wonderwel in the present picture te passen.

Volgens die test ben ik namelijke een Campaigner, en wat ik daarover te lezen kreeg, sloeg al meteen de brug naar mijn vorige én mijn volgende blogpost:

Campaigners are fiercely independent, and much more than stability and security, they crave creativity and freedom.

Meer woorden moeten daar dus al niet aan vuilgemaakt worden.

Het mooie is dat je er ook een lijstje sterktes en zwaktes bij gepresenteerd krijgt. Ik heb namelijk een plan (of eigenlijk: een aantal plannen) en om die gerealiseerd te krijgen, zal ik toch een beetje rekening moeten houden met deze zwakke punten:

Poor Practical Skills – When it comes to conceiving ideas and starting projects, especially involving other people, ENFPs have exceptional talent. Unfortunately their skill with upkeep, administration, and follow-through on those projects struggles. Without more hands-on people to help push day-to-day things along, ENFPs’ ideas are likely to remain just that – ideas.

Find it Difficult to Focus – ENFPs are natural explorers of interpersonal connections and philosophy, but this backfires when what needs to be done is that TPS report sitting right in front of them. It’s hard for ENFPs to maintain interest as tasks drift towards routine, administrative matters, and away from broader concepts.

Nu heb ik dat hier niet klakkeloos overgenomen gewoon omdat dat op die website staat, maar omdat ik weet dat dit daadwerkelijk mijn zwakke punten zijn wanneer het aankomt op het uitwerken van een project. Het blijft hier nogal snel bij krabbels in een boekje en post-its op de muur.

Daarom heb ik besloten in de volgende blogposts mijn plannen hier te delen (KEI-GRELLIG). Want als er meer mensen van op de hoogte zijn, dan verhoogt dat een beetje de druk. En op die manier krijg ik het misschien wel rond, als ik er van tijd tot tijd verslag over moet doen. (Iets wat ik hier ook al eens aangegeven heb trouwens.)

By the way, heeft deze post iemand aangespoord om ook eens de persoonlijkheidstest te doen?

Wat was het resultaat?  

En kan je je erin vinden?

 

 

 

 

 

 

 

Over stoppen en een koerswijziging

Stoppen is vaak moeilijker dan doorgaan. Het is not done. Wie stopt is een opgever met een gebrek aan karakter, iemand die harder had moeten proberen en niet doorheeft dat het leven geen ponykampf is.

Maar daar ben ik het dus niet mee eens. In mijn ervaring zijn zij die ergens mee kappen vaak mensen die net lang en hard geprobeerd hebben, maar op de foute weg zaten. Zodra dat inzicht begon te dagen, gooiden sommigen meteen het roer om, terwijl anderen er een eeuwigheid voor nodig hadden om zichzelf en hun omgeving ervan te overtuigen dat eruit stappen op termijn de beste oplossing was. Gemakkelijk was het alleszins nooit. (Of ligt het misschien aan de wet van Newton dat stoppen zo moeilijk is? Een lichaam dat in beweging is, wil in beweging blijven?)

Ik hou alleszins al jarenlang deze wijze woorden in mijn achterhoofd:

No matter how far you´ve gone down the wrong road, turn back.

Alleen is het niet zo vanzelfsprekend te bepalen welke de juiste en welke de foute weg is. Zeker wanneer de weg die je gekozen hebt fantastisch werkt voor 90 procent van de populatie, en alleen jij er problemen mee lijkt te hebben.

En nu even waar dit concreet over gaat: ik heb mijn werk opgezegd. Ik heb mijn baas geschreven dat ik kap met die luttele acht uurtjes zwartwerk per week. Het klonk anders wel mooi, privé-lessen Engels aan de bazen van een goeddraaiend bedrijf. En het zou een opstap zijn naar meer uren en wie weet ooit naar een voltijdse job. Maar ondertussen weet ik dat dit een opstap is naar niks. Dat de migraines en slapeloze nachten week na week roet in het eten gooien. Dat ik voor twaalf euro per uur een hoop stress (ga ik okee zijn?) en schaamte (f*ck, moet ik weer afbellen) moet trotseren. Na al die jaren van aanmodderen ben ik eindelijk beginnen inzien dat ik eenvoudigweg een job moeten zoeken die ik van thuis uit kan doen. En om daar tijd en energie in te kunnen investeren, moet ik stoppen met die povere acht uurtjes per week, die me constant bezighouden en weinig opleveren. Want ik wil zo graag eindelijk mijn eigen boterham verdienen, maar het enige wat ik doe is dus aanmodderen voor een beetje zakgeld, jaar na jaar. Dat moet nu maar eens gedaan zijn.

