Het Groot Dictee Heruitgevonden: de tekst

Een aantal mensen vroeg me of ik de tekst die voor het dictee gebruikt werd online kon zetten, en aangezien de wedstrijd ondertussen afgelopen is, vermoed ik dat dat nu wel mag. Het verhaal dat ik instuurde, werd bewerkt door Ludo Permentier. Die heeft op een vakkundige en bewonderenswaardige manier de tekst “dicteeklaar” gemaakt. 

HET GEVAAR TUSSEN DE REKKEN

Het eerste wat me opviel, was een geur. Het rook naar compost. Dat is een curieuze geur voor een bibliotheek. Toen ik bij de acaciahouten balie kwam, gebeurde er nog iets vreemds: de bibliothecaris keek me aan met doodsangst in de ogen en fluisterde: ‘Maak zo min mogelijk geluid en bruuskeer niets of je bent er geweest.’

Ik weet dat bibliothecarissen pietjes-precies zijn en soms megastreng, maar dit leek me overdreven. Bovendien viel het op dat iedereen veel stiller was dan normaal. Zelfs de kinderen in de leeshoek zaten als bangeriken in de zitzakken, en durfden amper de bladzijden van hun stripalbums om te slaan. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik gestrest.

De bibliothecaris keek schichtig achterom en gebaarde naar een slijmspoor dat langs de sectie laatmiddeleeuwse Bijbelstudie liep en tussen de rekken naoorlogse literatuur verdween. ‘We zitten met een boekenwurm’, fluisterde hij dicht bij mijn oor.

Ik had verbouwereerd naar hem staan luisteren, maar nu rechtte ik mijn rug. ‘Grapjas!’ zei ik hardop. ‘Is dit weer een van die promotiestunts ter bevordering van de leescultuur?’

Iedereen keek verschrikt op, en vanachter de rekken literatuur voor volwassenen klonk er een benauwend gegrom.

‘Hij wil niet gestoord worden’, prevelde de bibliothecaris haast onhoorbaar. ‘Als je hem stoort, vreet hij je op.’

Ik moest toegeven dat ze erg hun best hadden gedaan om de stunt geloofwaardig te doen overkomen, en besloot het spelletje rücksichtslos mee te spelen.

‘Wat kunnen we tegen de ongewenste aanwezigheid van dit creatuur ondernemen?’ fluisterde ik ernstig terug.

‘Hij kan niet tegen woorden met een x’, was het antwoord. ‘En hoe degoutanter het woord, hoe beter.’

Ik knikte bedachtzaam. Fantasie hadden ze wel, daar in de bib.

Langzaam stapte ik weg van de balie en begaf me richting literatuur voor volwassenen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe alle aanwezigen met alerte blik mijn bewegingen volgden.

Waar het slijmspoor tussen de rekken verdween, draaide ik de hoek om. En daar zag ik het beest.

Het was een grijsblauwe worm met een geribbeld lijf, het soort regenworm dat ik als kind weleens met een keukenmes in tweeën had gehakt om te zien of de helften beide zouden voortleven. Maar dit exemplaar was zo groot als een uit de kluiten gewassen walrus.

De worm zat met zijn kop tussen de boeken in het rek, en bewoog als een stofzuigerslang over De komst van Joachim Stiller. Het boek ging in een gulp naar binnen en meteen daarna begon hij aan een volgend boek. Een paar seconden later had hij het hele oeuvre van Hubert Lampo opgevreten.

Toen hij aanstalten maakte om aan het werk van Tom Lanoye te beginnen, besloot ik het erop te wagen. ‘Laxeermiddel’, zei ik voorzichtig.

Het gruwelijke dier draaide zijn blinde kop in mijn richting, richtte zich op, en ik voelde hoe mijn ledematen verstijfden van angst. Maar ik ging dapper verder: ‘Toxines, index, antrax!’

De ogeloze kop van het dier bleef hoog boven mij in de lucht zweven. ‘Xenofoob!’

Hij sperde zijn muil open. Een boek met een rood-zwarte kaft viel vlak voor mijn voeten. ‘Het goddelijke monster’.

‘Taxidermie!’ riep ik uit. De worm stuikte in elkaar, en begon ijzingwekkend te krijsen. Iedereen in de bib sloeg de handen voor de oren. Maar ik was nog niet klaar.

Nog één woord had ik nodig. Ik greep naar het ultieme wapen: ‘de brexitonderhandelingen!’

Dat was de genadeslag. Schokkend en bevend sleepte de reuzenworm zijn blubberige lijf de zaal uit, langs geschiedenis en hobby’s en handwerk, naar buiten. Alle bibliotheekbezoekers applaudisseerden uitgelaten, en de anders zo gereserveerde bibliothecaris viel me om de hals.

‘Wat een heldhaftig optreden!’ riep hij uit. ‘Je hebt ons gered van een gewisse dood!’

Hij gaf me een zoen op mijn wang en een boekenbon, en toen ik drie maanden later een boek te laat binnenbracht, vroeg hij me geen extra eurootjes, maar zag hij dat met een knipoog door de vingers.

 

 

Uw Rafelkath in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel

Vandaag vindt in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel de finale plaats van Het Groot Dictee Heruitgevonden: De Schrijfwijzen.

De tekst die zal voorgelezen worden en waarover alle spellingfanaten zich het hoofd zullen breken werd geschreven door… mezelf.

Ik ben daar eigenlijk best wel trots op 🙂

De tekst werd weliswaar aangepast en dictee-waardig gemaakt door Ludo Permentier, maar hij heeft dat op een heel elegante manier gedaan: stijl en humor bleven intact. Daar ben ik hem erg dankbaar voor.

Wat leuk om te weten dat zoveel mensen vandaag te horen krijgen welk gevaar er tussen de rekken van een onschuldige bibliotheek schuilt…

Het heerlijke van haken

2019 was ook een jaar van creatieve frustratie.

Ik wou zo graag meer schrijven, maar de uurroosters van echtgenoot en dochter maakten dat erg moeilijk. Ofwel was manlief thuis, ofwel dochterlief, en in een schrijfflow geraken met die lieverds om me heen bleek vrijwel onmogelijk. Bloggen lukte nog wel, maar probeer maar eens alle poëtische en grammaticale draadjes in de hand te houden terwijl je naar een plot toewerkt, wanneer plots iemand naast je begint te telefoneren of vanop de wc roept dat het toiletpapier op is. Ik veronderstelde aanvankelijk dat het een kwestie was van terrein afbakenen (“Ik ga nu een uur schrijven, dus laat me even met rust”), maar ondanks massa´s goede wil aan beide kanten veranderde ik dan toch binnen het kwartier in een soort van prehistorisch monster dat begon te brullen wanneer iemand de keukenrobot aanzette en zo de inspiratie het raam uit joeg.

Daarom heb ik me voorgenomen om dochterlief één dagje per week op school te laten eten, zodat ik een vrije middag heb om -indien gewenst op verplaatsing- alleen maar met schrijven bezig te zijn.

En ondertussen kwam er ook een soort van creatieve verlichting dankzij Trijnewijn. Op haar blog leerde ik het woord amigurumi kennen, wat Japans is voor “gehaakt of gebreid poppetje”. Ik greep naar mijn oude haaknaalden, kocht een boek, en plots ging er een hele wereld voor me open. Want dat haken, mensen, hoe fantastisch is dat? Je kan het eender waar doen, en op eender welk moment. In de zetel naast de echtgenoot wanneer hij computerspelletjes zit te spelen; aan tafel naast dochterlief terwijl ze haar middagmaal (tegen een veel lager tempo dan mama) verorbert. Tijdens alle verloren momentjes wanneer het geen zin heeft aan schrijven te beginnen: dan pluk ik een haakwerkje uit mijn tas en naai een halve eenhoorn letterlijk een oor aan.

Mijn eerste beestje was dit smoezelige eenhoorntje:

Sindsdien zijn op drie maanden tijd volgende creaties de revue gepasseerd (leuk te zien hoe ik toch wel bijgeleerd heb):

een dekentje voor de pop

een sleutelhanger

En hoe leuk is het die werkjes uit te delen?