Hoe ik dat dan moet realiseren, is me nog niet helemaal duidelijk. Ziehier een bijna 37-jarige die nog steeds niet weet wat ze later worden wil. Maar behalve die neurologische aandoening vermoed ik dat ik toch ook voldoende talenten heb om ergens in deze wereld een voetje aan wal te krijgen, onder mijn eigen voorwaarden.

Dat ga ik dus proberen.

Het Sheldon Cooper Project.

Wish me luck.

 

 

 

Waarom we middenin een sprookje stokten

Begrijp me niet verkeerd: ik ben een geweldige fan van Annie M. G. Schmidt.

Ik vermoed dat zo´n tachtig procent van mijn dochter´s kennis van het Nederlands te danken is aan haar verhalen. Jip en Janneke hebben we drie keer van voor naar achter en terug gelezen, Pluk van de Petteflet twee keer integraal en daarna geregeld het verzoeknummer “Grote mensen spelen”, en ook met Otje hebben we veel plezier gehad.

Bovendien is Minoes, het boek over de kat die in een juffrouw verandert, mijn favoriete boek aller tijden. Ik las het voor het eerst toen ik zes was, heb er mijn eigen kat naar genoemd, en toen de film uitkwam en niemand mee wou, ben ik hem helemaal in mijn eentje gaan zien. Het was het eerste boek dat ik aan Elena voorlas toen ze nog een baby was. Ze verstond er natuurlijk niks van, maar lag naast mij gefascineerd naar de pagina´s te kijken terwijl ik mij amuseerde met de dialecten die ik de verschillende katten gaf.

Kortom: Annie M. G. Schmidt neemt een belangrijke, welverdiende plaats in mijn literair geheugen in.

Maar halverwege “Allemaal sprookjes” ging het mis. In het verhaal “Het luciferdoosje” maakten we kennis met Gijsbert, een aanvankelijk sympathiek uitziende jongeman die op het sterfbed van zijn vader de eigenaar werd van een bijzonder luciferdoosje. Alles wat hij zag, kon hij in dit doosje laten verdwijnen via het simpele bevel “D´r in!” en het later weer tevoorschijn toveren met de iets minder voor de hand liggende uiting “Psssst!”

Dat Gijsbert zich op deze manier een gans huis toeëigende, konden we hem nog vergeven, want blijkbaar was het een kantoorgebouw en waren de werknemers bijzonder uitgelaten toen ze merkten dat hun werkplek verdwenen was. Gijsbert zette zijn illegaal verworven vastgoed op een mooi plekje aan de rivier en ging naar de markt om daar eten te gaan stelen van nietsvermoedende marktkramers. Toen hij bij de drogist een zakje drop ging halen, werd hij op slag verliefd op het meisje dat achter de toonbank stond. Ongetwijfeld aangemoedigd door de instant-behoeftebevrediging van de laatste dagen, vroeg hij haar meteen of ze met hem wilde trouwen. Liesje (want dat was haar naam) zei echter “nee”. En daarop deed Gijsbert iets heel stouts. Hij deed het doosje open en zei: “D´r in.”

Hier begon ik het moeilijk te krijgen. En deelde dat ook luidop mee aan mijn dochter: het meisje had nee gezegd, en daar had die jongen naar moeten luisteren. Met een bedenkelijke frons las ik verder, maar het kwam niet meer goed:

Daar ging Liesje naar binnen en hij nam haar mee naar zijn huis, opende het doosje en zei: ´Pssst.´

Ze kwam er woedend uit en riep: ´Laat me gaan of ik roep de politie´.