Dus daarom het voornemen: mooie dingen maken.

Want nu heb ik (dankzij Trijnewijn) wel voldoende strategieën om alle soorten tijd nuttig te gebruiken.

 

Het voornemen voor 2020

2019 was een goed jaar: ik ben in tijden niet zo weinig ziek geweest. Bovendien kreeg ik dit najaar voor het eerst het gevoel dat er iets in dit afgepeigerde hoofd aan het recupereren was geslagen. Er waren nachten dat ik na twintig minuten in slaap viel (hoe heerlijk is dat) en dagen waarop ik met gemak de archiefkasten van mijn geheugen kon opentrekken (*).

Dus die weg wil ik blijven gaan in het nieuwe jaar. Want er is nog wel een weg te gaan. Bovendien hou ik van deze weg, en wil ik niet weer op een zijspoor geraken.

Sinds ik gestopt ben met (buitenshuis/betaald ) te werken, zijn er heel wat zorgen van die baan geschoven, maar er is wel een andere hoofdbreker voor in de plaats gekomen. De vraag wat ik nu in godsnaam ga doen om -het liefst op een legale manier- geld in het laatje te brengen. Daar ben ik nog absoluut niet uit, en eerlijk gezegd begint die vraag behoorlijk zwaar op mijn gemoed te wegen. Zodanig zwaar dat ik eigenlijk, feitelijk, diep vanbinnen, en het aller,- allerliefst van al… die vraag een jaar lang wil negeren.

Ons spaargeld laat het toe om het nog minstens een jaar of twee op één inkomen uit te zingen. Dus alles welbeschouwd: waar haal ik het recht vandaan om me zorgen te maken over geld, terwijl er zoveel mensen op de wereld zijn die niet weten hoe ze aan het einde van de maand de huur moeten betalen? (Of erger nog: het eten van de volgende dag?)

Daarom heb ik besloten om me een jaar lang geen zorgen te maken over werk of geld. Ik ga het huishouden doen, voor mijn dochter zorgen, en me voor de rest maar met één ding bezig houden, en dat is: mooie dingen maken. Verhalen schrijven, liedjes zingen en handwerken (daarover binnenkort meer). Dat kan toch nooit verloren moeite zijn, nietwaar? Een jaar lang. En daarna zien we wel weer.

 

(*) Extract uit een conversatie met mijn ouders, een paar jaar geleden. Mijn vader: “Dus toen hebben ze bij de moemoe een Alzheimer-test afgenomen. Dan vragen ze welk jaar het is enzo.” Ik (in lichte paniek): “Jamaar, dat weet ik ook niet altijd!”

Onbedoeld chauvinisme

Deze post van Lola loves Champagne deed me denken aan een anekdote van tijdens mijn studententijd in Gent.

Een van mijn Gentse medestudenten zei dat hij na zijn afstuderen een appartementje wou kopen in ´t stad.

Ik keek hem verbaasd aan en vroeg: “In Antwerpen?”

In my defence, ik was mij echt van geen kwaad bewust. Ik dacht, in alle onschuld: waarom wil die nu ineens in Antwerpen gaan wonen?

Maar kennelijk is Gent ook een stad.

 

 

 

De Orde van de Pad: achter de schermen

Een paar mensen vroegen me, na het lezen van dit kortverhaal, of die Antonio echt bestaat, en hoe het zit met dat paddengif/medicijn. Dus zal ik hier even wat meer uitleg geven over hoe ik tot dat kortverhaal gekomen ben.

Het begon met een video van Miscelánea Mexicana, getiteld “El profeta del sapo”, die een (hippie) vriend me vorig jaar doorstuurde. Daarin zie je hoe dokter Octavio Rettig´s nachts in de Mexicaanse woestijn op zoek gaat naar Coloradopadden, en hun klieren uitknijpt. Met de slijmerige opbrengst daarvan brouwt hij een drug/medicijn en met dat goedje brengt hij drugsverslaafden weer op het juiste pad (pun not intended). Niet dat ik er hier reclame voor wil maken, en het is ook maar de vraag in hoeverre dit allemaal risicoloos is, maar soit. Voor wie Spaans wil oefenen, zal ik onderaan de video zetten.

Risicoloos of niet, het was wel impressionant om te zien hoe zij die de drug kregen toegediend een overweldigend gevoel van eenheid en grenzeloze liefde ervaarden. En aangezien ik die video zag rond de tijd dat de extreem-rechtse partij Vox weer meer in het nieuws kwam, was de link al snel gelegd: wat zou er gebeuren als je extreem-rechtse politici die drug toediende? Zouden die nadien nog steeds in staat zijn hun gedachtegoed te verdedigen? Kan je bijvoorbeeld, na het ervaren van totale liefde en verbondenheid, nog steeds blijven beweren dat vluchtelingen die in de Middellanse Zee verdrinken niet gered mogen worden?

En wat als er een groep activisten het op zich zou nemen om bepaalde politici te gaan “bekeren” -op een wel heel onorthodoxe manier? Hoe zouden ze te werk gaan? Wat zouden de gevolgen zijn? Heiligt het doel de middelen?

Dat zijn een aantal van de vragen die ik met dit kortverhaal wou oproepen.

Ter voorbereiding heb ik ook een toespraak van één van de kopstukken van Vox bekeken, en daarop is de eerste paragraaf gebaseerd. Nu ja, ik heb de helft bekeken, want na vijftien minuten kon ik het niet meer aan. Dat gedachtegoed is immers niet gemaakt met het welzijn van geëmigreerde vrouwen in het achterhoofd. Een beetje paddenmedicijn zou die man vast geen kwaad doen, denk ik stiekem.

 

 

 

Een kortverhaal als kerstkado

Hier een kortverhaal waar ik al ruim een jaar op zit te broeden en dat eindelijk klaar is om aan jullie te laten lezen.

Ik hoop dat het voldoende duidelijk is, want een kortverhaal is altijd een evenwichtsoefening tussen niet teveel en niet te weinig vertellen. Enfin, ik hoor het wel; zoals altijd is alle feedback welkom.

Het heet De Orde van de Pad, het is vier A4´tjes lang, en je kan het hier lezen.

Prettige feestdagen gewenst, allemaal!

 

 

 

 

Tupperware rebellie

Ik heb het al twee keer gedaan en het bracht telkens een vreemde mix van schaamte en strijdvaardigheid teweeg: een leeg Tupperware-potje meenemen op restaurant. Zo kon ik de overschotten zelf inpakken en meenemen, waardoor er geen eten moest worden weggegooid, en er geen plastic verpakking gebruikt moest worden.

De kunst is van de hele handeling zeer rustig en onopvallend uit te voeren. Alsof potjes volscheppen op restaurant de gewoonste zaak van de wereld is. En misschien wordt het dat op een dag ook wel.

Horcrux

Eigenlijk heb ik er een geweldig jaar opzitten: in 2019 heb ik alleen in juni en december migraine gehad. Dat is ongelofelijk, en sinds de lagere school ongeëvenaard. Voor het eerst in bijna dertig jaar kreeg ik een idee van hoe een leven zonder migraine eruit kan zien. Misschien dat daarom de aanvallen van twee weken geleden extra hard aankwamen.

De eerste aanval was de zwaarste en bracht me aan een duister randje. Want wanneer je hersenen niet meer goed werken, kom je in een soort niemandsland terecht. Wie ben je immers nog, wanneer je niet kan praten en denken (*)? Hoe kan je bij jezelf blijven wanneer er een oncontroleerbare storm onder je schedel woedt? Het is alsof je een beetje ophoudt te bestaan. Het is alsof (om nog maar eens naar Het Oneindige Verhaal te verwijzen) je aan de rand van een afbrokkelend Fantasia staat en het Niets inkijkt.

Dat is een uithoek waarvan het moeilijk terugkomen is. Toen de eerste aanval voorbij was, bleef ik leeg en verslagen achter. Ik voelde me een spook. Een paar dagen later kwam de tweede aanval, en toen die voorbij was, bleken er toch een paar zekeringen weer aangeschakeld die na de eerste aanval uitgevallen waren. Maar ik was een stukje van mezelf kwijt en wist niet waar ik het moest zoeken.