´Kom nou, wat onaardig van je,´(*) zei Gijsbert. ´Kijk eens wat een mooi uitzicht we hier hebben. En er zijn zeven schrijfmachines in dit huis.´

´Dat verandert de zaak,´zei Liesje. ´Ik ben dol op schrijfmachines. Mag ik op allemaal tikken?´(**)

´Net zoveel als je wilt,´zei Gijsbert. ´Wanneer je tenminste klaar bent met het huishouden,´voegde hij er haastig aan toe.

Say whaaaat?

Hier volgde een kort pedagogisch gesprek over rolpatronen, waarop mijn dochter zelf concludeerde dat ze liever een ander sprookje wou horen. Trots op mijn dochter. En opgelucht dat ik haar het vervolg (“Liesje veegde de vloer, poetste zijn schoenen en ging toen zitten tikken”) kon besparen.

Mijn waardering voor Annie M.G. Schmidt is hier ongeschonden doorgekomen. Ik weet dat het meer met de tijdsgeest dan met de schrijfster te maken heeft. Maar dit komt uit een boek dat heruitgegeven werd in 2012. Beetje op onze hoede blijven dus. De machismo-meter nog niet uit het stopcontact trekken.

 

 

(*) Aja, want meisjes moeten altijd aardig zijn, ook al zijn ze net gekidnapt.

(**) Als je maar spullen kan aanbieden zal een vrouw wel voor je vallen, nietwaar?

 

 

 

 

 

Sheldon Cooper en de migraine-vaardigheden

Om met migraine om te gaan, moet je een paar vaardigheden ontwikkelen.

Tijdens de aanval:

Dat is de meest voor de hand liggende: daar liggen en de pijn verdragen. De linkerhelft van je lichaam niet kunnen bewegen. Uren wachten tot de blindheid en de flitsen overgaan. Wachten tot je weer woorden kan vormen. Niet panikeren. Proberen de tijd te vergeten, hoewel je niets kan zien en niets kan denken en geen controle hebt over het verloop.

Na de aanval:

Wanneer het ergste gepaseerd is, ben je natuurlijk nog een paar dagen groggy. En in die fase komen de doemgedachten opzetten. Wanneer komt de volgende aanval? Hoe haal ik mijn werk weer in? Ga ik ooit normaal kunnen leven? Ga ik ooit een job kunnen hebben? En is het normaal dat ik mijn hand nog niet goed voel / gezichten van mensen nog steeds een beetje vreemd zie/ over mijn woorden struikel?

In dit geval helpt het je bezig te houden met de dingen die je alweer kan, hoe weinig het soms ook is, en veel te rusten. En, zoals ik al eerder geschreven heb, depressieve neigingen aan te pakken met dezelfde kalmte als de migraine-aanval.

Vóór de aanval:

Maar ook op migraine-vrije dagen moet je mentaal goed gewapend zijn. Want het kleinste vlekje op je netvlies of een tinteling in je vinger kan de alarmbel doen afgaan. Is dit aura? Ben ik okee of moet ik nu meteen alles afzeggen en naar huis proberen te geraken? Kan ik morgen naar dat verjaardagsfeest of niet? Kan ik morgen die vlucht nemen of niet? Het duurt soms een seconde of tien voor het duidelijk is. En de frequentie kan oplopen tot een keer of zeven per dag.

De Sheldon Cooper vaardigheid:

En dan is er nog een vaardigheid waar ik me bewust van werd toen ik deze video zag: een glimp achter de schermen bij The Big Bang Theory. Chuck Lorre, een van de makers van de serie, vertelt daarin dat er vanuit de fanbasis veel druk was om Sheldon Cooper (*) een relatie te laten beginnen. Hij wou het personage echter niet teveel toegevingen laten doen, omdat het net een van Sheldon´s charmes is dat hij zijn leven onder zijn eigen voorwaarden leeft, hoe sterk die soms ook afwijken van de norm. (**)

En daarom blijft Sheldon meester van zijn eigen plekje op de sofa, hebben hij en zijn vriendin maar één keer seks per jaar, en ondertekenen zijn vrienden in variërende mate van gewilligheid de contracten die dit eccentrieke genie met veel plezier opstelt.