Gelukkig kwam er toen net die ene zaterdag in de maand aan, dat dochterlief bij mijn schoonouders blijft slapen, en mijn man en ik een stapje in de wereld zetten. Die avond gingen we uit eten bij een Indiër in de stad. Dus daar zat ik met mijn Spanjaard, en even leek het alsof we weer in het Verenigd Koninkrijk waren (een gevoel dat ik altijd krijg in een Indisch restaurant). We praatten en lachten, en ik zag langs zijn eerste witte haren en zijn eerste rimpels heen weer de jongen van 25 die hij 15 jaar geleden was.

En toen gebeurde er iets wat ik niet had zien aankomen: ik voelde opeens ook weer wie ik zelf was. Het was alsof ik mezelf door hem kon aanraken. Alsof er een stukje van mijn eigen ziel in hem lag waardoor ik weer bij mezelf kon komen. Een beetje zoals Voldemort een stukje van zijn ziel in Harry Potter had achtergelaten, maar dan op een lieve manier.

Dat lijkt mij wel het mooiste wat je voor iemand kan doen: een stukje van hun ziel bewaren voor de dag waarop ze zichzelf een beetje kwijt zijn.

 

(*) Ik lijd aan een soort migraine waarbij ik dezelfde symptomen krijg als die van een hersenbloeding.

Lieg over Sinterklaas!

Hou u vast aan de takken van de bomen: uw feministje staat hier op het punt een van de meest patriarchale instituten van ons noorderlijk grondgebied te verdedigen.

Ik las namelijk bij Perfect Day for a Picnic dat de schrijfster zich schoorvoetend door Maarten Boudry had laten overtuigen van het idee dat het pedagogisch onverantwoord is om de Sint als externe autoriteit in te roepen, en dat het liegen over zijn bestaan het vertrouwen tussen ouders en kinderen schaadt. Ik kon het artikel zelf niet vinden, maar blijkbaar is ze niet de enige die met tegenzin toegeeft dat mijnheer Boudry ergens wel gelijk heeft.

Zoiets doet mij meteen in mijn pen kruipen, want ik ben een grote fan van de Sint. Alle herinneringen in verband met het Sinterklaasgebeuren behoren tot de mooiste en meest intense van mijn kindertijd. De ontdekking van prachtig uitgestald speelgoed en snoepgoed op 6 december was steeds een apotheose na dagen van voorpret, en telkens ik als kleine believer door Sinterklaas werd aangesproken, voelde ik me gezien, geliefd en uitverkoren.

De vraag is nu: hebben mijn ouders indertijd hun eigen gezag ondermijnd door de controle over de geschenken bij een Spaanse bisschop te leggen? Wie daarvan overtuigd is, overschat mijns inziens schromelijk de draagwijdte van die goedheilige macht. In mijn persoonlijke ervaring als ouder bedraagt die macht geen jaar, maar een week. Één week. Een zevental dagen dat je, met een beetje geluk, tot een dag of tien kan uitrekken. Wanneer dochter het in de week voor Sinterklaas werkelijk te bont maakt, dan roep ik: GE MOET NIET DENKEN DAT SINTERKLAAS KOMT ALS GE U ZO GEDRAAGT! Op korte termijn heeft dat impact -in september moet je zoiets niet proberen. Is dit een pedagogische fout? Wel, dat kan mij eigenlijk weinig schelen. Ik gun mezelf dat ene weekje waarop ik mijn ouderlijke autoriteit niet grotendeels alleen moet dragen. Dat is het kadootje dat ik als ouder krijg van de lieve Sint. Laat ons ook niet vergeten dat elk kind anders is: dat er intensieve en zéér intensieve kinderen bestaan. En dat de ouders van zéér intensieve kinderen af en toe een beetje hulp van hierboven kunnen gebruiken.