En dat, besefte ik, is een vaardigheid die ook ik nodig heb, de afwijkende hoedanigheid van mijn gezondheidstoestand in acht genomen. Een skill waar in mijn geval nog veel werk aan is. Want hoe kan je je leven inrichten op een manier die volledig ingaat tegen de huidige normen en verwachtingen? Hoe kan ik een ruimte scheppen voor mezelf waarbinnen ik gezond, gelukkig en comfortabel kan leven, wanneer het materiaal dat ik daarvoor nodig heb niet in het bouwpakket zit dat in onze maatschappij wordt uitgereikt?

Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik me niet meer overrompeld, schuldig, zwak, oververmoeid, nutteloos, bang, ziek, afhankelijk, … voel?

Door eraan te werken, natuurlijk, want dat is wat je met vaardigheden doet.

Ik hang een foto van Sheldon aan de muur.

Dat lijkt me alvast een goed begin.

 

 

(*) Voor wie Sheldon niet kent: dit personage is een geniale wetenschapper die duidelijk ergens op het autisme spectrum zit.

 

(**) “I didn´t want to miss out on an opportunity to have a character living life on his own terms. And that´s what´s wonderful about these characters, and particularly Jim´s character: he´s living life on his own terms.”  16:15 – 16:35

 

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (2)

Ze had de luiertas vergeten en daar aanvankelijk tamelijk nerveus over. Tina is altijd goed geweest in dingen in de hand houden: reisschema´s, beroepsklassen, en sinds drie maanden: luiertassen. En nu stond ze daar met man en baby in Gent, en de wagen onder het Zuid geparkeerd. En de luiertas in Oudegem. Dat vond ze niet leuk, maar ze haalde diep adem en zei: “We wagen het erop.”

En we trokken de stad in.

Dat ging zo vlot dat Tina en haar man Tim besloten om mij en Elena nog even te vergezellen op restaurant ook. Dus we doken een Italiaan in (misschien toch herschrijven, die zin) en daarmee schreven we baby´s eerste restaurantbezoek op haar palmares, terwijl Tim en Tina honderduit over hun huwelijksreis/wereldreis praatten en Elena helemaal zelf haar favoriete maaltijd bestelde: spaghetti zonder saus en alleen maar kaas.

Een uurtje later stapten we naar buiten, opgewekt omdat de baby het zo flink volgehouden had. Op een half uurtje zouden ze thuis zijn, nu kon er niks meer misgaan. Maar verder dan twee meter kwamen we niet, want de straat naar het Zuid was afgesloten.

Bomalarm.

Toen zag ik de paniek opkomen in de ogen van mijn vriendin. En ik zag ook hoe moedig ze zichzelf kalm probeerde te houden. We maakten snel een plan. Eerst: luiers vinden. Dat kon nog best tricky worden, want het was ondertussen al bijna zeven uur ´s avonds. We besloten naar Sint Jacobs te gaan om te zien of de supermarkt nog open was, en indien dat niet het geval was een nachtwinkel te zoeken. Dan zouden we terug naar het Zuid gaan om te kijken of het bomalarm al opgeheven was.

De supermarkt was gelukkig nog open, en we sloegen behalve pampers ook een voorraadje eten en drinken in. Daarna gingen we met onze kinderen en boodschappen weer naar het Zuid, waar de mannen die aan de politielinten de wacht hielden ons nog steeds niet konden vertellen of er al schot in de zaak was (ook deze uitdrukking herzien). De baby begon echter hongerig te worden, dus stelde ik voor dat we allemaal naar de Airbnb (*) zouden gaan waar Elena en ik verbleven.

Toen we daar aankwamen en aan onze gastheer de situatie uitlegden, werden mijn vrienden met open armen ontvangen. Hij nodigde hen uit in zijn woonkamer, waar Tina haar baby kon voeden (**). Ondertussen ging ik Elena douchen. Tim zou terug naar het Zuid gaan om de auto op te halen zodra het alarm opgeheven werd, en Tina´s ouders werden op de hoogte gebracht en beloofden hen te komen ophalen indien het te lang zou duren.

Na de douche klom Elena voor mij de houten trap op naar onze slaapkamer op de bovenste verdieping. Tina lag in het grote bed, met haar arm om haar slapende dochtertje heen. Elena ging voorzichtig aan de andere kant van het baby´tje liggen, en ik legde me naast haar. Over de hoofdjes van onze dochters keken Tina en ik elkaar aan. De laatste keer dat we samen in hetzelfde bed hadden gelegen, was tijdens de Gentse Feesten van 2008 geweest. We waren toen in de vroege uurtjes van het Zuid naar mijn appartementje in Ledeberg gewandeld, en zij was toen knal tegen een verkeersbord aangelopen. We moeten nog altijd lachen als we dat oprakelen.

En nu lagen we hier: twee jonge mama´s, als een cocon om onze dochters, in dat grote bed.

En we waren zo gelukkig.

De mooiste momenten kan je niet plannen. Daar zit je opeens middenin.

Al wat je dan hoeft te doen, is heel erg dankbaar zijn.

 

(*) Ik heb de link naar de Airbnb erbij gezet omdat we daar zo´n fijn verblijf hebben gehad. Ik word hier niet voor vergoed ofzo, het is puur uit dankbaarheid.

(**) Eigenlijk was deze episode ook één lange, mooie advertentie voor borstvoeding. Want die kan je niet vergeten, die heb je altijd bij.

 

Ondertussen in Vlaanderen: alles onder controle (1)

Zoals je geen twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je als ex-patroit niet terugkeren naar je land van herkomst.

Bij elke terugreis naar Vlaanderen komt er iets op mijn pad wat me uit evenwicht brengt: een afgeschaft perron, een betaalautomaat bij de bakker, een verandering in het straatbeeld (*). Soms zijn het details die anderen amper opvallen, maar voor mij zijn het knipperende neon-signalen. Hun boodschap:  je kan nooit meer terug naar het Vlaanderen van 2008. Panta rhei. Of je dat nu leuk vindt of niet.

Tijdens mijn laatste bezoekje was het weer zover. En ik zie het zelden aankomen, want het gebeurt meestal in zeer banale situaties. Zo stapte ik nietsvermoedend het postkantoor van Leuven binnen om twee postzegels te kopen. Maar ik had natuurlijk beter moeten weten, want Belgische postkantoren zijn de testlabo´s van het Geheim Ministerie der Belgische Treiterijen. Sinds ze een derde van de postkantoren in supermarkten hebben verstopt en een ander derde onder paddestoelen, kan zoiets eenvoudigs als een brief versturen een hele onderneming worden.

Desondanks was ik voorbarig op het gemak gesteld door de observatie dat het postkantoor in Leuven simpelweg nog bestond, en wandelde naar binnen. Van de drie bemande loketten was er één vrij, en er stonden geen andere klanten te wachten. Ik hield echter even halt, want boven de twee bezette loketten hing een pancarte met daarop “particulieren”, terwijl er boven het vrije loket “ondernemers” stond. Ondanks het feit dat ik mezelf als een tamelijk ondernemend persoon beschouw, daagde het besef dat ik in deze context onder “particulieren” geklasseerd diende te worden. (Vraag: dien ik geklasseerd te worden? In een postkantoor? Is dat niet wat ze daar met brieven horen te doen in plaats van met mensen?)

Maar soit. Ik vatte moed en begaf me naar het vrije loket. Daarachter zat een magere man met een rond brilletje.

“Goeiedag,” sprak ik opgewekt. “Twee postzegels vor het buitenland alstublieft.”

De man keek me aan.

“U moet een nummer nemen,” zei hij.

“Excuseer?” vroeg ik.

“U moet een nummer nemen,” herhaalde hij, en wees langs mij heen.

Ik draaide me om en zag een paal met knoppen.

“Maar er is niemand anders,” sputterde ik tegen.

“Toch moet u een nummer nemen,” zei de man weer. Je kon zien dat hij trots was op zijn geduldige ingesteldheid.

Dus liep ik drie stappen terug naar die paal, drukte op een knop (daarbij moest ik kiezen tussen “particulieren” en “ondernemers” –dus nu was het officieel, ik was geen ondernemer) en nam het ticketje dat eruit tevoorschijn kwam. Nummer 96. Op dat ogenblik drukte de man achter het vrije loket ook op een knop, en op een bord boven de loketten (**) kwam het nummer 96 tevoorschijn.