Ten tweede: is het fout kinderen duidelijk te maken dat je een beetje je best moet doen om een kado te verdienen? Ik vind van niet. Natuurlijk weten we dat het in de wereld der volwassenen soms de bullebakken zijn die met de grootste kado´s gaan lopen. Maar die wetenschap wringt, het voelt aan als onrecht. Misschien net omdat we met het tegenovergestelde idee zijn opgevoed: wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is, de roe. En wat er precies begrepen dient te worden onder “zoet” en “stout”, dat vul je als ouder toch gewoon zelf in?

Dat het een oudere man moet zijn die bepaalt wie wel kadootjes krijgt en wie niet, daar wringt natuurlijk het schoentje. Maar daar passen we al jaar en dag een mouw aan door onze kinderen zonder onderscheid allemaal van kadootjes te voorzien. En er is nóg een achterpoortje: de Sint bestaat namelijk niet echt (surpraaais), dus kan je hem als ouder precies zo inkleuren als je zelf wil. In de leefwereld van mijn dochter is Sinterklaas nooit een autoritair, controlerend personage geweest, maar eerder een vrijgevig geriatrisch figuur, die in het openbaar wel eens streng wil overkomen, maar dat is slechts voor de show, dat snapt dochterlief ook wel. En onlangs hebben we samen die schitterende, op-en-top-feministische Disneyfilm Noelle gezien, wat al die jaren Sinterklazerij ruim gecompenseerd heeft, lijkt mij.

En dan de hamvraag: mag je liegen tegen je kinderen?

Ten eerste hoort liegen bij opvoeden, al moet je goed weten wat voor leugens je vertelt en hoe je ze inkleedt. Maar liegen moet je. Hoe kan je je kroost anders beschermen tegen de harde realiteit, het drama van de naakte feiten? Kinderen moet je langzaam aan de ruwe werkelijkheid van de wereld laten wennen, en dan kan je soms niet anders dan er een leugentje bijhalen. Nu kan er geargumenteerd worden dat er minder noodzaak is te liegen over de Sint dan over ziekte, dood, misbruik, en waarom tante Lola niet meer met nonkel Marc praat. Dus waarom erover liegen? Omwille van de magie, beste mensen. ´s Avonds in je bed met gespitste oren liggen luisteren naar vermeende hoefslagen, is een magische bezigheid. In de supermarkt Sinterklaas Superstar tegenkomen is een magische ontmoeting. Je kan ervoor kiezen niet tegen je kinderen te “liegen” omtrent het bestaan van de Sint, maar daarmee ontzeg je je kroost ook een aantal magische ervaringen tijdens een ontwikkelingsfase waarin magie net een belangrijke plaats inneemt.

Rest mij nog een korte aanval op het argument der schending van het vertrouwen. Ik heb in mijn bescheiden 39 jaar honderden manieren gezien waarop ouders het vertrouwen van hun kinderen (soms onherstelbaar) beschadigden, vele daarvan sociaal aanvaard of zelfs aangemoedigd door staat en omstaanders. De leugen omtrent het bestaan van de Sint was daar nooit één van. Zalig zij de adolescent die zijn of haar ouders enkel dát te verwijten heeft: de verhalen omtrent een vriendelijke, vrijgevige bejaarde die op een schimmel over de daken reed.

Ik heb het daarnet even gecheckt bij mijn achtjarige, of ze zich bedrogen voelde door het feit dat ik haar “voorgelogen” had over het bestaan van Sinterklaas. “Nee,” zei ze, zonder verpinken. “Maar het was wel leuker toen ik nog geloofde dat hij bestond.” Waarmee ik opgelucht mijn betoog over de waarde van magische herinneringen kon onderschrijven.

Net toen ik op het punt stond haar kamer te verlaten, riep ze me terug. “Maar er is wel één ding waarover je niet had mogen liegen, mama.”

Gealarmeerd draaide ik me om. “En dat is?”

“Jij en papa hebben altijd gezegd dat de aarde rond is.”

“En de aarde is niet…?”

Toen viel mijn frank, en ik zei: “Sorry, je hebt gelijk. De aarde is niet perfect rond. Ze is afgeplat aan de polen.”

Dochterlief knikte ernstig, maar gelukkig zag ik in haar ogen dat ze het me al vergeven had.