Ik stapte weer op de man af, gaf hem het ticketje en zei “Twee postzegels naar het buitenland, alstublieft”, met een grijns die zowel bevreemding als amusement moet uitgedrukt hebben.

De loketbediende beantwoordde die grijns met de blik van een pater die het gewend is met wilden uit de brousse te werken. En net toen ik dacht dat we nu in veilige wateren waren, vroeg hij: “Wilt u er geen vijf? Dat komt goedkoper uit.”

Met grote ogen keek ik hem aan. Sinds wanneer waren postzegels goedkoper per vijf? Dit was geen postkantoor in een supermarkt, dit was een supermarkt in een postkantoor.

“Nee, dank u,” zei ik beleefd. “Twee alstublieft.”

“Maar zo komen ze per stuk goedkoper uit,” zei de bediende.

“Ik heb er maar twee nodig,” legde ik uit. “Ik zou die overige niet gebruiken, want ik woon hier niet.”

Op dat moment raakten we gevaarlijk dicht aan de bodem van zijn geduld.

“Jah,” zei hij kribbig, “dat kan ik niet weten, hé.”

Uiteraard niet, dacht ik bij mezelf. Daarom leg ik het u uit.

Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat laatste niet luidop gezegd heb.

Maar dan was ik waarschijnlijk nooit aan mijn twee postzegels geraakt.

Wat ben ik blij met ons postkantoor in Rafelbunyol, waar je in plaats van een ticketje te nemen gewoonweg aan de mevrouwen achter het loket vraagt hoe het met hun kroost is gesteld, waarna ze je vragen hoe het met je dochter gaat. Bij Correos maakt het vooralsnog geen bal uit of je particulier dan wel ondernemer bent. Maar in Vlaanderen moeten ze alles op papier hebben. Het was mede om die reden dat ik in 2005 mijn laatstejaarsstage anywhere but in Belgium wou doen. Ik was al die paperasserij zo beu, en ik had nog niet eens mijn diploma. Waar ik in België drie lesvoorbereidingen moest maken voor één les van 50 minuten, werd ik in Belfast losgelaten in de klas en men zag dat het goed was.

Wat een heerlijk gevoel gaf dat.

Want het tegenovergestelde van controle is vertrouwen. En daar kunnen we in Vlaanderen, naar mijn gevoel alleszins, toch wel een beetje meer van gebruiken.

 

 

(*) Die markthal op het Emile Braunplein in Gent, daar ben ik twee dagen niet goed van geweest.

(**) Waarschijnlijk had ik dat bord niet eerder opgemerkt omdat ik toen zo verzonken was in de filosofische kwestie of ik mezelf “ondernemend” dan wel “particulier” zou moeten noemen.

Over pillen, therapie en de supermarkt

Ik ga nu al vier jaar naar dezelfde supermarkt, en telkens ik afreken, moet ik doorheen dezelfde conversatie:

Kassier(ster): “Hebt u een klantenkaart?”

Ik: “nee.”

Kassier(ster): “Wilt u een klantenkaart?”

Ik: “Nee, dank u.”

Af en toe komt er variatie op het thema door een kassierster die een beetje blijft aandringen, of door mezelf, wanneer ik de nood voel nog maar eens uit te leggen dat de hippiekronkels die achter het weigeren van een klantenkaart schuilgaan eigenlijk niet zo vreemd zijn (dat ik het geen gezellig idee vindt dat er aan de hand van mijn aankopen kan uitgerekend worden wanneer ik mijn maandstonden heb, om maar iets te noemen -al is dat niet het voorbeeld dat ik dan geef).

Wanneer ik naar de psychiater moet (waar ik sinds de crash van vorig jaar om de zoveel maanden verwacht wordt voor een sessie van 10 minuten (*)) voltrekt zich ongeveer hetzelfde ritueel:

Psychiater: “Wil je nog steeds geen medicatie?”

Ik: “Nee.”

Psychiater: “Het is natuurlijk je eigen keuze, maar er zijn medicijnen die je echt goed kunnen helpen.”

Ik: “Dat weet ik wel, maar toch, nee. Sorry.”

Psychiater: “Je hoeft je niet te verontschuldigen, voor mij moet je het niet doen. Maar ben je er zeker van? Deze medicijnen worden heel grondig getest. Ik vind het gewoon jammer voor jou dat je waarschijnlijk beter af zou zijn moest je ze nemen, en dat je het toch niet wil proberen. Zou je het toch niet overwegen?”

Ik: “Nee. Echt niet. Nee.”

Er zijn drie redenen waarom ik weiger psychofarmaca te nemen, al besef ik dat ze mijn leven op bepaalde vlakken wel gemakkelijker zouden kunnen maken. Dit zijn die redenen:

  1. Ik vertrouw ze niet.
  2. Ik heb er slechte ervaringen mee (dat was meer dan tien jaar geleden, maar toch).
  3. Het is nooit duidelijk geweest of ze drempelverlagend werkten voor migraine-aanvallen, maar aangezien het om chemische producten gaat, is de kans erg groot. En alles wat maar de geringste kans geeft op aura-migraine, mijd ik als de pest (**).

Moest ik alleen die eerste twee redenen op mijn lijstje hebben staan, dan slikte ik waarschijnlijk al lang mijn dagelijkse dosis. Want zo heroïsch-principieel ben ik nu ook weer niet, daar maak ik mij geen illusies over. Maar die migraines zijn zo´n efficiënt afschrikmiddel dat ik me met weinig anders zal drogeren dan met paracetamol en ibuprofen. Al is het niet makkelijk koppig te blijven weigeren, en paradoxaal genoeg kom ik daardoor altijd tamelijk depressief buiten bij de psychiater.

Nu is dit geen blogpost over wat er beter is, medicatie of therapie. Dit is een post over hoe makkelijk het is aan medicatie te geraken, terwijl het bere-moeilijk is om therapie te krijgen. Want dat is dus wat ik wil proberen: therapie. Lees even mee hoe die queeste tot hiertoe verlopen is:

Tijdens mijn eerste sessie met toffe psychiater 1 vroeg ik om therapeutische hulp, en hij had me op de lijst gezet voor een afspraak met de psycholoog.

Ze zouden bellen.

Ze belden niet.

Na 3 maanden vroeg ik aan de balie waarom ik niet opgebeld was, en toen zeiden ze me dat psychiater 1 (die toen reeds vervangen was door psychiater 2) stelselmatig alle patiënten naar de psycholoog verwezen had, en dat ze sinds zijn vervanging alleen de “zware gevallen” een afspraak bij de psycholoog gegeven hadden. Ik was dus gewoon van de lijst gehaald.

Psychiater 2 zorgde ervoor dat ik weer op de lijst terecht kwam.

Drie maanden later werd ik gebeld en kreeg een afspraak voor over twee maanden. Een maandag om 9 uur ´s morgens. Toen ik die maandag aankwam, zeiden ze dat ik een afspraak had om 13u, en dat er iemand anders een afspraak had om 9u. Ik zei: “Nee, ze hebben mij heel duidelijk gezegd dat het om 9u was.” Om 13u kon ik niet, want dan moest ik werken. Dus pech, weer geen afspraak.

Ze zouden me bellen. Ik miste het telefoontje. Ben dan maar weer langs de balie gegaan.

Balie-mevrouw: “Ik heb je keivaak gebeld. Je hebt een afspraak op 12 april.”

Ik: “Op 12 april ben ik in België. Dat ligt al vast sinds november.”

Balie-mevrouw: “Tja, dan zal ik je een andere afspraak moeten geven. Ik zal je bellen.”

Ik: “Kunt u dat niet gewoon nu doen?”

Balie-mevrouw: “Nee. Ik zal je bellen.”

Op zo´n momenten is het toch moeilijk om daar geen samenzwering van de farmaceutische industrie achter te zoeken. Maar dan kan je nog paranoïde genoemd worden op de koop toe, en daar zijn dan weer andere pillen voor.

 

 

(*) Dit is niet de psychiater die ik tijdens de eerste sessie had en die me zoveel hoop en moed gaf. Die was de tweede keer dat ik ging al vervangen door iemand anders.

 

(**) Voor wie dit kleinzerig zou vinden: ik kan best wel tegen een stootje, hoor. Maar met de hand op het hart: ik zou liever weer een bevalling zonder epidurale ondergaan dan een aanval van aura-migraine.